De mooiste tijd van hun leven

Studeren zonder vereiste vooropleiding, al na drie tentamens eredoctor of je studie afsluiten met een doctoraalscriptie waarvan alleen de titel bekend is. De Oranjes kunnen zich aan de universiteit van Leiden altijd veel veroorloven. Een terugblik op de onbezorgde jaren van Juliana, Beatrix en Willem-Alexander.

Het geldt voor kroonprinsen en kroonprinsessen van alle tijden en alle plaatsen, en dus ook voor de drie troonopvolgers die in de vorige eeuw in Nederland ter wereld kwamen: van meet af aan stond vast dat maar weinig dingen in hun leven gewoon en alledaags zouden zijn. In de eerste plaats natuurlijk omdat ze – letterlijk – in de wieg waren gelegd om later een bijzonder, want koninklijk ambt te vervullen. Die lotsbestemming drukte van jongs af aan een zwaar stempel: mentaal, omdat er geen ontsnappen mogelijk was, maar ook in praktische zin. Een toekomstig koningschap stelt nu eenmaal bijzondere eisen aan zaken als gedrag, omgangsvormen en partnerkeuze.

Toch waren er ook dingen in het leven van prinses Juliana (1909-2004), koningin Beatrix (1938) en prins Willem-Alexander (1967) die wél relatief normaal verliepen. Net als alle Nederlanders waren ze leerplichtig en volgden ze lager en middelbaar onderwijs. Vervolgens – en ook dat werd in de loop van de twintigste eeuw steeds minder uitzonderlijk – begonnen zowel Juliana, Beatrix als Willem-Alexander aan een universitaire studie. In Leiden.

Veel Nederlanders beschouwen hun studiejaren – in retrospectief – als de mooiste tijd van hun leven. Bij de Oranjes was het niet veel anders: ook Juliana, Beatrix en Willem-Alexander beleefden in Leiden gouden jaren. Deels om voor de hand liggende redenen die ze delen met reünisten van niet-koninklijken bloede, maar ook – en zeker niet in de laatste plaats – om redenen die aanzienlijk minder doorsnee zijn.

In zijn bestseller Juliana & Bernhard. Het verhaal van een huwelijk (2008) typeert historicus Cees Fasseur de ‘cruciale’ Leidse studentenjaren van prinses Juliana als ‘de gelukkigste periode van haar leven’. Fasseur wijdt er verder niet over uit, maar dat zijn vaststelling klopt als een bus, is aannemelijk.


Juliana ging in september 1927 in Leiden studeren. Ze was toen achttien jaar en was als enig kind opgegroeid tussen twee echtelieden – koningin Wilhelmina en prins Hendrik – die vóór hun verloving nauwelijks een kwartier onder vier ogen met elkaar hadden gesproken en wier huwelijk door Fasseur even puntig als treffend wordt gekarakteriseerd als ‘geen succes’. Daarvoor, aldus Fasseur, liepen de karakters van de intelligente, heerszuchtige Wilhelmina en haar boerse, goedige echtgenoot te zeer uiteen, om nog maar te zwijgen over de talrijke ‘vrouwengeschiedenissen’ (lees: buitenechtelijke escapades) waarin Hendrik verwikkeld raakte. Hoewel Juliana een goede band had met zowel haar moeder als haar vader, hoeft men, zo betoogt historica M.G. Schenk in haar biografie Juliana. Vorstin naast de rode loper (1980), ‘geen psychiater te zijn om te beseffen wat voor eenzame gevoelens zij heeft gehad tussen deze twee polen, zonder steun te vinden bij broer of zuster’. En al evenmin, zo laat zich daaraan toevoegen, hoeft men psychiatrisch geschoold te zijn om te beseffen dat Juliana – onder de gegeven huiselijke omstandigheden – werd getrokken door een bestaan buiten de paleismuren.

Dat die wens uitdraaide op een bestaan als universitair studente, was echter allerminst vanzelfsprekend. Om te beginnen ontbrak het Juliana aan de vereiste middel- bareschoolopleiding: na haar elfde had ze weliswaar privélessen gevolgd, gebaseerd op een door de vermaarde pedagoog en hoogleraar J.H. Gunning vastgesteld leerplan, maar een diploma bezat ze niet. Voorts stond haar moeder Wilhelmina niet bekend als een groot liefhebber van de wetenschap. Sterker nog: sinds ze ooit getuige was geweest van een natuurkundige proef die haar geloof in het bijbelse scheppingsverhaal kortstondig aan het wankelen had gebracht, koesterde ze een niet geringe argwaan jegens intellectuelen. Haar dochter, meende Wilhelmina, diende over voldoende kennis te beschikken om later staatshoofd te kunnen worden; al het andere was overbodig. Bovendien: was ze zelf ook niet als vorstin ingehuldigd – nota bene op haar achttiende – zonder ooit ook maar één minuut in een collegebank te hebben doorgebracht?


Toch liet Wilhelmina zich ten lange leste vermurwen. Haar oogappel mocht gaan studeren. Maar dan wel in Leiden, aan de universiteit die in 1575 door Willem de Zwijger was gesticht, en niet langer dan één jaar. De senaat van de universiteit bleek gaarne bereid tot enige inschikkelijkheid: ondanks het ontbreken van de vereiste vooropleiding kreeg Juliana toch toestemming om tentamens af te leggen. Aan de huisvesting van de prinses werd een minstens zo ongebruikelijke mouw gepast: anders dan de meeste van haar collega-studenten kwam Juliana niet te wonen in de Leidse binnenstad, maar in het tien kilometer verderop gelegen Katwijk. In een riante, speciaal voor dat doel door het hof gehuurde villa, met uitzicht op zee.

Hoe ongewoon Juliana’s studentenbestaan in veel opzichten dus ook was, zelf beleefde ze het als de eerste en – naar later zou blijken – enige episode in haar leven waarin ze ongeremd ‘gewoon’ kon doen. Niet alleen genoot ze met volle teugen van haar studie (haar vakkenkeuze stemde Juliana deels af op haar persoonlijke belangstelling voor onder meer literatuur en godsdienst), ook deed ze volop mee aan de activiteiten van de Leidse Vereniging van Vrouwelijke Studenten (VVSL) en haar uit vijftien meisjes bestaande jaarclub Zestigpoten.

Omdat Wilhelmina – daartoe dringend door haar dochter verzocht – instemde met een verlenging van haar studieduur, wist Juliana haar verblijf te rekken tot januari 1930, zodat ze nog net het zesde lustrum van de VVSL kon meevieren. Maar daarna was het uit met de pret: Wilhelmina wilde haar geliefde dochter weer bij zich thuis hebben.


“Een uitgelaten operettevoorstelling en het slotsouper op de club waren haar laatste onderdompeling in een wereld waar zij naar haar eigen mening volstrekt niet in een uitzonderingspositie was geweest,” noteerde biografe Schenk een halve eeuw later. “Alleen haar intieme vriendinnen wisten hoe moeilijk Juliana het had met dit afscheid. Verrassingen, onverwachte gekke gebeurtenissen, al die kleine dingen die na de gouden kooi steeds weer zo’n avontuur waren geweest, zouden verleden tijd worden.” De volgende avond maakte de voltallige VVSL haar opwachting in Katwijk, om de prinses een herinneringsalbum met foto’s aan te bieden. Schenk: “Driehonderdvijftig meisjes stonden buiten in de regen, nauwelijks verlicht door flakkerende fakkels. Het leek een defilé, maar dan wel een heel treurig defilé.”

Een paar dagen later, op 31 januari 1930, was er nog een allerlaatste festiviteit. Uit handen van de eminente Leidse historicus en hoogleraar Johan Huizinga ontving de twintigjarige Juliana, die welgeteld drie tentamens had afgelegd (volkerenrecht, fenomenologie der godsdiensten en moderne literatuurwetenschap), een eredoctoraat in de letteren en wijsbegeerte. Plots was haar koninklijke uitzonderingspositie weer bijna tastbaar.

Het zou tot september 1956 duren voor er, in de persoon van kroonprinses Beatrix, opnieuw een Oranje aan de poorten van de Leidse universiteit klopte. Anders dan haar moeder beschikte Beatrix wél over de vereiste papieren: op het Incrementum, een door Juliana op poten gezette dependance van het Baarns Lyceum met veel aandacht voor ‘sociale ontwikkeling’, had ze met goed gevolg het eindexamen gymnasium A afgelegd. Haar eindexamenfeest was niettemin in een weinig vrolijke stemming verlopen. “Er hing een rare sfeer op het paleis,” noteerde Marc van der Linden in zijn biografie Beatrix, een portret (1995)uit de mond van een van Beatrix’ medeleerlingen. “Koningin Juliana en prins Bernhard waren allebei aanwezig en deden hun best het iedereen naar de zin te maken. Maar op de een of andere manier ontweken ze elkaar. Beatrix was ook duidelijk niet helemaal in haar sas.”


Geen wonder. Want net als in 1927, toen Juliana aan haar studie begon, was er in 1956 ten paleize opnieuw sprake van een ontwricht, ja zelfs op springen staand huwelijk. In het kader van wat later ‘de affaire-Hofmans’ is gaan heten, was juist in de zomer waarin Beatrix haar gymnasium- diploma haalde, een door de regering ingestelde commissie van Ministers van Staat druk doende met het voorkomen van een koninklijke echtscheiding en een (zo werd gevreesd) daaruit voortvloeiende constitutionele crisis. Juliana en Bernhard bewoonden inmiddels elk een eigen vleugel van Paleis Soestdijk en de communicatie verliep nog slechts schriftelijk. Dat de achttienjarige kroonprinses onder deze omstandigheden met minstens zo veel gretigheid uitzag naar een leven buiten de paleismuren als haar moeder dertig jaar eerder, laat zich raden.

Toch verliepen de Leidse studentenjaren van Beatrix anders dan die van Juliana. Om te beginnen ging ze daadwerkelijk in Leiden wonen: aan het Rapenburg, op nummer 45, samen met haar hartsvriendin Renée Roëll en een secretaresse, mevrouw Meurs. Een gewoon studentenhuis was het natuurlijk niet, maar het leek er wel op, althans een beetje. Voorts duurde Beatrix’ verblijf in Leiden niet ruim twee jaar, zoals bij Juliana, maar vijf. Bovendien slaagde Beatrix erin haar studie daadwerkelijk te voltooien: in de zomer van 1959 legde ze het kandidaatsexamen rechten af en in juli 1961 slaagde ze voor het doctoraalexamen vrije studierichting.

Dat Beatrix – in navolging van haar moeder – cruciale jaren had beleefd in Leiden, bleek uit een korte afscheidsspeech die ze in de zomer van 1961 op Huis ten Bosch hield voor een aantal studiegenoten. “Jullie hebben een echt mens van mij gemaakt,” sprak de uitgelaten kroonprinses, “en daarvoor dank ik jullie allemaal hartelijk.” Die veelzeggende woorden zullen primair te maken hebben gehad met de relatieve vrijheid die Beatrix in Leiden genoot, en anders wel met haar actieve lidmaatschap van de VVSL, waar – ook Juliana had er van mee kunnen praten – een aanzienlijk gezelliger sfeer heerste dan in haar door ruzies en intriges verziekte ouderlijk huis. Maar misschien had de ‘menswording’ waarvan de kroonprinses zo openhartig repte, ook wel betrekking op de eerste romantische avonturen die ze tijdens haar studietijd beleefde. Enkele van Beatrix’ oud-studiegenoten herinnerden zich jaren later ten minste twee gevallen van hevige verliefdheid. Met in de hoofdrollen een aantrekkelijke joodse medestudent die – helaas voor de prinses – de herenliefde bleek te zijn toegedaan, alsmede een zekere Bob Steensma, een notariszoon uit Eindhoven met wie Beatrix nog in januari 1962 werd gezien op het zilveren huwelijksjubileum van haar ouders. Dat ook deze prille verbintenis geen stand hield en Nederland zodoende een ‘prins Bob’ bespaard bleef, doet aan de portee van het verhaal weinig af: Beatrix zette in Leiden haar eerste serieuze schreden op het pad van de liefde. Een cesuur in elk mensenleven, en vermoedelijk dus ook in dat van de prinses.


In september 1987 was het aan Willem-Alexander om zijn geluk in Leiden te beproeven. Net als bij zijn moeder en grootmoeder gebeurde dat onder omstandigheden die niet in alle opzichten vrolijk waren. Prins Claus, de vader van Willem-Alexander, kampte met ernstige gezondheidsproblemen. In verband daarmee was hij in 1982 opgenomen geweest in een psychiatrische kliniek in het Zwitserse Bazel en, daarna, in het Sint Laurentius- ziekenhuis in Breda. In de zomer van 1984 was hij weliswaar weer aan het werk gegaan – onder meer als bijzonder adviseur van de minister van Ontwikkelingssamenwerking, een in 1977 speciaal voor Claus gecreëerde functie – maar dat nam niet weg dat heel Nederland had kunnen zien dat de ooit zo vitale en levenslustige prins-gemaal nog slechts een schim was van zijn vroegere zelf.

Of het een met het ander te maken had is niet met zekerheid te stellen, maar tezelfdertijd was ook de middelbare schoolloopbaan van Willem-Alexander in het ongerede geraakt. Slechts met behulp van bijlessen kon in 1983 worden voorkomen dat hij op het Eerste Vrijzinnig Christelijk Lyceum in Den Haag de vierde klas van het vwo moest overdoen. Ook de verstandhouding met zijn ouders verslechterde en resulteerde in een patstelling. Er volgde een drastische, bijna negentiende-eeuws aandoende ingreep: in de zomer van 1983 vertrok de zestienjarige Willem-Alexander naar een kostschool, het Atlantic College in Wales. In het voorjaar van 1985 slaagde hij daar voor het internationale baccalaureaat, het equivalent van een vwo-diploma.

Nadat hij tussen augustus 1985 en januari 1987 bij de Koninklijke Marine zijn dienstplicht had vervuld, was er voor de inmiddels twintigjarige kroonprins geen ontkomen meer aan: hij diende, zo vond vooral zijn moeder Beatrix, te gaan studeren. Hoewel de kroonprins zelf nog het meest schijnt te hebben gevoeld voor een opleiding tot vlieger bij de Koninklijke Luchtmacht, of anders een universitaire studie in Amsterdam, draaide het uit op een inschrijving bij de Leidse Faculteit der Letteren voor de studierichting geschiedenis – weliswaar bij uitstek geschikt voor het opdoen van een brede maatschappelijke ontwikkeling, maar, zo stelden diverse Oranje-watchers in 1987 vast, niet bepaald een vakgebied dat zich als vanzelf liet associëren met een jongeman die een jaar eerder, gekleed in een schaatstenue met Marlboro- en Playboy-reclame, de Elfstedentocht had uitgereden en die in zijn vrije tijd nog minder vaak met een boek was betrapt dan zijn grootvader Bernhard – wat toch wel iets wilde zeggen.


Had onze sportieve, ongecompliceerde en vooral praktisch ingestelde kroonprins dus een zware tijd in Leiden? Nee, of beter gezegd: integendeel. Hij kwam, net als indertijd zijn moeder, te wonen op het Rapenburg, op nummer 116, in een voor 442.500 gulden door zijn ouders aangekocht pand. “Op de benedenverdieping wordt de inkijk belemmerd door een groezelige vitrage, terwijl boven een ouderwetse luxaflex is gemonteerd. Tegen het hek van het pand hangt een oude witte fiets,” noteerde een verslaggeefster van de Haagse Post die meteen een kijkje ging nemen. Maar wie écht wilde weten hoe het Leidse studentenleven van de prins verliep, was beter af met een abonnement op Propria Cures. Het Amsterdamse studentenweekblad publiceerde in de jaargang 1987-1988 een reeks van vierentwintig zogenaamd door ‘Willem-Alexander van Oranje’ geschreven brieven waarin zijn belevenissen uitvoerig uit de doeken werden gedaan. De epistels bevatten dermate veel authentieke wetenswaardigheden dat de Rijksvoorlichtingsdienst (RVD) naarstig op zoek ging naar het lek dat ervoor verantwoordelijk was. De ‘schuldige’ – een vrouwelijk lid van Willem-Alexanders jaarclub dat bevriend was met een toenmalige redacteur van Propria Cures – werd echter nooit gevonden, naar verluidt omdat de RVD zijn naspeuringen beperkte tot alleen mannelijke studenten uit de omgeving van de prins.

Hoe dan ook: de vierentwintig Propria Cures-brieven, die in 1988 door uitgever Gerard Timmer werden gebundeld onder de titel Alexander, Student voor Oranje, vormden een schatkamer voor eenieder die benieuwd was naar smeuïge details over het Leidse leven van onze troonopvolger. De strekking ervan liet zich eenvoudig samenvatten: er bleek vooral sprake van veel Wein, Weib und Gesang, zowel in het sociëteitsgebouw van de Leidse studentenvereniging Minerva aan de Breestraat, als in diverse aanpalende horecagelegenheden. En wat te denken van Willem-Alexanders studentenhuis aan het Rapenburg. Blijkens de Propria Cures-brieven ging het er bij tijd en wijle net zo vrolijk en corporaal aan toe als in het roemruchte studentenhuis van de ‘Lullo’s’ Kerstens, Kamphuijs en Van Binsbergen. Met als verschil dat de huisgenoten van de prins ‘Zwijnenburg’ en ‘Van Muiswinkel’ heetten – door intimi werden ze aangesproken met ‘Zwijn’ en ‘Muis’.


Net als zijn moeder beleefde ook Willem-Alexander in Leiden een aantal romances. De roddelpers noemde in dat verband de al langer in zijn omgeving verkerende Paulette Schröder (de dochter van Martinair-baas Martin Schröder), aanstormend fotomodel Frederique van der Wal (die mee mocht naar het Sempre, het jaarlijkse galabal van Minerva) en ook olympisch schaatskampioene Yvonne van Gennip. Maar de vlam sloeg pas echt in de pan toen Willem-Alexander in zijn tweede studiejaar op een feestje Yolande Adriaansens ontmoette, een uit Blaricum afkomstig meisje – haar vader verdiende de kost als interim-manager – dat in Amsterdam communicatiewetenschappen studeerde. Hun relatie, die door ‘de bladen’ op de voet werd gevolgd, hield bijna twee jaar stand, voor de prins een duurrecord. Om een wellicht wat ongepaste vergelijking te maken: zelfs Willem-Alexanders Ford Sierra XR met vierwielaandrijving hield het minder langer vol. De gepantserde wagen werd door de prins in mei 1988, na een mislukte inhaalmanoeuvre op de Leidse Plesmanweg, een sloot ingereden en bleek total loss.

“Ik weet eigenlijk niet zo goed wat ik er zelf nog over moet zeggen, het was gewoon hartstikke stom natuurlijk,” schreef het alter ego van de prins een week later in Propria Cures. “Het enige waar ik me achteraf zorgen om maakte, was dat ik misschien nog alcohol in mijn bloed had van het feest van de afgelopen nacht. Tijdens het eten had ik een paar glazen wijn gedronken en op het feest zelf wat cola-tics en ik heb weleens ergens gelezen dat alcohol veel langer in je bloed blijft dan je zelf denkt. Nu gebeurde het ongeluk om vijf uur ’s middags dus dat zal zo’n vaart wel niet gelopen hebben, maar ik was toch blij dat ik me pas de volgende ochtend op het politiebureau hoefde te melden.”


Het inmiddels bij het grote publiek levende idee dat studeren voor Willem-Alexander in de eerste plaats synoniem was voor feesten – zijn bijnamen ‘Prins Pils’, ‘Prins Kroonkurk’ en ‘Wilde Willem’ waren ondertussen ook buiten de Leidse gemeentegrenzen in zwang geraakt – leek in 1988 bevestigd te worden door het bericht van de RVD dat zijn geschiedenisstudie zou worden ‘aangepast’. Zo kreeg de prins onder meer de mogelijkheid om gemiste colleges door middel van privé-lessen bij zijn hoogleraren in te halen. Of wees die statusaparte er (ook) op dat Willem-Alexander eenvoudigweg de capaciteiten miste om via het normale traject zijn geschiedenisstudie te vervolgen? Die indruk werd nog versterkt toen de prins in 1993, na zes jaar studie, doctoraalexamen deed en zijn afstudeerscriptie niet, zoals gebruikelijk, werd toegevoegd aan de collectie van de universitaire bibliotheek. Slechts het onderwerp werd openbaar gemaakt: “De Nederlandse reactie op het besluit van Frankrijk (onder president De Gaulle) om uit de geïntegreerde commandostructuur van de NAVO te treden.” Niemand kon zodoende het wetenschappelijke gehalte van de scriptie verifiëren. Geheel onbedoeld werd de bij velen heersende argwaan omtrent de universitaire prestaties van Willem-Alexander nog verder aangewakkerd door – nota bene – zijn scriptiebegeleider professor H.L. Wesselink, die zijn pupil in een interview met HP/De Tijd typeerde als ‘ongetwijfeld intelligent, maar beslist geen intellectueel’. Dat was, zo voegde Wesselink er haastig aan toe, ‘niet denigrerend bedoeld.’ Maar het kwaad was reeds geschied: de prins was kennelijk dus toch een doctorandus met een (oranje) vlekje.


Het lijkt waarschijnlijk dat Nederland in de 21ste eeuw opnieuw getuige zal zijn van studerende troonopvolgers. Bij leven en welzijn zou de nu zesjarige prinses Amalia, de oudste telg van Willem-Alexander en Máxima, al over een jaar of twaalf de eerste kunnen zijn. En wie zou, gelet op de belevenissen van haar overgrootmoeder, grootmoeder en vader, nog durven betwijfelen dat ze – waar anders dan in Leiden? – de tijd van haar leven zal krijgen?

Roelof Bouwman