Het Oranjekosmopolisme

Op 2 februari 2002 trouwden Willem-Alexander en Máxima op een sprookjesachtige zaterdag onder een strakblauwe hemel. Het was perfecte Hollandpromotie: de hoofdstad toonde zich op zijn best, de plaatjes waren mooi, en het huwelijk waar met zoveel spanning naar uit was gezien, verliep zonder wanklank. De Fortuynrevolte moest nog uitbarsten, maar zou in Rotterdam beginnen (niet in het ooit zo rebelse Amsterdam, vanaf 2002 een bolwerk van het establishment en de grachtengordelelite). Mij trof dat huwelijk toen als een verzoening tussen de Oranjes en de hoofdstad, maar ik meende ook dat er in het land een roep om leiderschap hoorbaar was, en dat koningin Beatrix binnen dat vacuüm met al haar ervaring en kennis van zaken weleens een belangrijke rol kon gaan spelen. Het staatshoofd had nu de kroonprins onder de pannen was haar handen vrij, stak alle Haagse politici in haar zak, en kon nog minstens tot 2010 mee.

Een goede voorspelling? Niet echt. Beatrix zit weliswaar nog steeds op de troon (op 30 april viert ze haar dertigjarig jubileum), maar ook zij toont weinig feeling voor de veenbrand die nu al acht jaar in Nederland woedt. De Oranjes waren altijd voor het volk en het volk was voor de Oranjes, maar daar is nu weinig van te merken. Integendeel, het koningshuis doet in politieke correctheid niet voor de regenten onder. Dat kan misschien niet anders, en het zou gek zijn als de Oranjes politiek incorrect waren, maar in het verleden konden sterke persoonlijkheden als koningin Wilhelmina en prins Bernhard toch niet helemaal door de democratische beugel.

Hun vrienden zaten bij rechts, links waren ze zeker niet, al kon Bernhard bij het nationale verzet (waarin de CPN een actieve rol speelde) een potje breken. Aan koningin Juliana werd een voorkeur toegedicht voor Drees en Den Uyl, die zich dat graag lieten aanleunen, maar de linkse intelligentsia nam haar niet serieus. Zij was geliefd onder de mensen in het land, vanwege haar sociale instelling en gewoonheid. Een nationaal symbool, geen vrouw van de wereld.

Bij Beatrix is dat anders. Zij hield meer afstand tot het volk, liet zich nooit op de fiets zien (liever op de ski’s) en had geen schavuit als echtgenoot, maar de correcte Claus, ook een charmante Duitser, maar van het bedachtzame soort. Claus was schuldbewust, zwaar op de hand, en de antipool van zijn schoonvader. Claus had even moeite om door het Nederlandse volk aanvaard te worden (de oorlog), maar werd vervolgens snel geaccepteerd, al was hij nooit zo’n kameleon als Bernhard, die het ondanks zijn afkomst presteerde om al tijdens de oorlog uit te groeien tot een vertrouwensfiguur binnen het geallieerde kamp. Dan moet je van alle markten thuis zijn. Bernhard met al zijn Bilderbergvriendjes was de ware kosmopoliet. De oprichter van het World Wildlife Fund zat even makkelijk achter de stuurknuppel van een vliegtuig als dat hij in Afrika op safari ging. Daarbij staken de avonturen van Claus toch wat bleekjes af, al maakte zijn passie voor de derde wereld een opening mogelijk naar links, waar het multiculturalisme bon ton was. Ineens was het ook in progressieve kringen chic op Oranjefeestjes van de partij te zijn. Claus was de ‘goede Duitser’ die het kleingeestige Nederland de spiegel voorhield, Beatrix de kunstzinnige koningin die wereldberoemde denkers en dichters naar het hof haalde.


Tot op zekere hoogte is zulk Oranjekosmopolitisme klassiek. Frederik de Grote nodigde Voltaire uit aan het hof in Pruisen. Koningshuizen zijn niet alleen nationale symbolen, maar ook visitekaartjes van hun land in de wereld. In de negentiende eeuw werd gedacht dat hun onderlinge bloedbanden de vrede in Europa konden bewaren. De Duitse connectie van de Oranjes loopt terug tot de Vader des Vaderlands, die zich met huursoldaten tegen de Spanjaarden verzette. Daar is weinig nationaals aan. Maar het moet niet te gek worden. Als Máxima, op gezag van hooggeleerde adviseurs, verklaart dé Nederlandse identiteit niet te hebben gevonden, gaat de vervreemding erg ver.

Willem-Alexander moet nog meer oppassen. Met zijn voorliefde voor vakantievilla’s in Machangulo en Bariloche vat hij zijn constitutionele taak (die dag en nacht aandacht vraagt) luchthartig op. Als mannelijke troonopvolger in een feminiene lijn is hij kwetsbaar. In uniform lijkt hij nog het meest op een Zuid-Amerikaanse operettedictator, en dat kan alleen maar erger worden als hij ouder wordt. Ik zou hem willen aanraden nooit een zonnebril op te zetten. In populistische tijden is het zaak feeling te houden met het eigen volk, en niet alleen op de viptribune van een Olympisch stadion. En een toekomstig Oranjehuwelijk in Rotterdam is het overwegen waard.

import dirk jan van baar