Kuitenbrouwer over voorgekookte onderzoeken

Exclusief op de website van HP/De Tijd: de column van Jan Kuitenbrouwer.

En weer ging er een parlementaire commissie aan het werk. Deskundigen wisten voor de eerste zitting al te melden wat de uitkomst zou zijn: Zalm en Wellink worden aangewezen als de boosdoeners, Zalm zal door het stof gaan om zijn huid te redden, Wellink zal dat niet doen en geen nieuwe termijn als bankpresident krijgen. Het is nog even afwachten of de voorspellingen uitkomen, maar kijkend naar die verhoren bekruipt me wel het gevoel alsof ik naar een oude VARA-talkshow kijk, zo’n programma waarvoor de gasten drie keer uitgebreid zijn ‘voorgesproken’ om te voorkomen dat ze iets onverwachts gaan zeggen, zodat de presentator wordt gereduceerd tot iemand die van een lijstje nummers intoetst op de jukebox.

Het enige lid van de commissie dat nog weleens onverwacht een aanvullende vraag stelt waar de verhoorde echt even over moet nadenken, zodat je het idee krijgt naar een echt gesprek te kijken, is Jolande Sap van GroenLinks. In een programma van Jort Kelder zag ik een tijdje geleden dat er zoiets bestaat als de upper hand: je claimt je superioriteit ten opzichte van de ander door bij het handenschudden jouw hand omhoog te draaien (en die van de ander dus omlaag). De foto die de NRC afdrukte van de begroeting van getuige Sweder van Wijnbergen door commissievoorzitter De Wit (SP), laat weinig twijfel over wie bij die gelegenheid als winnaar van dat spelletje uit de bus kwam.

Sinds 2000 zijn er parlementaire onderzoeken gehouden naar onderwijsvernieuwingen, de NATO Response Force, het TBS-stelsel, infrastructuurprojecten, zorguitgaven, integratiebeleid, biotechnologie, de Herculesramp en het militaire uitzendingenbeleid. De afgelopen twintig jaar stelde het parlement precies twintig parlementaire onderzoeken in, tegen negen in de twintig jaar daarvoor. Toen was het ook heel gebruikelijk dat die onderzoeken jaren in beslag namen, nu concentreert het zich in een paar weken. Waarschijnlijk niet omdat de problemen tegenwoordig zoveel eenvoudige zijn of de onderzoekende Kamerleden zoveel efficiënter, maar om tegemoet te komen aan de goudvisachtige aandachtsspanne van de media. De NOS wil het graag allemaal uitzenden, de kranten zetten graag iemand op de publieke tribune, maar natuurlijk niet als de zaak jaren gaat aanslepen. Het eigenlijke onderzoek speelt zich tegenwoordig dus achter gesloten deuren af, wat we te zien krijgen is een gestileerde heropvoering. Inderdaad, net als bij een talkshow. Ook het parlementaire onderzoek luistert naar de wetten van de televisie. Als televisie zijn die onderzoeken dus wel geslaagd, maar hébben we er ook iets aan? Leiden ze ook nog ergens toe?

Afgelopen zondag ging het in Buitenhof over het vmbo. Van de 43.000 vo-leerlingen die jaarlijks uitvallen, zijn 35.000 vmbo’er. Er was een docent, een directeur van een vmbo en een oud-minister die er voor de WRR onderzoek naar heeft gedaan. De docent beschreef de gang waaraan zijn werkkamer gelegen is: zijn directe buur is het bureau schuldsanering, daarnaast houden justitie en reclassering kantoor, achter de volgende deur is de schoolmaatschappelijk werkster gevestigd, en ook is er nog een werkruimte voor mensen van de belastingsdienst. Het vmbo is geen school, stelde hij, maar een zorginstelling. Zijn school begint om half negen, maar dan zijn alleen de docenten aanwezig. De leerlingen beginnen tegen negenen binnen te druppelen, en tegen de tijd dat het wekelijkse uurtje Nederlands kan beginnen, is het voorbij. De vmbo-directeur en de oud-minister hoorden het knikkend aan; de kijker thuis zat wellicht met open mond op de rand van de bank, voor hen was het allemaal oud nieuws. En ook de oplossing hadden ze wel voor ogen: meer structuur, meer concentratie op het eigenlijke vakonderwijs, meer kleinschaligheid. Allemaal heel mooi, sprak de docent, maar ook het mbo gaat binnenkort ‘competentiegericht onderwijs’ invoeren. Zestig kids in een lokaal, ieder achter zijn eigen laptop, met een docent ‘op loopafstand’. Een verbazingwekkende opmerking, waar Clairy Polak helaas overheen walste. Want, zal menig kijker zich hebben afgevraagd, was er vorig jaar niet een parlementair onderzoek naar het competentiegericht onderwijs? De commissie-Dijsselbloem, die geen spaan heel liet van al die modieuze onderwijsvernieuwingen en adviseerde dat het hoog tijd werd dat scholen zich weer gaan bezighouden met kennisoverdracht? Waarop de critici van het ‘Nieuwe Leren’ victorie kraaiden en elkaar feliciteerden met deze hoognodige rectificatie van een heilloze beleidstrend? Toen werd het weer stil rond het onderwijsbeleid, en werd de door Dijsselbloem zo dapper verfoeide praktijk gewoon hervat. Tot het volgende parlementaire onderzoek. Naar wat er, ondanks het vorige parlementaire onderzoek, allemaal misging.

Jan Kuitenbrouwer