Terugblikken op ‘Irak’

Politiek Den Haag was twee dagen in de ban van het rapport van de commissie-Davids. Althans, zo leek het, want alle commotie in het parlement ging vooral om de vraag wat premier Balkenende met de kennis van nu vond van zijn handelwijze in 2003 en of hij in een tweede reactie op 13 januari afstand nam van zijn eerste reactie op 12 januari. Daarbij draaide alles om de ‘beeldvorming’ en is in de media het beeld ontstaan dat de premier voor de redding van zijn kabinet een ‘knieval’ voor de PvdA heeft gemaakt (terwijl hij mijns inziens niets heeft teruggenomen van zijn eerste verklaring, die vooraf met vice-premier Bos was doorgesproken). Hopeloze verwarring was het, veroorzaakt door het feit dat elke oorlog tegenwoordig voor alles een ‘spin’-oorlog is. En dat naar aanleiding van een oorlog waarbij Nederland slechts passief betrokken was.

De inzet in Groot-Brittannië, waar Tony Blair deze maand voor een onderzoekscommissie verschijnt, is heel wat groter. De Britten hebben de Amerikaanse invasieplannen vanaf het begin actief gesteund en er militair aan meegedaan. Dat Blair zich als ‘schoothondje van Bush’ heeft gedragen ligt veel gevoeliger, omdat Groot-Brittannië zestig jaar geleden zelf nog een grote mogendheid was en moeite heeft met zijn rol als junior partner van Washington. De Britten beroepen zich op hun ervaringskennis en superieure inlichtingendiensten. Het huidige Irak is een uitkomst van Britse koloniale bemoeienis, en de Amerikaanse en Britse luchtmachten zagen toe op naleving van de VN-sancties tegen Saddam Hoessein. Daarbij koestert Londen het vetorecht in de Veiligheidsraad, dat het op grond van zijn oude status nog altijd heeft. Blair had zijn steun voor de plannen van Bush afhankelijk gemaakt van een VN-mandaat om militair ingrijpen te legitimeren, en daarvoor was de unaniem aangenomen resolutie 1441 van november 2002, die Saddam tot medewerking met de VN-wapeninspecties verplichtte, niet eenduidig genoeg. Voor de Britse regering stonden daarbij machtspolitieke en niet volkenrechtelijke aspecten centraal (bij ons een kritiekpunt van de commissie-Davids).

Dat president Bush, die hoe dan ook tegen Saddam wilde optrekken, alsnog op zoek is gegaan naar een VN-mandaat, is mede toegeschreven aan de inspanningen van Blair. Een breed internationaal draagvlak vergrootte de kans op succesvol ingrijpen. Maar aan de VN-route zaten ook risico’s, omdat het tegenstanders van ingrijpen een mogelijkheid gaf om de Amerikaanse plannen te dwarsbomen. Ondertussen vond vanaf de zomer van 2002 de militaire opbouw tegen Irak plaats, een druk die moest worden vastgehouden om Saddam tot inschikken te bewegen. Dat momentum was niet lang houdbaar, waardoor ook de VN-wapeninspecteurs slechts beperkt tijd kon worden gegund. Als de Anglo-Amerikaanse troepenmacht zich onverrichter zake had moeten terugtrekken, had Saddam de handen vrij gekregen (voor voltooiing van zijn wapenprogramma) en een overwinning geboekt. Er werd door Bush en Blair hoog spel gespeeld, waarbij zij wisten dat ze niet meer terugkonden. Vooral Blair was kwetsbaar, omdat hij een extra VN-mandaat nodig had en er in zijn eigen Labourpartij steeds meer verzet rees tegen de oorlogsplannen.


Dat nieuwe VN-mandaat is er nooit gekomen, omdat de beslissende stemming in de Veiligheidsraad uitbleef. Een maand voor de invasie had de Franse president Chirac laten weten dat die ongeacht de positie van de VN niet op Franse goedkeuring kon rekenen, en dat ‘verraad’ van een nooit helemaal vertrouwde bondgenoot droeg ertoe bij dat Blair alsnog een meerderheid van het Lagerhuis en de Britse publieke opinie achter zich kreeg. De onafwendbaarheid van de invasie liet ook weinig keus. Maar toen later de veronderstelde massavernietigingswapens afwezig bleken, kreeg de in verlegenheid gebrachte Blair, in eigen land berucht vanwege zijn ‘spin’, opnieuw de wind van voren. Toen viel er niets meer te ‘spinnen’, want bij echte oorlogen moet je met de billen bloot en treden taxatiefouten, blunders, overdrijvingen en leugens onbarmhartig aan het licht.

Maar ook als de casus belli rammelde, was de strategische afweging om Amerika te steunen bij het verdrijven van Saddam in lijn met geopolitieke ‘constanten’ in het Britse buitenlands beleid. (Niet gek dat ook Nederland hier volgde.) Anders dan Bush heeft Blair zijn keuze tegen de klippen op en tegen zijn eigen achterban in publiekelijk verdedigd. Niet op aanraden van ‘spin doctors’, maar omdat hij er zelf in geloofde. Met de kennis van toen en de wetenschap van nu blijf ik van mening dat Tony Blair voor, tijdens en na de Irak-oorlog een heldenrol heeft gespeeld, wat allerlei onderzoekscommissies daar verder ook van mogen vinden.

import dirk jan van baar