Stadskind in een dorp

Saskia Laroo (1959) is trompettiste, speelt voornamelijk jazz en jazzdance en treedt wereldwijd op. Zij groeide op in Den Ilp.

Als kleuter was Saskia Laroo al ambitieus. Op haar derde deed ze bijvoorbeeld alsof ze kon lezen. Dan sloeg ze een boek open en begon ze zogenaamd voor te lezen. Rond haar zesde droomde ze van een loopbaan als wonderkind, tot ze een televisiefilm over wonderkindjes van onder de zes zag en zich realiseerde dat ze daar al te oud voor was. Vervolgens probeerde ze haar drie jongere zusjes van alles te leren, want die maakten nog wél kans.

Hoewel ze areligieus werd opgevoed, was ze als jong meisje toch gelovig. Een protestants vriendinnetje zei dat geloven leuk was en dat ze maar eens moest meegaan naar de kerk. Daar hoorde ze allemaal zielige verhalen over Jezus, zó mooi dat ze er niet genoeg van kreeg. En dus ging ze voortaan op zondagochtend naar de dienst van half tien in de kerk van haar vriendinnetje en daarna naar de dienst van half elf in een andere kerk. Zo leerde ze ook de nodige christelijke liedjes over het ‘kindeke teer’ zingen; als ze die zong in het snoepwinkeltje, kreeg ze een grote zak met lekkers.

Dat speelde zich af in Den Ilp, tien kilometer ten noorden van Amsterdam, een lintdorpje van zo’n achthonderd inwoners met als bekendste exemplaar Anton Heyboer. Haar ouders hadden daar een zomerhuisje, waar ze weekends en vakanties doorbrachten. Aanvankelijk woonde het gezin in de Jordaan, waar vader Laroo een verfwinkel had, ‘Verf van de Vakman’ geheten, maar gaandeweg kwam een zwager in de winkel en kon vader schilderklussen aannemen. Nu ze niet meer aan Amsterdam gebonden waren, verhuisden de Laroos naar Den Ilp, waar het eenvoudige vakantiehuis sindsdien voortdurend werd vertimmerd en uitgebouwd.


Grote attractie was een achter het huis gelegen meertje, groot genoeg om erin te kunnen zwemmen. Bij een beetje weer doken Saskia en haar zussen na school meteen het water in. En als haar ouders een feestje organiseerden, wat nogal eens voorkwam, dan gingen ze geregeld met z’n allen om middernacht zwemmen. Behalve dat meertje was er vlakbij ook nog een slootje waar het wemelde van de vis: je hoefde maar tot drie te tellen en je had beet. Vaak ging ze daar ’s ochtends vroeg met buurjongetjes hengelen, omzwermd door een stel likkebaardende katten.

Het was wel wennen in Den Ilp. Jullie zijn anders dan de dorpskinderen, benadrukte moeder graag, jullie zijn stadskinderen. Bij de kinderen uit het dorp mocht je alleen in de bijkeuken spelen; de zondagse kamer moest spic en span blijven. Bij de Laroos konden kinderen spelen naar hartelust, onder meer met een heleboel muziekinstrumenten, zoals een piano van de rommelmarkt, tweeënhalve toon te laag, maar dat maakte niet uit voor De vlooienmars. Saskia en haar zusjes vielen ook op door hun fleuriger kleding, die moeder, een creatief talent, zelf vervaardigde.

In haar ogen waren haar ouders net filmsterren. Haar moeder leek wel een donkerharige Brigitte Bardot; ze was mooi en slank en kleedde zich met smaak. Haar vader werd in het dorp ‘de Amerikaan’ genoemd, omdat hij graag in een mooi pak mocht rondlopen en flamboyant was. Bij hun trouwen, een moetje, was vader twee keer zo oud als moeder: hij 52, zij 26. Hij had al een huwelijk achter de rug, waardoor hij een dochter had die net zo oud was als zijn vrouw. Saskia viel het leeftijdsverschil niet op, want vader bleef steeds jeugdig, en openstaan voor het nieuwe. “Mijn ouders waren vrije geesten, ook al doordat ze geen last hadden van de hang-ups van een geloof. Ze lieten me heel vrij. Speel maar, zeiden ze, geniet maar van het jong zijn.”


De kinderen werden wel naar de muziekschool gestuurd en zo werd de blokfluit Saskia’s eerste instrument. Op haar achtste kwam ze net als het halve dorp bij de plaatselijke fanfare De Eendracht, waar ze cornet – een kleine trompet – leerde spelen. Op maandagavond werd er altijd gerepeteerd in het achterzaaltje van café De Drie Zwanen en daarnaast oefende ze regelmatig bij ome Jo, een vrijgezelle boer met twee koeien, die trompet en saxofoon speelde. Dat was ongewoon, want binnen De Eendracht hadden blaasinstrumenten een lagere status dan rietinstrumenten, die als moeilijker golden en alleen door leden van een bepaalde familie mochten worden bespeeld.

Terwijl ze bij de fanfare bleef, ging ze op celloles. Ze weet nog dat ze het gnant vond om met dat grote instrument op haar rug tien kilometer door de polder naar de muziekschool te fietsen. Haar vriendinnen speelden gitaar, naar het voorbeeld van Joan Baez en Melanie, dat was veel hipper. Na drie jaar ging ze ook gitaar spelen, en een tijdje later contrabas. Om vervolgens de sax te verkennen.

Hoewel ze altijd een boekenwurm was geweest, verloor ze rond haar zestiende haar interesse in het geschreven woord en stortte ze zich op de wiskunde, waar ze tienen voor haalde. Omdat ze bij IQ-testen altijd hoog scoorde, besloot ze dat ze iets intelligents moest doen met haar leven en pure wiskunde moest gaan studeren.

In die tijd kwam ze bij een net op school ontstane bigband. Daar maakte ze voor het eerst kennis met jazzmuziek en met improviseren. “Dat vond ik geweldig,” zegt ze. “Je onbewuste denken, waarmee je improviseert, is veel sneller dan je bewuste denken. Maar ik had er nooit aandacht aan besteed en was altijd maar aan het analyseren. Mijn intuïtie moest ik gaan ontwikkelen.”


Toen ze in Amsterdam wiskunde ging studeren, zat ze tussen tachtig studenten, en allemaal nerds. Zelf was ze al net zo’n nerd. Zat ze op haar kamer te denken en te denken en te denken tot ze helemaal gaar was, kwam ze vervolgens op de gang een huisgenoot tegen en kon ze, helemaal in gedachten, nauwelijks nog ‘hallo’ uitbrengen.

Al snel ging ze naar experimentele workshops in het Bimhuis, maar ook naar jamsessies van een dixielandclub, twee wereldjes die niets van elkaar moesten hebben maar die zij allebei de moeite waard vond. Ze heeft niets met hokjesgeest en wilde zich veelzijdig ontwikkelen. Bovendien merkte ze dat ze met dixieland kon schnabbelen. “Ik wist nooit goed wat ik wou met mijn leven,” vertelt Saskia Laroo. “Bij wiskunde ging het me om de studie, niet om daar mijn beroep van te maken. Dus toen ik ondervond dat ik met muziekmaken geld kon verdienen, wist ik meteen: dit is het, klaar.”

Matt Dings