Herman & De Woody’s

Nu Herman Brusselmans rust heeft genomen van het schrijven, kan hij al zijn aandacht richten op De Woody’s, de minivoetbalclub die hij al vijf jaar coacht. De schattige naam van de sport ten spijt gaat het er stevig aan toe in de wedstrijd tegen Moehaha.

In Gent staat een huis, in dat huis staat een bank, op die bank ligt een dekentje en onder dat dekentje ligt Herman Brusselmans. Preciezer: de voetbalcoach Herman Brusselmans. Ooit was hij bekend als de schrijver Herman Brusselmans, maar díe deken, om maar even een voor de hand liggende beeldspraak te gebruiken, heeft hij enkele maanden geleden van zich afgeworpen. Brusselmans, auteur van vuistdikke romans als Ex-drummer en Ex-minnaar, is inmiddels Ex-schrijver. Wat overigens ook een van zijn titels is.

“Ik geef ook geen interviews meer,” mokt de Ex-schrijver, wiens aantrekkelijke vrouw Tania mijn aandacht afleidt middels een strakke laklegging en een geurende kop koffie (in die volgorde). “Dit wil ik nog wel doen, omdat het over mijn voetbalploeg gaat, maar in een talkshow op televisie zul je me niet meer zien. Moet daar altijd maar over beffen praten, terwijl ik het graag over literatuur wil hebben. Als een literair programma mij uitnodigt om over boeken te praten, dan doe ik dat graag. Maar ik ga niet meer de clown uithangen. Zo’n programma als De Wereld Draait Door, daar krijg je dan van tevoren te horen: ‘Ja Herman, zet de boel maar weer eens op stelten.’ Want zo’n talkshow is amusement, dus als daar dan een gekke Belg met lang haar in zit die het over beffen heeft, dan is het programma geslaagd.

“We schrijven maandagavond half negen als de gekke Belg met het lange haar (“Waarom zou ik dat afknippen? Harry Mulisch knipt toch ook zijn neus niet af?”) zich onder zijn dekentje ligt voor te bereiden op de aanstaande wedstrijd van zijn minivoetbalteam De Woody’s, vernoemd naar zijn jammerlijk overleden hond Woody. “Hoewel iemand heeft ontdekt dat het ook de naam van een zware homo-site is. Want een woody is een erectie, hè.” Minivoetbal is een zaalvoetbalvariant met kleine doeltjes en zonder keepers, en Brusselmans is een coachvariant die zich niet met techniek, tactiek, mentale begeleiding en het analyseren van de tegenstander bezighoudt. “Ik vul het wedstrijdformulier in, hou het scorebord bij en als we thuis spelen, betaal ik de scheidsrechter. Maar dan geef ik na afloop geen rondje, want ik ben dan natuurlijk al tien euro kwijt.”


Voor die tien euro leiden de arbiters, volgens Brusselmans doorgaans ‘lieden die het badwater niet hebben uitgevonden’, een spelvorm waarbij geen enkele sprake mag zijn van lichamelijk contact en die als meest in het oog springende regel heeft dat er na drie corners een strafcorner is verdiend. Daarbij moet een speler het speeltuig opwippen, waarna een ander het ongehinderd in het Toulouse-Lautrec-doeltje mag koppen. Dit schijnt het hoogtepunt te zijn van een avondje minivoetbal in Vlaanderen.

Sedert vijf jaar houdt Herman Brusselmans als coach van De Woody’s scoreborden bij. “We vroegen ons destijds met een paar vrienden af wat we op doordeweekse avonden zouden gaan doen,” vertelt hij, het dekentje geen moment loslatend, als was hij Linus uit de tekenfilm Peanuts. “Fietsen was een optie, minivoetballen een andere. Maar dat dan alleen op voorwaarde dat ik niet zou meedoen,” aldus Brusselmans, die medio jaren zeventig als profvoetballer aan de slag had gekund bij KSC Lokeren. “Het contract lag al op tafel, maar ik heb het niet getekend. Vind dat hele voetbalwereldje te beperkt. Ik wilde naast het voetballen graag studeren, nou, dat was onbespreekbaar. Dus heb ik ervan afgezien.”

Als coach van De Woody’s is hij dus via de achterdeur terug de voetballerij in, zij het dat dit een met spinrag bedekt achterdeurtje in een slecht geventileerde, donkere kelder betreft. De Woody’s begonnen in de derde klasse Kern Gent De Pinte, een klasse die niets met drank te maken heeft, maar deels is vernoemd naar het Vlaamse plaatsje De Pinte. Door zeer geconcentreerd het wedstrijdformulier in te vullen en het scorebord bij te houden (en, vooruit, door net iets meer doelpunten te maken dan de tegenstanders), klommen De Woody’s op naar de eerste klasse. Hermans kenmerkende humeur heeft daar niet onder geleden, want ondanks al het succes lijkt hij nog even somber als voorheen. In elk geval maakt hij op deze maandagavond niet de indruk uitzinnig van vreugde te zijn dat hij mag afreizen naar Sporthal Merelbeke te Merelbeke, voor de nakende confrontatie met Moehaha. De naam van die opponent is een indicatie van het niveau binnen Kern Gent De Pinte.


In de beginjaren van De Woody’s, mengt Tania zich in de monoloog, was het allemaal veel leuker. Toen gingen alle vrouwen en vriendinnen nog mee naar de wedstrijden, ‘met pomponnen en zo’. Maar ja, toen werden er links en rechts kinderen geboren en die mochten de sporthallen niet meer in, waarna de vriendinnenploeg uit elkaar viel. Met als gevolg dat Herman nu in zijn eentje op een bitterkoude maandagavond naar het besneeuwde Merelbeke kan afreizen. “Het begint vanavond om kwart over tien, en dat is natuurlijk veel te laat,” zegt de coach, die het dekentje optrekt tot onder zijn kin. “Of ik er eigenlijk nog wel zin in heb? Och, laat ik het zo zeggen: De Woody’s zijn geen eerste levensbehoefte voor me. Mijn vrouw, mijn huidige hond Eddie en mijn motorfiets komen toch echt vóór het minivoetbal.”

En het schrijven? “Daar begin ik in het najaar pas weer mee, opdat ik eind 2011 weer voorzichtig kan publiceren. Op die manier probeer ik het literaire publiek weer nieuwsgierig naar mij te maken. Tot die tijd schrijf ik geen boeken meer. En dat is afkicken. Kan ook niet anders, als je 25 jaar lang twee romans per jaar hebt geproduceerd.”

Zuchtend: “Deze situatie is helemaal tegen mijn natuur in. Vroeger schreef ik een roman, dan wachtte ik even zes weken, en dan begon ik alweer aan de volgende. Voor het eerst in 25 jaar is dat patroon nu doorbroken. Oké, ik schrijf nog wel wát. Ik heb twee weekcolumns en vier maandcolumns. En af en toe eens een los verhaal, van twintig pagina’s of zo. Maar dat is op geen enkele manier te vergelijken met het schrijven van een roman. Een column is in één ruk gedaan, een roman is veel moeilijker. Bij het schrijven van een roman geldt: hoe verder je gaat, hoe meer je rekening moet houden met wat je al geschreven hebt. Een column is een sprintje, een roman een marathon. Maar ik neem elke schrijfopdracht aan, vind ook dat een schrijver in principe alles moet kunnen schrijven. Nadeel is alleen wel dat ik door die veelvoud aan activiteiten door de kenners niet meer serieus word genomen als auteur. Ik zal dus ook nooit eens in aanmerking komen voor een literaire prijs. Laatst las ik dat Arnon Grunberg een prijs heeft gekregen voor zijn gehele oeuvre. Dan denk ik: die wordt zeker au sérieux genomen omdat hij niets van voetbal weet. En de P.C. Hooftprijs voor Charlotte Mutsaers. Dat mens heeft vier boeken geschreven! Kennelijk word je alleen als een groot schrijver beschouwd als je acht jaar over een boek doet. Welnu, dan zal ik het tempo ook maar eens omlaag schroeven! Vanaf najaar 2011 nog maar één roman per jaar. Overigens is dat boek het derde in een reeks van drie, waarvan de eerste delen uitkwamen in 1985 en 1998. Ik weet dus al dertien jaar dat in 2011 dit boek gaat uitkomen. Maar het is toeval dat het samenvalt met de pauze die ik heb ingelast.”


En dan wordt het tijd om het dekentje los te laten. Beneden wachten twee Woody’s met een auto, gereed om de man die het wedstrijdformulier invult naar Merelbeke te rijden. Die route voert door het gezelligste deel van Gent, zijnde de Schepenvijver, een nauw straatje dat aan weerszijden wordt bevolkt door in rood neon badende raamhoeren. De hoofden van De Woody’s en, alla, dat van de verslaggever gaan heen en weer als op de tribune bij een tenniswedstrijd. Dan hebben we het mooiste gehad en wordt de omgeving killer, kaler en onpersoonlijker. En wanneer we qua gezelligheid de bodem hebben bereikt, zijn we in Merelbeke.

Welgeteld vier toeschouwers in Sporthal Merelbeke zien hoe De Woody’s en de selectie van Moehaha zich tegenover elkaar opstellen en, als ze goed kijken, hoe een gekke Belg met lang haar een begin maakt met het invullen van het wedstrijdformulier. Na het eerste fluitsignaal van een man die het badwater niet heeft uitgevonden storten beide partijen zich op het rollende object, dat met enige welgemikte voetbewegingen in een doeltje ter grootte van een sladroger moet worden geplaatst. Daarbij is weinig plek ingeruimd voor subtiliteiten. Anders gezegd: er wordt gespeeld op een manier waarop men ook in de lagere regionen van Nederland het begrip zaalvoetbal meent te moeten interpreteren. Dus geen korte combinaties, maar lange ballen – niet zelden door de lucht en dientengevolge ook een enkele keer via het plafond. Zzzzoefff… knal! in plaats van tik-tik-tik tot over de doellijn. Veldvoetbal met een dak erboven. Achter een der beide doeltjes prijken vijf gefiguurzaagde olympische ringen, maar die hebben niets met De Woody’s en Moehaha te maken. Ook niet met Merelbeke trouwens.


De enige uitzondering op het algehele recreatieve niveau is oud-international Gunther Schepens, die dertienmaal voor de Rode Duivels uitkwam, bij gerenommeerde profclubs als AA Gent, Standard Luik en Karlsruher SC op de loonlijst stond en thans achterin bij De Woody’s het overzicht behoudt, zoals dat zo mooi heet. In de praktijk komt dat erop neer dat hij geen stap te veel zet en met perfecte precisiepassjes zijn ploegmaats naar voren dwingt.

Een minivoetbalwedstrijd duurt vier maal dertien minuten, en al die tijd staat Herman Brusselmans aan de zijlijn naast twee flessen Prik & Tik bronwater, de handen onafgebroken in de zakken van zijn sleetse jack. Niet bepaald als een veldheer, meer als iemand die op de bus wacht. Maar wellicht is de blik waarmee hij het spel volgt dwingend, want zijn spelers slepen in 52 minuten een afgetekende overwinning uit het vuur. De Woody’s, die collectief klagen over de gladde vloer (“Of zullen we dat er niet in zetten, voor de mensen in Merelbeke?”), hebben 5-8 op het scorebord laten noteren, een uitslag die impliceert dat er sprake was van een uitwedstrijd – en dat Brusselmans de tien euro voor de scheidsrechter op zak heeft kunnen houden.

“Ik ben niet het type dat gaat zeggen hoe het moet,” zegt de coach tijdens de nababbel in de kantine. “Het zeggen wat anderen moeten doen, zit totaal niet in mijn aard.” De met de nodige pinten opgeleukte ‘vijfde helft’ moet voor de gekwelde Ex-schrijver de grootste verzoeking van de avond zijn, daar hij sinds 1993 ook nog eens Ex-drinker is. Maar ook nu zegt hij niet wat De Woody’s moeten doen, met als gevolg dat hij pas tegen het middernachtelijke uur Sporthal Merelbeke kan verlaten. Wat trouwens geen enkele invloed heeft op zijn ritme, want Herman Brusselmans gaat al decennialang pas om half zes ’s ochtends naar bed. “Vroeger zat ik de hele nacht te schrijven,” vertelt hij, de vlam zettend in alweer een sigaret. “Nu vul ik de uren op een andere manier. Wat ik doe in plaats van schrijven? Lezen!”


En hier had de oude Herman Brusselmans ongetwijfeld ‘beffen’ gezegd.

Michiel Blijboom