Gebakken peren

Misschien komt het omdat het woord kwezel erop lijkt, of dat het predikaat ‘wee’ erin lijkt te zitten, maar voor de kweepeer heb ik nooit oog gehad. Maar zoals dat soms gaat met vooroordelen, was ik opeens om toen ik mij realiseerde dat de kweepeer (of -appel, waar die nog het meest op lijkt) een oerpeer is: hard en stevig, met eigenzinnige kwaliteiten, zoals van blank naar knalrood verschieten, verre van wee of kwezelig, en met een heerlijk aroma. Vroeger legde men de kweeperen, eer ze de pan in gingen, een paar weken tussen de opgevouwen lakens in de kast om het beddegoed en de handdoeken ermee te parfumeren. Net als de verslavende granaatappelen van vorige week ligt ook de kweepeer in overvloed voor het grijpen bij de Turkse buurtsuper. Als ik bijna bij de kassa ben, krijg ik het spontane advies van de Turkse vrouw die achter mij staat om de in repen gesneden peren samen met appels, water suiker en kruidnagels een paar uur in de oven te zetten. Het meisje achter de kassa schudt haar hoofd. “Da’s ouderwets, meneer. Gewoon schillen, snijden en zout en citroen erover doen, veel lekkerder.” Dat ga ik van de zomer proberen, nu maak ik coings au four uit de Larousse gastronomique: beboter een ovenvaste schaal, schil vier kweeperen en hol ze ruim uit met de appelboor. Klop 100 cc crème fraîche los met 65 gram suiker en vul daarmee de holtes. Bestrooi de peren met nog eens 130 gram suiker, zet ze in een oven van 220 graden en laat ze in een half uur gaar worden onder regelmatig arroseren met het loskomende vocht.

import eetteam