33.

Waarin Don Diks, redacteur Speciale Projecten van het landelijke dagblad De Tribune, een bijnaam probeert te verzinnen voor Chris Noordijk, maar uiteindelijk zowat van zijn stoel valt.

Of Chris Noordijk de verwensing van Bert den Braber (“We breken hem z’n nek”) vlak voor zijn binnenkomst had gehoord, viel niet op te maken. In elk geval deed de beoogde nieuwe hoofdredacteur z’n best vriendelijk te zijn, ook toen de drie senior-reporters tegenover hem de tijd namen om hun carrières van een glans te voorzien die er nu juist altijd aan had ontbroken. Noordijk hoorde het aan, maar zijn licht loensende ogen in een verder nogal vlezig gezicht zeiden volgens Don Diks: “Lul maar raak, jullie zijn de eersten die ik eruit gooi.” Don nam zich voor een bijnaam voor Noordijk te bedenken, zoals hij diens voorganger er ook ooit een had bezorgd, namelijk De Bulldozer. Maar hij kreeg geen gelegenheid, want het gesprek waarvan hij notulen zou maken, knetterde vanaf het begin.

“Ben jij werkelijk zo’n hufter als de geruchten doen geloven?” vroeg Kick Zuthe, bijna verlekkerd.

“Mensen op mijn positie,” grijnsde Noordijk terug, “maken geen vrienden. Ik ben voor van alles en nog wat uitgemaakt, maar één ding moet duidelijk zijn: ik ben geen gluiperd. Ik heb geen dubbele agenda’s. Ik ben helder, altijd. Je weet wat je hebt aan een afspraak met mij. Maar ja, ik ben ook hard. Zeker tegenover de mensen die er de kantjes van aflopen. Die mag ik niet zo, want zij benadelen het hele team.”

it was een vingerwijzing, dacht Don nog, maar vervolgens werd hij in beslag genomen door het reusachtige horloge dat Noordijk om de ene pols droeg en door de armband, aan de andere pols, met daaromheen een kralenketting, of was het een stuk ijzerdraad? Hij zou toch niet van de verkeerde kant zijn? Chris Noordijk, alias De Fat, wikte Don. Maar hij streepte de suggestie snel door.


De nieuwe baas van De Tribune vertelde over zijn contacten met Tristan van Billo, die aanvankelijk veel meer wilde bezuinigen dan de nu aangekondigde tien miljoen. “Maar ik heb hem dat uit het hoofd weten te praten. Zelfs denk ik dat Van Billo met zevenenhalf miljoen al heel tevreden zal zijn. Ik hoop dat jullie je realiseren dat ik daarmee een aantal arbeidsplaatsen voor de poorten van de hel heb weggesleept.”

“U spreekt van een hel,” zei Zuthe, “dus dan is Van Billo de duivel.”

“Dat is een goeie. Hij is een uitgever, een zakenman die vindt dat het anders moet. Zo’n redactie is toch een kruiwagen met kikkers. Iedereen zit in zijn eigen comfort zone, oefent zijn eigen hobby uit over de rug van de lezer, de árme lezer. En van doorselecteren hebben jullie nooit gehoord, is het wel? Ieder blijft zitten waar-ie zit en verroert zich zo min mogelijk.”

Don noteerde het woord ‘doorselecteren’, en hij meende het te kennen uit het kamerplantenboek van Eefke, waarin hij weleens had zitten snuffelen. Wat de aanstaande hoofdredacteur er precies mee bedoelde ontging hem, maar hij had er in deze context een naar voorgevoel over – Noordijk, het schele neefje van dokter Mengele? Ook dat idee verdrong hij gauw.

“Ik zal er niet aan ontkomen om mensen te ontslaan, een stuk of zes, zeven, tien hooguit. Zeg ik nu met de natte vinger, dus pin me er niet op vast. Maar ik verzeker jullie dat ik eerst vrijwilligers de kans geef. Er is namelijk een potje beschikbaar met gouden handdrukken, dus dat kan mensen triggeren. Oudere collega’s kunnen daarmee hun tijd tot aan hun formele pensionering overbruggen, maar jonge mensen kunnen ermee een bestaan opbouwen als zzp’er, oftewel een zelfstandige zonder personeel.”


Don hoorde de laatste tijd meer mensen op de redactie nogal opgewonden praten over dat zzp-schap. Het was het hoogst bereikbare in het leven, meende Wimmie Amoreel, maar van hem wist Don dat hij naast zijn baan nog een uiterst lucratief handeltje dreef in kunst en kitsch, waarvoor hij soms niet terugdeinsde reclame via de kolommen van De Tribune te maken. Maar hij, Don Diks, ging op z’n ouwe dag toch zeker geen avontuur meer aan als zelfstandige, als freelancer? Eef zag hem aankomen.

ensen die iets kunnen, moeten na hun 45ste niet meer bij een baas willen werken,” zei Noordijk bezwerend. “De eerste tien tot vijftien jaar van je werkzame leven kan het wel, want dan kom je net van school en moet je het vak leren, kun je nog gekneed worden. Maar daarna moet je een big boy zijn die op eigen kracht verder gaat.”

Wat Don hoorde, begon hem te benauwen. Het kon niet anders of Noordijk sprak hem rechtstreeks aan, en Zuthe en Den Braber en al die andere wat oudere of hinkende collega’s – Noordijk, De Beul? Kwam in de buurt, dacht Don.

“Diep in mijn hart zou ik de ontslagbescherming voor de alleroudste lampekappen onder ons willen afschaffen. Dan moeten ze wel, en bedenk dat de hardste huilers later vaak het gelukkigst zijn, want eindelijk vrij, eindelijk gelegenheid om hun talent te ontdekken en aan te spreken. Maar ja, ik krijg de hele vakbond natuurlijk over me heen, en jullie zullen wapperen met je redactiestatuut, dus…”

Lampekappen, zo sprak de nieuwe hoofdredacteur dus over de senioren, de redacteuren die met speciale projecten bezig waren, de ouwe rotten die jongeren nog konden vertellen wie Etty Hillesum was.


Van Dons incasseringsvermogen werd het uiterste gevraagd toen Chris Noordijk zijn personele masterplan ontvouwde: “Ik wil alleen de beste journalisten overhouden. De A-spelers. Onder mijn bewind lopen er alleen A- en hooguit nog een enkele B- speler rond. De C-spelers zijn wegbezuinigd, met pensioen, weet ik veel. De A’tjes zal het aan niets ontbreken, zij krijgen hun eigen privileges, hebben status: zij zullen niet gezien willen worden met een B-figuur. Mijn doel is net zo lang door te blijven selecteren tot deze redactie is omgevormd tot één groot A-team. Ik heb Tristan van Billo gezegd dat ik anderhalf jaar nodig heb.”

Het was genoeg, of eigenlijk te veel, en Don gooide zijn pen met een woeste beweging op tafel en zakte ostentatief onderuit op zijn stoel. “Pfff, man…” bracht hij met een van woede trillende stem uit. “Jij…”

Kick Zuthe en Bert den Braber bogen zich naar hun ontdane collega toe en probeerden hem te kalmeren, voordat hij de ergste dingen zou uitroepen. Dat lukte pas toen Chris Noordijk, kennelijk toch wat geschrokken, zich ermee bemoeide.

“Don,” sprak hij, en niet eens onvriendelijk, “ik probeer in dit kennismakingsgesprek alleen maar een ideale situatie te schetsen, een einddoel te formuleren. Er moet wat te dromen overblijven, toch? Van mij wordt dat verwacht, sterker, ik word erop afgerekend. Als ik over anderhalf jaar de taakstellingen niet haal, dan trapt Van Billo mij eruit. En zo hoort het ook. Elke trainer bij een topclub kent de risico’s die spelen op het hoogste niveau met zich meebrengt: pak je geen prijsjes, dan lig je eruit.”

Die taal, huiverde Don, dat accent, was het Gronings? En als hij praatte schudde die hele kop, als een bever die z’n wangzakken volpropte met malse scheuten van een waterplant.


Dons uitval leidde tot een pauze, waarin Noordijk de wc opzocht. Zuthe, Den Braber en Don Diks bleven zitten en keken elkaar om beurten aan, zwijgend, vragend, verdrietig – Noordijk, de Slager, bedacht Don, en op z’n Engels, The Butcher, klonk het nog iets vreeswekkender.

Volgende week: waarin Don Diks op de valreep een tegenzet bedenkt.

Frans van Deijl