Sneeuwpret, dat was vroeger

Boos en verontwaardigd ondergaan we dat ons hightech-leven wordt ontregeld door wat sneeuw en een paar graden vorst. Het weer, het is een schande!

Noodweer was het, vlak voor Kerst in 1965. Nederland werd er door overvallen. Ook PvdA-Kamerlid Robbert van den Bergh. Hij pikte het niet langer. Hij stelde de minister van Verkeer en Waterstaat schriftelijke vragen. Want het kon toch niet zo zijn dat zó veel mensen overlast hadden van wat hemelwater. Wat ging de minister daaraan doen?

De klacht van het Kamerlid is een van de oudste bemoeienissen van de Haagse politiek met het weer die we konden vinden. In latere jaren zouden de vragen aan de verantwoordelijke bewindslieden zich opstapelen. Steeds wanneer de dienstregeling van de NS ontregeld raakte door vallende bladeren of sneeuw, steeds wanneer de wegen onbegaanbaar werden door ijs, steeds wanneer Schiphol dicht moest omdat vliegtuigen niet meer konden landen of opstijgen. Wat ging de minister daaraan doen?

En steeds werd de toon van mopperende burgers en politici grimmiger. Het is te gék voor woorden dat het treinverkeer in misschien wel het modernste land van Europa plat ligt omdat ergens wat waakvlammetjes van wissels onder de sneeuw zijn bedolven. Vorige maand vroeg bijna de hele Tweede Kamer hierover opheldering aan minister Camiel Eurlings van Verkeer, daarbij van harte gesteund door werkgeversorganisatie VNO-NCW en reizigersvereniging ROVER. Volgens de NS en ProRail kost het 45 miljoen euro om alle wissels vorstbestendig te maken. Een ontluisterend laag bedrag natuurlijk, gezien al het leed dat ermee bespaard kan worden. Er zijn voetballers die in hun eentje meer kosten. Maar dat terzijde.

Het weer en de techniek hebben een complexe verhouding met elkaar. Techniek in ons dagelijks leven is fijn en zelfs nagenoeg onmisbaar wanneer het goed werkt, maar de gevolgen van fálende techniek worden steeds groter naarmate we ons er meer aan overleveren. En techniek kan hopeloos falen in extreem weer, vooral de techniek die open en bloot ligt voor de elementen: de infrastructuur. Als er bij mooi weer een matrixbord of een verkeerslicht uitvalt, is de overlast al groot, maar bij écht slecht weer kan het hele land knarsend tot stilstand komen. Dan komt ook de onmacht van de techniek genadeloos aan het licht: zonder iets simpels als strooizout, een eeuwenoud recept waarvoor nog steeds geen hightech alternatief bestaat, komen we gewoon niet vooruit. En dan dreigt er ook nog even een tekórt aan strooizout. Eigenlijk vinden we dat onacceptabel.


De Spoorwegen wijzen erop dat ons fijnmazige railnetwerk extra kwetsbaar is voor verstoringen. Het spoor zit vol, en als er ergens iets stokt, stokt alles. Dat is zo. In 1843 gingen er voor het eerst treinen rijden tussen Amsterdam en Utrecht. In de winter reden er toen in beide richtingen twee per dag, in de zomer drie. Tegenwoordig vertrekt er in de spits elke tien minuten eentje, en dan is het goederenvervoer nog niet meegeteld. Noem dat maar gerust een logistiek hoogstandje. Dat het hele systeem wordt ontregeld wanneer er herfstblaadjes of sneeuwvlokken vallen, vinden we eigenlijk onaanvaardbaar.

Dat vinden we niet alleen omdat we er last van hebben, maar ook omdat we er gewoon op willen vertrouwen dat de techniek functioneert. Techniek mag niet verzaken. We herinneren onze eigen ontreddering wanneer de internetverbinding uitvalt, we herinneren ons de stroomstoring in de Bommelerwaard door de Apache-helikopter, we herinneren ons berichten over vastzittende liften, in de waakstand ontploffende televisies en digitale dashboards van auto’s, die ineens op zwart gaan. We kunnen niet accepteren dat de beste en duurste producten die we kunnen fabriceren het laten afweten. Ook niet sóms.

Daarom ontwikkelen we techniek om de gevolgen van het falen van ándere techniek te beperken. Op internet kijken we naar Buienradar, we laten ons per sms informeren over slecht weer, we hebben een Weeralarm bedacht. De ongemakken die de grillige natuur kan veroorzaken in onze strak geregisseerde leefomgeving willen we als het even kan ontlopen. Slecht weer is een risico dat we liefst willen uitsluiten, zoals we tegenwoordig zoveel risico’s koste wat kost in bedwang willen houden.


Natuurlijk, vóór de industriële revolutie gingen we ook niet op reis wanneer het extreem slecht weer was. Maar toen kon er nog niets van de techniek worden verwacht. Toen er nog geen telegraaf en telefoon was, en dat is echt nog niet zo vreselijk lang geleden, kon iemand in Amsterdam onmogelijk weten welk weer het datzelfde moment in Utrecht was. Inmiddels is een hele generatie opgegroeid die het heel normaal vindt om binnen een paar tellen te weten of het regent in Zuidoost-Mongolië. Naarmate het technologisch kunnen toeneemt, is de deceptie groter wanneer we tóch door de elementen worden verrast. En des te sneller zijn we geneigd het winterweer tot iets uitzonderlijks te verklaren. Zoiets gaat tegenwoordig op een half dozijn televisiekanalen tegelijk, wat het gevoel van een nationale calamiteit alleen maar versterkt. Voeg daarbij het woord Elfstedentocht en elke vorstperiode van enige betekenis groeit uit tot een mediahype.

Wie door het fascinerende boek Winters van toen van onder anderen Harry Otten (Kosmos, 2007) bladert, ziet op de foto’s hoe de opkomende techniek, doorgaans in de vorm van treinen en auto’s, steeds meer last krijgt van strenge koude. “Een trein die om 6.45 uur uit Groningen vertrokken was, kwam pas om 16 uur in Utrecht aan,” aldus een anekdote uit de winter van 1956. En: “In januari 1962 wordt ons land geteisterd door een oosterstorm. Op de weg tussen Krommenie en Uitgeest is rijden alleen mogelijk achter een sneeuwschuiver.” Het is in dit tijdvak, waarin er nog amper computers bestaan, dat Kamerlid Van den Bergh zich bij de minister beklaagt. Was het vroeger dan zoveel kouder dan nu? Ja: de gemiddelde wintertemperatuur stijgt. De huidige winter is bij lánge na niet de koudste van de laatste eeuw. Neem die van 1929, toen enkele waaghalzen van Volendam naar Urk reden, over de dichtgevroren Zuiderzee, met de auto.


In 1996 en 1997 waren de laatste echt barre vorstperiodes in Nederland. Dat is dertien, veertien jaar geleden. Sinds die tijd is elke winter vooral een mediawinter geweest met zijn eigen rituelen: eindeloze speculaties over een nieuwe Elfstedentocht, een discussie over de Spoorwegen en gemopper over nieuwerwetse ontwikkelingen zoals dat Weeralarm. We zijn verwend, want het ís helemaal niet zo Siberisch. We zetten de camera’s op ons kleine vorstleed en zeggen bijna potsierlijk dat dit zo echt niet langer kan. Maar eigenlijk zeggen we: we kunnen helaas nog steeds niet alles controleren. Nou ja, misschien volgend jaar winter dan.

Mark Traa