‘Elke tijd heeft zijn eigen stoornis’

Vrouwen die hun draai niet konden vinden in de mannenmaatschappij werden eeuwenlang voor gek verklaard. Een gesprek met de Britse historica Lisa Appignanesi over hysterie, koude baden tegen ‘de zenuwen’ en Marilyn Monroe. ‘Tegen echt psychisch lijden is niet altijd een remedie.’

U schetst in uw boek Gek, slecht en droevig een treurig beeld van vrouwen.

“Helaas wel. Vrouwen zijn eeuwenlang door mannelijke artsen behandeld, en niet altijd met evenveel begrip voor hun problematiek en hun worsteling in de maatschappij. Ik had gehoopt dat er andere diagnoses zouden worden gesteld nu er meer vrouwelijke artsen zijn, die de problematiek van vrouwen beter begrijpen. Maar vrouwen blijken soms bevattelijker voor een stoornis door bepaalde gebeurtenissen in hun leven, zoals de geboorte of de menopauze. Hormonen zorgen nu eenmaal voor stemmingswisselingen.”

Geven de huidige statistieken van psychische aandoeningen hogere percentages vrouwen te zien?

“Nauwelijks. Psychoses komen bij vrouwen maar 0,1 procent vaker voor, en bij depressies en angsten is het verschil zo’n vier procent. Maar vrouwen gaan vaker naar de dokter en praten makkelijker met een arts over hun gemoedstoestand. Mannen doen dat minder snel; ze kroppen hun gevoelens op of uiten ze in de vorm van agressie of door te gaan drinken. Vrouwen gaan naar de dokter, mannen naar de kroeg.”

Waarom zijn alle psychiatrische patiënten in uw boek vrouwen?

“Ziektegeschiedenissen van vrouwen spelen een belangrijke rol in het ontstaan van de psychiatrie. Elke tijd heeft zijn eigen stoornis, en de diagnoses bij de vrouwen in mijn boek werden vastgesteld volgens het psychosociale klimaat van een bepaalde tijd. De artsen stelden diagnoses die op dat moment in de mode waren en gingen voorbij aan de beperkte ontplooiingsmogelijkheden, waardoor veel vrouwen ontspoorden.”

Maar die artsen zaten toch ook gevangen in de toenmalige moraal?

“Als ze beter naar vrouwen hadden geluisterd en minder met zichzelf en hun medische experimenten bezig waren geweest, dan waren er waarschijnlijk minder vrouwen onterecht in inrichtingen opgesloten, waar ze vaak alleen maar ‘krankzinniger’ werden. De gestichten van die tijd waren mensonterend, met dwangbuizen in plaats van gesprekken, ‘primitieve’ medicijnen en ouderwetse gezagsverhoudingen tussen arts en patiënt, en tussen man en vrouw. De artsen bedoelden het goed, maar ze namen elkaars diagnoses klakkeloos over en maakten vaak misbruik van hun machtspositie. Veel vrouwen hebben onnodig geleden.”


Hoe verging het een vrouw die rond 1880 met vage klachten bij de dokter kwam?

“Als hij niets anders kon vinden, leed ze al gauw aan zenuwziekte. Het kwam niet bij artsen op om te denken aan gebrekkige ontplooiingsmogelijkheden, of aan verveling, het gevangen zitten in een huwelijk of onvrede met het moederschap, zoals dat de dichteres Sylvia Plath later fataal werd. Toch was de diagnose zenuwziekte vreemd genoeg voor vrouwen vaak een opluchting. Ze geloofden er zelf ook in, want ze leefden immers in dezelfde maatschappij en ‘analyseerden’ zichzelf volgens de ideeën van hun tijd. Ze zeiden gewoon dat ze ‘de zenuwen’ hadden.”

Wat leert ons het verhaal van Mary Lamb, die haar moeder doodstak?

“Dat ze nog ‘geluk’ had dat ze dat in 1796 deed en niet vier jaar later, toen krankzinnigen op grond van een nieuwe wet werden opgesloten. Mary leed volgens de lijkschouwer aan ‘gevaarlijke razernij’ en hoefde niet te worden opgesloten omdat haar broer zich over haar ontfermde.”

Werd ze behandeld?

“Krankzinnigheid werd toen als een aangeboren aandoening beschouwd. Eventuele behandeling was gericht op het onderdrukken van de razernij, door ‘afkoelen’ met koude baden, kort knippen van het haar en het toedienen van opium en krampwerende middelen. Niemand die bedacht dat ze het gewoon te zwaar had: als kostwinner verzorgde ze haar demente vader, haar verlamde moeder, een kwakkelende broer en andere zieke familieleden. In haar ‘goede’ tijden nam ze die taken gewoon weer op zich.”

Wat bezielde de jonge vrouw in uw boek die in 1826 een baby de keel doorsneed en het hoofdje uit het raam gooide?

“Volgens de toenmalige zenuwartsen leed ze aan moorddadige monomanie. De vrouw in kwestie, Henriette Cornier, zei geen motief te hebben, en daar werd dus ook niet naar gezocht. De artsen stonden niet stil bij haar treurige leven: ze miste haar kinderen, die haar man had meegenomen toen hij haar verliet, was in haar jeugd mishandeld, was al vaker depressief geweest en had een mislukte zelfmoordpoging gedaan. De artsen waren meer bezig met hun eigen medische bevindingen dan met hun patiënten.”


Volgens de Franse filosoof Michel Foucault was de zaak-Cornier, die uitdraaide op levenslange dwangarbeid, een keerpunt in de psychiatrie.

“Haar proces draaide om de vraag of ze in koelen bloede had gehandeld of dat ze krankzinnig was, en wat dat dan precies inhield. Voor het eerst woog bij het bepalen van de strafmaat het oordeel van ‘psychiaters’ mee. Cornier zat inmiddels in het beroemde gesticht La Salptrière en verzette zich tegen de diagnose, want ze herkende zich totaal niet in haar medepatiënten. Haar zaak leidde ertoe dat de geestesgesteldheid van moordenaars voortaan werd onderzocht.”

Veranderde de visie op krankzinnigheid?

“Er was vooruitgang in die zin dat ook maatschappelijke en sociale factoren als oorzaak voor gekte werden gezien, al hielden artsen het toch nog steeds vaak op erfelijkheid. Zo zat er een pianiste in La Salptrière bij wie in 1869 werd vastgesteld dat ‘haar zenuwgestel was uitgeput door slaaptekort, studie en muzikale toewijding’. Zij verzette zich tegen haar lot en werd jaren later door het Franse ministerie van Justitie in het gelijk gesteld; ze kreeg een financiële compensatie.”

Kijkt u als historica naar deze ziektegeschiedenissen of als feministe?

“Je zou bijna feministe worden na het schrijven van zo’n boek. Dat mannen vrouwen belemmerden in hun streven naar gelijkheid in het huwelijk, het onderwijs en het maatschappelijk leven, is vervelend. Maar dat vrouwen machteloos stonden tegenover artsen die hen ‘ziek’ verklaarden omdat ze hun omstandigheden niet aankonden, is moeilijker verteerbaar. En dat geldt ook voor de toenmalige opvatting dat intellectuele en kunstzinnige bezigheden bij vrouwen tot onvruchtbaarheid konden leiden.”


Waarom trekt u zich het lot van deze vrouwen zo aan?

“Aantrekken is een groot woord, maar er is hier sprake van een patroon. Emoties van vrouwen werden ‘gekoloniseerd’ door ‘deskundigen’ en door de heersende moraal. Vrouwen hadden weinig keuzemogelijkheden: of dol worden van verveling, of iets ondernemen, met het risico om onvruchtbaar te worden. Vrouwen hebben nu meer vrijheid, maar zo heel veel anders is de situatie ook weer niet.”

Dat kunt u toch niet menen?

“Hardwerkende vrouwen krijgen door zogenaamde deskundigen allerlei narigheid aangepraat. Ze zouden hun kinderen tekortdoen, of ze zouden onvruchtbaar worden door alle vermoeienissen en stress. Oude vooroordelen worden gewoon verpakt in een nieuw jasje.”

Ook seksualiteit werd in puur lichamelijke termen bekeken.

“Tot eind negentiende eeuw werd er gedacht dat het verwijderen van de eileiders vrouwen van seksuele problemen kon genezen. Maar seks bleek meer dan een kwestie van anatomie alleen, en werd zelfs gezien als bepalend voor de persoonlijkheid. Hysterische vrouwen bevestigden dat vooroordeel doordat ze blijk gaven van seksuele gevoelens en verlangens. Dat werd gezien als ‘seksueel afwijkend gedrag’, en Freud was de eerste die seksuele stoornissen als oorzaak zag van hysterie.”

Bracht Freud verbetering voor vrouwen?

“Er is van alles op hem aan te merken, maar hij was wel de eerste die over dit soort zaken met vrouwen sprak. Hij luisterde naar hen en nam hun klachten over hun dagelijks leven serieus. Hij zag dat veel vrouwen moeite hadden met de toenmalige seksuele moraal. Hij zag dat ze soms zware psychische offers brachten om de rol te kunnen spelen die de maatschappij van hen verwachtte.”


Waarom wilde Virginia Woolf, die een verstoorde seksuele ontwikkeling had dankzij een incestverleden, geen gesprekstherapie?

“‘Gekte is een geweldige ervaring,’ schreef ze. Het inspireerde haar. Ze was waarschijnlijk bang, zoals zoveel kunstenaars, dat haar literaire talent samenhing met haar perioden van gekte en dat dat door therapie verloren zou gaan. Rainer Maria Rilke was bijvoorbeeld bang dat therapie niet alleen de duivel maar ook de engelen zou verdrijven. En Vladimir Nabokov sprak smalend van ‘die Weense toverdokter’.”

En hoe stond Marilyn Monroe tegenover therapie?

“Haar laatste therapeut, Ralph Greenson, sprak uren met haar zonder een realistisch beeld te krijgen. Ze bleef onbereikbaar en wist vaak zelf niet of ze acteerde of niet. Ze is drie keer getrouwd, maar wist niet wat echte binding was. Ze stierf in 1962 op 36-jarige leeftijd nadat ze 45 slaappillen had ingenomen. Greensons diagnose was borderline. Hij heeft haar een tijd in huis genomen en gaf haar ‘educatieve’ therapie: hoe ze een ‘normaal’ leven moest lijden. Hij was altijd beschikbaar voor haar, en zorgde als een soort pleegvader dat ze ging werken, dat ze een huis kocht en het inrichtte.”

Ging dat niet wat ver?

“Volgens feministen wel. Ze zien Monroe als een slachtoffer van de mannenmaatschappij en geven Greenson de schuld van haar passiviteit. Maar zijn therapie, die destijds heel conventioneel was, lijkt op recente richtlijnen voor de behandeling van borderlinepatiënten in Groot-Brittannië.”

Tot de laatste pagina van uw boek schemert ongenoegen door. Wat zit u aan deze tijd dwars?


“De toenemende ‘psychiatrisering’ van mensen, en de ‘symptomatisering’ van emoties waarmee we vroeger gewoon leerden leven. Rond 1900 pasten alle psychiatrische symptomen op een A4’tje, nu zijn het 940 pagina’s. Verlegenheid, drukte, tekortkomingen – het zijn tegenwoordig allemaal symptomen. Tekortkomingen waren vroeger iets waar je verdrietig of gespannen van werd, maar tegenwoordig zijn tekortkomingen een symptoom van een stoornis: depressie.”

Hoe komt dat?

“Doordat er medicijnen zijn. Veel ‘gewone’ emoties en gedragspatronen worden nu bestempeld als stoornissen, waar medicijnen voor worden voorgeschreven. Afwezigheid heet meteen autisme, verlegenheid social anxiety disorder, en iemand die druk is heeft ADHD en krijgt ritalin. Het gebruik van ritalin, antipsychotica en antidepressiva is sinds 1999 verdrievoudigd. Tachtig procent daarvan wordt door de huisarts voorgeschreven, terwijl we bij milde aandoeningen beter naar de oorzaak kunnen zoeken. Volgens de farmaceutische industrie zijn alle stoornissen te genezen, maar tegen echt psychisch lijden is niet altijd een remedie. Geen enkel middel werkt altijd en voor iedereen.”

Hoe komt het dat ‘gewoon’ gedrag steeds vaker een medisch etiket krijgt opgeplakt?

“We hebben pijn en verdriet uit ons leven gebannen, terwijl het normaal is dat mensen soms in de put raken. Toch willen we ons altijd opperbest voelen, en de farmaceutische industrie ‘helpt’ ons daarbij door het verdriet een naam te geven en er een middeltje tegen op de markt te brengen. Bij een psychose is dat een zegen, maar bij milde depressies of angststoornissen is het funest. Depressies ontstaan vaak door maatschappelijke factoren, zoals eenzaamheid. Door sociale activiteiten en gesprekstherapie, met iemand die luistert en zich menselijk opstelt, kan een patiënt op de goede weg worden geholpen, door pillen niet.”


Uw volgende boek, Love As A Drug, gaat over de liefde. Is er een verband?

“Liefde als vorm van gekte? Het verschil is dat je in de liefde gek en antisociaal mag zijn…”

Was will das Weib? Freud wist het niet. Weet u het?

“Dat haar man écht naar haar luistert. Dat zei Geoffrey Chaucer in de veertiende eeuw ook al.”

Lisa Appignanesi: Gek, slecht en droevig.

De Bezige Bij. €39,90.

Ook verkrijgbaar via www.ako.nl.

Els van Diggele, foto's Patrick Redmond