De slaven van Doebai

Voor Aziatische gastarbeiders was het leven in het emiraat vóór de crisis al zwaar. Nu is hun situatie nog dramatischer geworden. Sommigen zien zelfmoord als enige uitweg.

Volgens de traditie gaf profeet Mohammeds eerste vrouw, Khadija, hem een slaaf, Zayd. Mohammed had compassie met Zayd, maakte hem een vrij man en adopteerde hem als zijn zoon. Sjeik Mohammed, de huidige heerser van Doebai, is een vroom moslim. Maar bovenstaand voorbeeld van de profeet volgt hij niet. Integendeel. Anders dan zijn naamgenoot maakt hij dankbaar gebruik van vele honderdduizenden ‘slaven’ om zijn droom van een voortvarend Doebai te realiseren.

Doebai is hét voorbeeld van uitzonderlijke ontwikkeling, gebaseerd op excellent leiderschap, management, teamgeest en het tijdig nemen van beslissingen, zo ronkt de website van de sjeik.

Begin december heeft hij zijn bevolking opgeroepen om de mouwen op te stropen om de economie, die zucht onder een zware schuldenlast, te ondersteunen. Deze oproep om harder te werken kan bijna niet bedoeld zijn voor de vele goedkope arbeidskrachten. Die zwoegen al minimaal twaalf uur per dag en zes tot zeven dagen in de week in de brandende zon.

De mooie villa’s op Palmeiland zijn, net als de honderden hotels en appartementen, gebouwd door ruim een half miljoen gastarbeiders, veelal afkomstig uit de arme streken van India, Sri Lanka, Bangladesh en Pakistan. Na aankomst in Doebai zijn ze meestal één tot twee jaar bezig met het aflossen van de schulden aan het uitzendbureau dat hen aan een baan, ticket en visum heeft geholpen. Als verzekeringspolis voor het terugbetalen van de schulden wordt van bijna iedereen het paspoort ingenomen.

Doebai kent geen minimumloon. Salarissen van 125 euro per maand zijn geen uitzondering. Vakbonden zijn verboden, staken is dat ook. Wie toch iets in die richting probeert, wordt zonder pardon het land uitgezet. In 2008 werden honderden taxichauffeurs die het werk hadden neergelegd op het vliegtuig naar huis gezet, waarna hun visums voor veel geld aan nieuwkomers werden doorverkocht.


Voor honderdduizenden werknemers geldt dat hun slaapplaats, werkkleding, laarzen, paspoort, de bus naar het werk en zelfs het eten eigendom zijn van hun werkgever. Van baan veranderen is onmogelijk. Hiervoor moet de werkgever een verklaring van geen bezwaar afgeven, maar dat gebeurt vrijwel nooit.

In veel gevallen blijkt het beloofde salaris lager dan afgesproken. Zonder paspoort maar met des te meer schulden, hebben de arbeiders geen andere keuze dan hun lot te aanvaarden. Dat betekent: minimaal twee jaar lang ploeteren tot de schulden zijn afbetaald.

Dit systeem van gebonden arbeid – ook wel schuldslavernij genoemd – is waarschijnlijk de minst bekende vorm van slavernij van onze tijd. Toch is het de meest gebruikte methode om mensen tot lijfeigenschap te dwingen.

In een aanvullend verdrag van de Verenigde Naties uit 1956 zijn de basisprincipes van slavernij uit de conventie van 1926 overgenomen. Een aantal nieuwe vormen van slavernij werd toegevoegd, waaronder schuldslavernij. In 2001 werd, op de VN-conferentie tegen racisme in Durban, slavernij aangemerkt als misdaad tegen de mensheid.

In een welvarend land als Doebai zou je mogen verwachten dat dit soort praktijken actief wordt bestreden. Het tegendeel is waar. Al in 2006 bracht de mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch een rapport uit over de uitbuiting van buitenlandse werknemers in de Verenigde Arabische Emiraten, waarvan Doebai deel uitmaakt, met daarin tien aanbevelingen voor de overheid. Op papier zijn enkele van deze aanbevelingen overgenomen. In de praktijk komt daar niets van terecht.

De overheid behartigt namelijk vooral de belangen van de grote, machtige (bouw)bedrijven, en de grens tussen private en publieke ondernemingen is vaag.


Zo is sjeik Mohammed voor ruim 99 procent aandeelhouder in Dubai Holding. Dit grote investeringsbedrijf is onder meer eigenaar van vele werkkampen in en om Doebai, waar honderdduizenden arbeiders letterlijk boven op elkaar leven. Ook Dubai Taxi, een onderdeel van het vervoersbedrijf van Doebai, dat voor de volle honderd procent eigendom is van de staat, houdt zich op grote schaal bezig met uitbuiting van het personeel.

Doordat de overheid enorm profiteert van deze werknemers zijn er geen prikkels om verbetering van de rechten van werknemers te bevorderen of na te leven. De huidige regelgeving lijkt louter voor cosmetische doeleinden te bestaan. Het ministerie van Arbeid in Doebai heeft de mogelijkheden noch de bereidheid om de bestaande regelgeving uit te voeren.

Muzaffar (38 jaar) uit Mymensingh in Bangladesh kijkt zenuwachtig om zich heen als hij zijn verhaal vertelt. Hij is bang, in zijn ogen staan tranen. Ruim een jaar geleden heeft hij 2300 euro betaald om in Doebai als taxichauffeur te mogen werken. Hij had gedacht dat hij in een rijke, multiculturele stad terecht zou komen, waar hij genoeg geld kon verdienen om zijn vrouw en drie kinderen te onderhouden. Nu woont hij in Sonapur, het grootse werkkamp van Doebai. Sonapur betekent ‘stad van goud’, maar ook ‘stad van de levende doden’. Die laatste vertaling is meer op zijn plaats, gezien de erbarmelijke omstandigheden waarin de honderdduizenden gastarbeiders leven.

Zoals bijna iedereen deelt Muzaffar een kamer met vijf anderen. Honderden mensen zijn aangewezen op één toilet, een handvol wasruimten en enkele simpele kookgelegenheden.


Een uitzendbureau in Bangladesh had Muzaffar een salaris beloofd van 900 euro per maand. Direct na aankomst werd zijn paspoort afgenomen en kreeg hij te horen dat hij eerst zijn taxi-examen moest afleggen. Een slaapplaats was niet geregeld, en hij moest zelf maar zien hoe hij aan zijn geld moest komen tijdens zijn drie maanden durende opleiding. Hij bedelde om eten te kunnen kopen, sliep op straat en was niet in staat om geld naar zijn familie te sturen.

Toen hij zijn taxidiploma op zak had, mocht Muzaffar eindelijk aan de slag. Al snel merkte hij dat zijn salaris maar de helft bedroeg van het beloofde bedrag, zo’n 450 euro. Daarvoor moet hij twaalf uur per dag werken, zeven dagen in de week. Vakantie kan hij pas krijgen als hij twee jaar onafgebroken heeft gewerkt.

Doebai is zwaar getroffen door de financiële crisis. Ook Dubai Taxi, het bedrijf waarvoor Muzaffar werkt, zag zijn inkomsten hard teruglopen en bedacht allerlei manieren om de chauffeurs nog verder af te knijpen. Zo worden de ziektekostenpremies niet meer betaald en krijgt het personeel bij de kleinste misstap, zoals het dragen van ongepoetste schoenen of een scheef zittende stropdas, een boete opgelegd.

Muzaffar toont zijn loonstrookjes van de afgelopen maanden. Na inhouding van diverse boetes blijkt hij niet veel meer te verdienen dan 250 euro per maand. In sommige maanden waren de boetes zo hoog dat hij helemaal niets verdiende.

Duizenden arbeiders zijn vanwege de huidige crisis naar huis gestuurd, vaak met torenhoge schulden die nog niet waren afbetaald. Velen verdwijnen daarom in de illegaliteit. Maar zonder paspoort of verblijfsvergunning zijn ze helemaal overgeleverd aan de grillen van hun werkgevers, die daar gretig gebruik van maken. Ze verdienen bijna niets en leven in uitgewoonde hokken. Deze zijn te vinden in de oude stadswijk Deira of vlak achter de fonkelende wolkenkrabbers in de wijk Satwa.


Daar is het geen uitzondering dat meer dan twintig mensen een kamer delen, en vaak worden zelfs de bedden gedeeld: twee man ’s nachts en twee man overdag in hetzelfde eenpersoonsbed. En dan hebben zij nog geluk in vergelijking met de illegalen die het niet lukt om een baantje te vinden. Die bivakkeren ’s nachts in een van de vele stadsparken.

De jonge Nayanar uit het Indiase Kerala kon de stress van het zware werk, de lage inkomsten en de beroerde woonsituatie niet meer aan en begon te drinken. Toen zijn werkgever daar achter kwam, werd hij op staande voet ontslagen. Omdat hij niet met schulden naar zijn vaderland durfde terug te keren, hing hij zich op in de badkamer van een van de woonkazernes in Sonapur. Zijn familie vroeg of het lichaam naar India kon worden overgebracht. Zijn werkgever eiste echter dat eerst de achterstallige schuld van 1400 euro werd terugbetaald, plus de kosten van de repatriëring. Voor de arme familie in India waren deze kosten te hoog. Het lichaam werd afgevoerd en op een goedkope manier vernietigd.

Anton Schipper