Het trevira complot

Ruim dertig geleden speelde zich in Vlissingen een van de grootste bedrijfsspionagezaken van na de oorlog af. De directeur van de kunstvezelfabriek van Hoechst bleek een DDR-spion. Dankzij Hans-Sieghard Petras liep de halve DDR in spotgoedkope Trevira-kleding. In HP/De Tijd blikt hij openhartig terug op zijn Stasi-verleden.

Net als andere maandagochtenden begon de morgen van 29 januari 1979 voor Hans-Sieghard Petras, directeur van de Hoechst-kunstvezelfabriek in Vlissingen, met de wekelijkse werkbespreking. Maar deze maandag kreeg de Duitser al na een half uur een telefoontje dat zijn leven een dramatische wending zou geven. De man aan de andere kant van de lijn noemde zijn naam niet. Dat hoefde ook niet, want Petras hoorde meteen wie het was: Horst, zijn jarenlange verbindingsman bij het Ministerium für Staatssicherheit van de DDR, kortweg de Stasi.

Hoe vaak hadden ze dit moment al geoefend? Wanneer Horst een bepaalde zin uitsprak, moest Petras onverwijld naar de DDR terugkeren, waar hij ook mee bezig was. “Vergeet je vrouw en kinderen niet,” luidde de goedbedoelde laatste instructie van de hoorbaar nerveuze Führungsoffizier, die eigenlijk niet meer bij het protocol hoorde. Petras deed wat hem gezegd was en vertrok, zijn medewerkers verbijsterd achterlatend. Van de maandagochtendvergadering kwam niets meer terecht.

Zo kwam ruim dertig jaar geleden een eind aan een van de grootste bedrijfsspionagezaken uit de naoorlogse geschiedenis van Nederland. Hans-Sieghard Petras, topman van het inmiddels niet meer bestaande Hoechst, had jarenlang vanuit Vlissingen strikt geheime hoogwaardige informatie aan de DDR doorgespeeld als infiltrant van de HVA, de Hauptverwaltung Aufklärung, Sektor Wissenschaft und Technik, een onderdeel van de geheime dienst van de DDR. In Vlissingen kon Petras buiten het zicht van de centrale leiding van het bedrijf in Frankfurt zijn gang gaan; geen haan die naar hem kraaide. Ook onze Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) niet, terwijl daar toch alle reden voor was. Dr. Petras, een gepromoveerd chemicus die als jonge student in 1962 de West-Duitse nationaliteit had aangenomen, kwam oorspronkelijk uit DDR-gebied, het Oostblok dus, waar hij nog familie had. Kennelijk vertrouwde de BVD erop dat Hoechst zijn mensen zelf wel zou screenen.


Hoe dan ook, Petras was door de mazen van het net geglipt. Zo kwam de BVD niet aan de weet of Petras in de omgeving van Vlissingen niet ook op andere terreinen had gespioneerd. Zoals het militaire complex van De Schelde, bouwer van door radar onzichtbare atoomonderzeeërs, of de kerncentrale te Borssele. Vaststaat dat de BVD en de Marine Inlichtingendienst (MARID) na het overhaaste vertrek van Petras wél zijn nagegaan of er Nederlandse belangen waren geschaad. In een intern memo meldde de BVD in het voorjaar van 1979 dat zou worden getracht een beeld te krijgen van de manier waarop Petras zijn inlichtingenwerk had verricht, en of hij helpers had gehad in het Westen. De bevindingen bleven ‘onder de pet’. De opvolger van de BVD, de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD), blijkt desgevraagd niet scheutig met informatie over deze oude kwestie. Geen wonder: door onoplettendheid of nonchalance van de BVD kon Petras naar eigen berekening acht jaar, zeven maanden en drie dagen onbelemmerd snuffelen naar alles wat hij bij Hoechst maar van zijn gading vond. Curieus is dat de landelijke media destijds niet uitzochten wat de plotseling vertrokken Petras allemaal in het Zeeuwse had uitgespookt. Alleen de regionale krant PZC publiceerde een aantal nieuwsberichten. De spionagezaak-Petras bleef daardoor al die jaren achter de horizon.

Tot HP/De Tijd in het Stasi-archief in Berlijn voor het eerst vertrouwelijke documenten opdook die bevestigen dat Petras alleen al door het kopiëren van de Vlissingse bedrijfsgeheimen de Bondsrepubliek alsmede Hoechst AG een forse financiële schade heeft berokkend. “Het bewezen nut van het polyestercomplex (Trevira) beliep honderden miljoenen DM,” zo staat het letterlijk in een notitie over Petras’ werkzaamheden voor de Stasi. Trevira (beschermd handelsmerk van door Hoechst ontwikkelde kunstgarens) maakte in de jaren zeventig furore in de DDR als grondstof voor de muisgrijze broeken en uniformen waar bijkans de hele mannelijke bevolking in rondliep. Zoals de Vopo’s, de beruchte Volkspolizisten.


De spion zat op een strategisch punt, namelijk bij een van de modernste Trevira- installaties ter wereld. Op de bouw daarvan had hij persoonlijk toezicht gehouden. Hij kende alle ins en outs, elk boutje en moertje; alle blauwdrukken gingen door zijn handen. En al die informatie briefde hij door naar Berlijn, tot in de kleinste details.

Niet alleen de techniek interesseerde hem en zijn superieuren, maar ook zaken als marktsituatie, prijsontwikkeling en commerciële trends. Berlijn profiteerde daarvan door de verkoop van namaak- Trevira uit de DDR, maar nog meer door de levering aan andere Oostbloklanden van complete Trevira-fabrieken, gebaseerd op het voorbeeld te Vlissingen.

Na enig speurwerk traceerde HP/De Tijd het tegenwoordige woonadres van Petras, in een groene buitenwijk in een voorstad van Berlijn. Het onaangekondigde bezoek overrompelde hem en zijn echtgenote Ursula. Petras had zich voorgenomen om de rest van zijn leven over zijn spionagewerk voor de Stasi te zwijgen. “Das war einmal.” Niemand in de buurt weet ervan, alleen een paar intimi uit ‘de goede oude tijd’. En zijn drie inmiddels volwassen kinderen: Thomas, Tobias en Tanja. Voor de buitenwacht is hij de emeritus Professor Dr. Dr. Hans-Sieghard Petras, tweemaal gepromoveerd hoogleraar chemie. Dat imago past bij de rol die zijn vrouw en hij in het openbare en kerkelijke leven spelen. “Ik zie er de zin niet van in om het verleden op te rakelen,” zegt de inmiddels 77-jarige Petras beminnelijk. Dat zou zijn huidige bestaan maar in de war schoppen.

Maar bij een kopje thee van echtgenote Ursula wordt Petras wat loslippiger over zijn Stasi-verleden. “Ja, ik ben inderdaad actief geweest voor de HVA, voor de afdeling chemie van de Sektor Wissenschaft + Technik.” Voor zijn inspanningen kreeg hij na zijn overhaaste aftocht uit Nederland een hoge DDR-onderscheiding. Zijn carrière zette hij in de luwte voort, onder meer met een leerstoel aan de prestigieuze Humboldt-Universität. Hij is nog altijd bevriend met zijn Führungsoffizier van toen, generaal-majoor Horst Vogel, die begin jaren zestig voorzag dat Petras van grote waarde zou kunnen zijn en hem toen al bij de inlichtingendienst van de DDR introduceerde.


Na zijn studie in de DDR vond Petras zelf zijn eerste baan, in het onderzoekslaboratorium van Schering AG in West-Berlijn. Hij woonde toen nog in Oost-Berlijn, omdat hij dacht hij zo meer zou kunnen doen voor de opbouw van zijn land. Maar zijn vriend Vogel hielp hem uit de droom. “Juist vanaf de overkant kun je veel betekenen.” Petras vatte dat op als een hint en ging bij Schering aan de slag. “Het was een kans om niet in maar vóór mijn land te werken. Het risico leek me beheersbaar.”

Al gauw was Petras bij Schering (dat inmiddels in een groter concern is opgegaan) betrokken bij uiterst vertrouwelijk onderzoek naar de werking van de pil. De Berlijnse chemiegigant ging in Europa aan kop bij de fabricage van het revolutionaire anticonceptiemiddel, dat al onder de naam Anovlar op de markt was gebracht. In de DDR mocht de pil slechts in uitzonderingsgevallen worden voorgeschreven, gezien de hoge importprijs die in westerse valuta moest worden betaald. Hans-Sieghard Petras, sinds 4 maart 1963 een Informeller Mitarbeiter van de Stasi, kreeg de stille wenk van Vogel om basisinformatie over de receptuur te verschaffen, wat hem na verloop van tijd inderdaad lukte. Dankzij Petras ontwikkelde het Oost-Duitse Jenapharm een goedkopere versie van de pil. Een klapper van jewelste, waarmee de DDR (net als bij later bij Trevira) honderden miljoenen marken in zijn zak kon houden die anders aan het Westen hadden moeten worden betaald.

In november 1965 lanceerde de DDR zijn eigen anticonceptiepil: Ovosiston. “Toen werd het voor mij hoog tijd om stilletjes aan bij Schering op te stappen. Stel dat ze iets door zouden krijgen. Maar dat ik degene ben geweest die Jenapharm de receptuur toespeelde, heeft nooit iemand geweten,” zegt Petras met nauw verholen trots. “Behalve Vogel natuurlijk.”


Bij Jenapharm zegt Dr. Dieter Onken, die destijds meedeed aan de ontwikkeling van de DDR-pil, desgevraagd dat er geen sprake was van plagiaat. Maar Petras spreekt dat stellig tegen. “Niemand mocht het weten.”

Het volgende project werd Hoechst. Het hoofdkantoor in Frankfurt zocht mensen die op den duur chemische fabrieken in het buitenland konden opzetten. Petras solliciteerde en werd aangenomen, en de rest ging vanzelf. Nadat hij al naar Roemenië en Japan uitgezonden was geweest, werd hij in juli 1970 naar Vlissingen gestuurd om daar een vestiging op te zetten voor de productie van polymeren, de synthetische grondstof voor Trevira. Petras en Vogel waren in hun sas, want ze zouden inzicht krijgen in de modernste technologie, die de DDR enorme voordelen zou opleveren bij de bouw van eigen kunstvezelfabrieken. Maar eerst moest Petras de Hoechst-fabriek van de grond zien te krijgen, een prestigeklus waarmee een investering van 268 miljoen D-mark gemoeid was.

“Hoe je het fikst, is jouw zaak,” luidde de boodschap uit Frankfurt. Hij kreeg dus de vrije hand, en kon van het begin af aan alle technische, financiële en commerciële gegevens naar Vogel doorbrieven. En zo kon het gebeuren dat er in de DDR op hetzelfde moment net zo’n kunstvezelfabriek werd gebouwd. “Dat heeft bij Hoechst nooit enige argwaan gewekt, zover ik weet. Ik kon gewoon doorgaan met het doorsluizen van blauwdrukken.”

Met het oog op die taak had Petras bij zijn intreden in de Stasi een basisopleiding tot spion gekregen, waarin hij leerde omgaan met zendapparatuur en minicamera’s en instructie kreeg in het overdragen van gestolen materiaal via ‘dode brievenbussen’ en transportcontainers. Ook kreeg hij een schuilnaam: Brocken, naar de hoogste berg in de Harz, het wintersportgebied waar hij vandaan komt. Petras had het naast zijn directeursbaan bij Hoechst zo druk met het kopiëren en versturen van zijn geheime materiaal dat hij dat logistieke werk aan echtgenote Ursula overdroeg. Zij was ook lid van de Stasi, sinds 1964, en liet zich toepasselijk Harz noemen. Vaak had ze haar handen vol aan haar taken binnen het spionagebedrijfje. “Dat ging gewoon tussen het huishouden door.”


En zo ging er elke week een partij gekopieerde papieren naar Oost-Berlijn. “Dat betekende dat ik in de lunchpauzes een half uur bezig was om honderd A4’tjes te fotograferen. Een stressklus, want alle geheime Hoechst-stukken waren gecodeerd. Iedere ontvanger kreeg ze met een andere tikfout, en alleen de concernleiding wist wie welke fout had gekregen.”

Petras bleek een meester in het omzeilen van deze voetangels en klemmen. Trots: “Bij afdelingsvergaderingen had ik een tevreden gevoel. Als jullie eens wisten waar al die rapporten heen gaan, dacht ik dan.”

Maar in de loop van de jaren zeventig werd het steeds lastiger om de documenten langs de traditionele spionageroutes te smokkelen. Door de opkomst van vliegtuigkapingen werd er op luchthavens strenger gecontroleerd. Daarom gingen Petras en zijn vrouw vaker zelf op pad om de filmpjes of de kopieën in te leveren, vaak tijdens schoolvakanties in een aangenaam vakantieoord. De douane had nauwelijks belangstelling voor het jonge gezinnetje. “We verstopten de microfilms in de luiers van onze dochter Tanja, een prima bergplaats.”

Toen de kinderen groter werden, gingen ze veiligheidshalve niet meer mee. “Ze zouden onze contacten met Stasi-mensen maar vreemd hebben gevonden. Op een keer zei één van de kinderen: ‘Vati, kijk, die oom was hier vorig jaar ook al.'”

Toch kwam er plotseling een kink in de kabel. Petras: “Ik zag op televisie een bericht over een Oost-Duitse overloper, ene Werner Stiller. Maar omdat het een fysicus bleek te zijn, hechtte ik verder geen waarde aan het incident. Want ik zat in de sector chemie, een ander gebied. Daarom stond ik er verder niet bij stil.”


Dat bleek een verkeerde inschatting. Stiller, die op 27 januari 1979 met twee koffers vol uiterst gevoelige documenten van Oost naar West was gevlucht, had onder meer vier rapporten uit het Hoechst- complex meegenomen en aan de West-Duitse Bundesnachrichtendienst overhandigd. “Vogel was bang dat de afkomst van die stukken tot Vlissingen te herleiden zou zijn.”

En zodoende rinkelde maandagochtend 29 januari de telefoon op zijn werkkamer bij Hoechst. Vogel belde Petras met de opdracht ‘sofort’ te vertrekken, midden in de vergadering. “Zonder afscheid te nemen van mijn mensen ben ik naar Keulen gereden. Ik parkeerde mijn auto op het vliegveld, heb een ticket naar Berlijn gekocht en meldde me nog diezelfde middag op een afgesproken adres in Oost-Berlijn.” Van daaruit regelde hij de aftocht van Ursula en de kinderen. Een dag later arriveerden ook zij in Oost-Berlijn.

Petras en zijn vrouw kijken met plezier terug op hun leven in Vlissingen. Ze werden gewaardeerd, spraken Nederlands en deden mee aan het kerkelijk leven. Ursula hield van de Nederlandse kleinkunstenaars. “Wim Kan herinner ik mij nog. En Wim Sonneveld.” Maar omdat ze in het Zeeuwse hun Heimat misten, vooral de klassieke muziek van de grote orkesten, het ballet, de operette en de opera, kochten ze een tweede huis in Aken. Zo leidden ze een comfortabel dubbelleven, met het beste uit twee landen.

Daar was van de ene dag op de andere een eind aan gekomen. Hoe vindt Petras het achteraf dat hij zijn werkgever en zijn medewerkers, met wie hij het naar hun zeggen toch goed kon vinden, heeft verraden? “Ik heb er geen spijt van,” zegt hij na lang nadenken. “We waren niet uit op persoonlijk gewin; we handelden uit ideologische overtuiging: Nie wieder Krieg. Mijn vrouw en in zijn geen geharnaste communisten. Maar we wilden bijdragen aan een beter leven voor de DDR-burgers. We gaven de Oost-Duitse vrouwen seksuele vrijheid dankzij de pil. En we zorgden dat de mensen betere kleding kregen. Van Trevira.”


Als het dan toch over politiek moet gaan, wil Petras wel zeggen dat hij niets op had met de binnenlandse Stasi-praktijken: het laten bespioneren van de eigen bevolking door verklikkers, chanteurs en uitzuigers. “Wij hebben niemand persoonlijk verraden, alleen bedrijfsprocessen. We deden geen mens kwaad.” En: “Het ging ons om volk en vaderland.” Het idee van een maatschappij met gelijkheid en gelijke kansen voor iedereen sprak hem destijds aan. “Misschien was ik toen wel een ideologische patriot. Tegenwoordig ben ik een internationalist.”

Van de communistische Heilstaat was Petras nooit een voorstander, zegt hij nu, alleen van ‘socialisme met een menselijk gezicht’. Toch doemt uit de Stasi-stukken een ander beeld op over zijn houding tegenover het DDR-regime, althans in de ogen van de Stasi-informanten die het echtpaar heimelijk observeerden – de spionnen bespioneerd. Hij zou aanvankelijk een weinig politiek bewuste man zijn geweest, die gewoon deed wat hem werd gevraagd. Maar gaandeweg begon hij zijn spionagewerk steeds stipter en met meer overtuiging te doen, getuige de gedetailleerde rapportages die hij afleverde.

Toen Petras het één keer waagde van de voorgeschreven paden af te wijken, werd dat prompt geboekstaafd. “Brocken staat kritisch tegenover effectiviteit en werkzaamheid van onze ‘Volkswirtschaft’,” aldus de aantekening in het archief.

Zijn ‘misstap’ betrof een verhandeling over de economie in het Westen, waarin hij de Planwirtschaft in het Oosten bekritiseerde. Zijn pleidooi voor het westerse model moest hij van hogerhand intrekken. Had hij toen niet de neiging om zijn visie met vuur te verdedigen?

Petras’ antwoord verklaart veel: “Je moet niet tegen een wand te pletter rennen als er een nooduitgang is. Als ik me had verzet, was ik voorgoed monddood gemaakt. Ik hoop dat men dat in Holland begrijpt.”


Ze waren jarenlang heel close, kwamen doorlopend bij elkaar over de vloer, eerder vier keer dan twee keer per week. En natuurlijk ieder weekend. Het echtpaar Piet en Maria van Bremen uit ‘s-Heer Arendskerke kan er nog steeds niet over uit dat hun intieme vrienden Hans-Sieghard Petras en Ursula spionnen bleken te zijn. “We hebben nooit iets verdachts gemerkt. Geen enkel signaal opgevangen,” vertelt Piet van Bremen, die indertijd bij Hoechst werkte als transportmanager. “Ik had dagelijks met Hans te maken.”

Het klikte onmiddellijk tussen beide mannen, niet alleen als collega’s, maar ook vriendschappelijk. Vooral omdat de Zeeuw met een vrouw uit de toenmalige DDR getrouwd was. Toch gingen ze gespreksthema’s als de Oost-Duitse politiek uit de weg. Als ze al over de DDR spraken, dan was het over koetjes en kalfjes, over familie aan de andere kant van het IJzeren Gordijn.

De vriendschap verliep vlekkeloos, tot aan januari 1979. “Hans werd plotseling voor een dringend telefoontje uit het maandagse werkoverleg geroepen. Heel gehaast en nerveus kwam hij terug. Mijn moeder is ernstig ziek, was het enige wat hij kon uitbrengen. Voor ik het wist, was hij al weg.”

Dagenlang vernamen ze taal noch teken. Vooral Maria van Bremen maakte zich grote zorgen. Zo spoorslags vertrekken, dat was niets voor de familie Petras. Wat zou er aan de hand zijn? Ze reed naar het tweede huis van het gezin in Aken, maar vond geen spoor van Hans-Sieghard, Ursula of de drie kinderen.

Toen kwam de aap uit de mouw: Petras zat in Oost- Berlijn. Hij was een spion.

De Van Bremens konden het nauwelijks bevatten dat ze zo door hun vrienden waren bedrogen. Het duurde lang voor ze van de schok bekomen waren.


Maanden later nam Petras schoorvoetend contact op.

Hij wilde de vriendschap herstellen, maar hij zei erbij: “Als we vrienden willen blijven, moeten we over de kwestie niet praten.’ Piet en Maria van Bremen accepteerden dat. “Als je jarenlang zo intensief met elkaar bent omgegaan, dan gooi je dat verleden niet zomaar weg.”

Sinds die tijd bezoeken ze elkaar weer. Vooral na de Wende, toen het IJzeren Gordijn verdween. “Sindsdien begrijpen we dat Hans een hoge piet was, die zich na zijn vlucht in de top van de DDR-politiek bewoog. Een van zijn buren was Günter Guillaume, de superspion die de val van de Duitse bondskanselier Willy Brandt heeft veroorzaakt.”

Albert Eikenaar