Paardenmeisje

Liz Snoijink (1955) is actrice. Momenteel speelt ze in de toneelkomedie Oranje boven. Ze groeide op in Loon op Zand.

Elisabeth Agnes Victoria Snoijink is geboren in Goirle, maar bracht het grootste deel van haar jeugd door in Loon op Zand. Haar ouderlijk huis stond aan de rand van de Loonse en Drunense Duinen, een natuurgebied met bossen en zandverstuivingen, waar ze vaak speelde en paard reed. Haar vaste paard was Philip, een mooie, bruine, Nederlandse warmbloed uit een naburige manege, groot en sterk, en toch ook zacht en welwillend van karakter. Ze was dol op hem, maar Philip werd ziek en moest uiteindelijk tot haar grote verdriet worden afgemaakt.

Als ze vanuit haar huis de weg overstak, zat ze al in het duingebied. Ze speelde er regelmatig met een hartsvriendje of -vriendinnetje. Op een dag werden de kinderen er door een boswachter weggejaagd. De kleine Liz, toen nog Elisabeth of Liesbeth genoemd, bracht thuis huilend verslag uit. Haar vader zei troostend: “Als de man dat nog eens doet, moet je maar zeggen dat het bos van jou is.” Het was nog waar ook, want een stuk van het gebied bleek eigendom van de Snoijinks.

Haar (overleden) vader omschrijft ze als een echte wetenschapper. Hij had medicijnen gestudeerd en zich daarna gespecialiseerd in farmacologie. In zijn geboorteplaats Tilburg zette hij een medicijnenfabriekje op, en vervolgens een laboratorium dat diagnostisch materiaal en antisera produceerde. Met succes; het bedrijf werd groter en groter.

Moeder Snoijink is van oorsprong Duits. Vader had haar in 1945 in Duitsland ontmoet toen hij daar met de geallieerden naartoe was getrokken. Een boerendochter uit een hartelijk gezin, dat hem al gauw in de armen sloot. De twee trouwden en vestigden zich in 1948 in Tilburg. Moeder, die haar verleden in het besmette Duitsland achter zich wilde laten, vernederlandste in hoog tempo. Haar dochter wist tot haar puberteit niet eens van moeders Duitse achtergrond.


Er waren al een paar miskramen geweest toen de Snoijinks alsnog een kind kregen – ze hadden de hoop al bijna opgegeven. Elisabeth was uiterst welkom. Ze zou de enige nakomeling blijven. Niettemin waren er altijd kinderen in huis. Niet alleen vriendjes en vriendinnetjes, maar ook de kinderen van vaders jongere broer, die al vroeg zijn vrouw verloren had en heel vaak met zijn kinderen naar Loon op Zand kwam. Liz Snoijink hoort het bulderende lachen van haar oom en haar vader nóg. “Het was altijd supergezellig,” zegt ze. “Ineens waren we een groot gezin. Als ik wist dat zij er waren, fietste ik de benen onder mijn lijf vandaan om zo snel mogelijk van school naar huis te komen.”

In Loon op Zand viel het gezin wel wat uit de toon tussen de keuterboertjes en arbeiders van de plaatselijke leerfabriek die het karakter van het dorp in die dagen bepaalden. Bij andere dorpskinderen thuis kwam het water uit de pomp en sudderden er speklappen in de pan; op vrijdag gingen de koters één voor één in de teil. Aan sommige kinderen was te zien en te ruiken hoe arm ze waren. Daar reageerden hun klasgenootjes niet mals op, vertelt Liz Snoijink: wie de schamele huisjes van de sloebertjes passeerde, deed dat met ingehouden adem en dichtgeknepen neus.

Zelf woonden de Snoijinks in een moderne bungalow, die ook van binnen de geest van de tijd verstond, getuige niervormige tafels en gordijnen bedrukt met psychedelische patronen. Daartussen bevonden zich klassieke schilderijen en antieke kunst, een passie van vader, die heel wat oud-Romeinse, Egyptische, Etruskische en Luristaanse beelden en voorwerpen bezat, voor een deel afkomstig uit de nalatenschap van grootvader. Hij kon er bevlogen en beeldend over vertellen en wist zijn liefde voor oude schoonheid op zijn dochter over te brengen. Zoals zij ook zijn voorkeur voor componisten als Fauré, Rachmaninov en Debussy overnam.


Ze had een ‘verbondje’ met haar vader, zegt ze. Ze deden veel samen. Dikwijls ging ze hem mee als hij voor zijn werk op reis moest naar Londen, Parijs of Praag, naar Zwitserland, naar Italië. Ze zat dan naast hem in zijn grote Amerikaan en voerde hem druiven. Ze gelooft dat het in Padua was dat ze niet meer wisten waar hun rode Dodge stond geparkeerd. Het hele politiebureau hielp zoeken naar la Dodga rosa. Zo nam haar vader haar ook eens mee naar het Lido in Parijs. Ze was dertien en moest toch eens in een nachtclub zijn geweest, vond hij.

Gedrieën waren ze vaak in Knokke, waar ze een eigen appartement hadden en vele weekeindes en vakantieweken doorbrachten. Het ‘verbondje’ met haar vader leidde er gaandeweg toe dat ze haar moeder van zich af duwde. Ze vond haar moeder dom en boers en niet passend bij haar en haar vader. Vader was altijd gesoigneerd, moeder gaf niets om uiterlijk vertoon, hoewel ze als jonge vrouw beeldschoon was geweest.

Liz, zoals ze zich inmiddels noemde, ging wél graag met haar moeder naar theatervoorstellingen en concerten. Daar begon haar betovering door het toneel. “Die spanning van wat er gebeurt als het gordijn opengaat! Ik wilde daar bij horen en meedoen aan dat mysterie.”

Haar tijd op een lyceum in Tilburg beviel haar maar matig. De school was in de ban van de anarchistische esprit van die jaren en ze voelde zich er wat verloren. Bepalender was haar eerste serieuze verkering, die begon op haar vijftiende en drie jaar aanhield. Roy was boeiend en heel knap, maar wou niet helemaal deugen. Moeder Snoijink haatte hem daarom. Vader probeerde er het beste van te maken en de jongen wat cultureel besef bij te brengen.


Op een dag nam hij Liz en Roy mee naar het Museum Meermanno en liet hun daar kostbare getijdenboeken zien. De week daarop werd het museum beroofd. De verblufte Snoijinks hoorden op het tv-nieuws dat de twee dieven precies wisten wat ze wilden hebben. Bij de achtervolging van de rovers had de politie een van de twee doodgeschoten. Liz zat in paniek voor de televisie, want wie was er nu neergeschoten? Het bleek Roys maatje te zijn; Roy zelf werd opgepakt. Liz bleef hem nog lang in de gevangenis opzoeken, maar uiteindelijk doofde de verhouding uit.

Na het lyceum ging ze naar de toneelschool van Maastricht. “Daar brak echt de zon door,” zegt ze. “Ik genoot ervan dat ik van vroeg tot laat bezig kon zijn met mijn fascinatie. Het moment dat ik hoorde dat ik er toegelaten werd, was misschien wel het gelukkigste moment van mijn leven.”

Matt Dings