Dik Trom

Ik heb maar weinig Oranjemomenten in mijn leven. Mijn eerste beleving van het Oranjegevoel kan ik me wel goed herinneren. Ik kreeg voor het eerst een lintje: vier jaar oud en ik had een aardappelloopwedstrijd gewonnen. Je weet wel, met een aardappel op een lepel als eerste over de streep. Ik kreeg een lintje in rood-wit-blauw en een mok met daarop koningin Beatrix en prinses Juliana. Het was 1980, het jaar van de troonswisseling, en de oranje wimpels in de straat waren niet te tellen.

Bij koningin Beatrix heb ik altijd een goed gevoel gehad. Ze komt authentiek over, is plichtsgetrouw en ze staat dicht bij ons, ondanks de afstand die er tussen (de welstand van) het Koninklijk Huis en de gemiddelde Nederlander is. Of zij deze afstand op natuurlijke wijze slecht of dat zij zich deze gave heeft eigengemaakt, kan ik niet zeggen. Wat ik wel weet, is dat ik dit bij prins Willem-Alexander mis. Dat is mijn onderbuikgevoel. Ik heb dat gevoel lang weten te compenseren door een anekdote die ik jullie niet mag onthouden. Een vriend woonde ten tijde van Alexanders studie aan de Garenmarkt in Leiden, en tijdens een warme zomernacht werd hij eens bruut gewekt door een jolig zingende kerel. Toen mijn vriend zich door het openstaande raam wilde beklagen, zag hij Willem-Alexander, die luidkeels Een vrijgezel die gaat pas slapen… als hij alle sterren heeft gezien… door de straat blèrde. Prachtig. Die vriend heeft hem met een glimlach nagekeken, en als ik aan het verhaal terugdenk moet ik ook onwillekeurig glimlachen. Mooie kerel, denk ik dan.

Waarom dan toch dat onderbuikgevoel? Misschien is het premature heimwee: wil ik koningin Beatrix nog niet kwijt. Niet dat ik zo’n Oranjesentiment heb, maar als je dan toch mag kiezen, zeg ik Beatrix forever. Alexander lijkt me een beetje verwend; ik denk ook altijd aan Dik Trom als ik hem op tv zie. Een schavuit: niet altijd even eerlijk en vooral verstoken van de tact die zijn moeder zo’n bewonderenswaardige verschijning maakt. “Ik mag toch al niks,” schijnt hij over de villakwestie te hebben gezegd. Alexander verlangt compensatie voor zijn ‘veroordeling tot de gouden kooi’ in de vorm van privileges als een vakantieresort. Wat hij blijkbaar niet begrijpt, is dat Nederland het Oranjenest voor deze ‘veroordeling’ compenseert met een royaal salaris, prachtige paleizen en een benijdenswaardig jetsetleven. Voor Alexander is dat blijkbaar niet genoeg, en dat steekt een beetje.


Van onze vorst verwachten we gepaste bescheidenheid. En we willen geen koning die geen koning wil zijn. Wees een vorst in volle overtuiging, of wees geen vorst. Laat het dan maar los, anders laat Nederland Alexander los. Voor de staat geen verlies. Voor de vaderlandse geschiedenis en het wij-gevoel is dat wel jammer. We hebben al zoveel mooie Nederlandse nostalgie verkwanseld. Ik hoop daarom dat prins Alex zichzelf wat oppoetst. En daarbij helpt wellicht het volgende devies: doe maar gewoon, meneer Majesteit, dan doe je al gek genoeg.

Jolanda Clement