Filmfantast

In de films van Terry Gilliam lopen werkelijkheid en surrealisme altijd op een prettige manier door elkaar heen. Zonder dat hij daar zelf veel vat op lijkt te hebben. ‘Ik heb meestal geen idee waar het verhaal heen gaat.’

De koude douche die hem in 1998 in Cannes ten deel viel, staat Terry Gilliam nog helder voor de geest. De regisseur was bij de première van Fear and Loathing in Las Vegas voor in de zaal gaan zitten. “Na afloop draaide ik me om zodat ik het applaus in ontvangst kon nemen. Maar iedereen bleek te zijn weggelopen. Er zat geen hond meer in de zaal.” Volgt een bulderende lach.

Vorig jaar kreeg Gilliam op het festival van Cannes de tegenovergestelde ontvangst. Na afloop van de eerste vertoning van The Imaginarium of Doctor Parnassus werd hij overspoeld door een ovatie die maar niet ophield. Gilliam begon zich na een tijdje zelfs zichtbaar ongemakkelijk te voelen. “Ik weet natuurlijk ook wel dat het allemaal vreselijk aardig bedoeld is, maar het werd gewoon gnant. Nadat ik een paar minuten had staan grijnzen en knikken, wist ik me gewoon geen houding meer te geven. Vanaf dat moment dacht ik alleen maar: laat het alsjeblieft ophouden. Eerlijk gezegd was ik al dik tevreden dat het publiek dit keer was blijven zitten.” Weer die lach.

De ontvangst in Cannes heeft natuurlijk alles te maken met de dramatische ontstaansgeschiedenis van Parnassus, zoals Gilliam zijn film kortweg noemt. De opnamen waren nog in volle gang toen hoofdrolspeler Heath Ledger volslagen onverwacht overleed. De acteur, die geplaagd werd door slapeloosheid, bezweek aan een ongelukkige combinatie van pijnstillers en andere medicijnen. Voor Gilliam, die goed bevriend was met Ledger, was dat een persoonlijk én een professioneel drama. Van de ene dag op de andere zat hij zonder hoofdrolspeler. Gilliam realiseerde zich dat daarmee weer extra voeding werd gegeven aan de mare dat zijn films altijd getroffen worden door rampspoed van bijbelse proporties. Bij vorige films had hij immers ook een onwaarschijnlijke hoeveelheid tegenslagen te verwerken gekregen. De ‘Gilliam Curse’ had weer toegeslagen.


Hoe voltooi je een film zonder hoofdrolspeler? Aan precedenten geen gebrek. Sommige filmmakers slagen erin, na ingrijpend snoeiwerk in het scenario, een kreupele versie te voltooien van de film die ze voor ogen had gestaan. Acteurs als Brandon Lee (The Crow) en John Candy (Wagons East) werden ooit met inventief knip- en plakwerk in de montagekamer weer tot leven gewekt. Maar zulke kunstgrepen volstaan hooguit voor het maken van een paar ‘bruggetjes’. Als er sleutelscènes ontbreken, kom je er met die aanpak niet. Dat ondervond de Nederlandse regisseur George Sluizer bij zijn tweede Amerikaanse film, Dark Blood. Na het overlijden van hoofdrolspeler River Phoenix zat er voor Sluizer weinig anders op dan de verdere opnamen af te blazen.

Terry Gilliam had al eens een vergelijkbare nederlaag geleden, al was daar dan geen sterfgeval aan te pas gekomen. De opnamen van The Man Who Killed Don Quixote moesten in 2001 worden stopgezet nadat hoofdrolspeler Jean Rochefort met een dubbele hernia in het ziekenhuis was beland en de Spaanse filmset door een overstroming was getroffen. Met The Imaginarium of Doctor Parnassus was hij al heel wat verder op streek. Maar aan een aantal cruciale scènes met Ledger was hij nog niet toegekomen.

Gilliam weigerde de handdoek in de ring te gooien, en verzon een ogenschijnlijk absurde oplossing om Parnassus weer vlot te trekken. Hij besloot zijn hoofdrolspeler niet door één, maar door drie acteurs te vervangen. Johnny Depp, Colin Farrell en Jude Law werden bereid gevonden een deel van de rol van Ledger voor hun rekening te nemen. En wat nog het meest verbazingwekkend is: het werkt.


In weerwil van de merkwaardige wordingsgeschiedenis, maakt The Imaginarium of Doctor Parnassus een redelijk doortimmerde indruk. Sterker nog: het is een van de betere films uit het oeuvre van Gilliam. Criticasters zullen, terecht, vaststellen dat het verhaal een paar vreemde bokkesprongen maakt. Maar eigenlijk gebeurt dat bij Gilliam altijd.

Een paar maanden na voltooiing presenteert Gilliam zijn film op het festival van Toronto. De aanstekelijke lach waarmee hij gewend is zijn uitspraken kracht bij te zetten, maakt plaats voor een diepe zucht als Ledger ter sprake komt. Gilliam: “We konden ontzettend goed met elkaar overweg. We zouden samen nog een heleboel films gaan maken, zoveel was zeker. En dan gebeurt er zoiets! Heath was een uitzonderlijk talent en hij had een onwaarschijnlijke hoeveelheid energie. Tijdens Parnassus leek het soms alsof hij vloog. Ik kon gewoon achteroverleunen en verbaasd toekijken wat hij allemaal tevoorschijn toverde. Hij was speels én professioneel. Dat is een bijzondere kwaliteit bij acteurs: luchtig zijn als het kán, en serieus als het moet.”

Gilliam had Ledger leren kennen vóór die met Brokeback Mountain zijn grote doorbraak beleefde. Ze hadden tot wederzijdse tevredenheid samengewerkt aan The Brothers Grimm. Die film werd weliswaar ook door moeilijkheden geplaagd (het satirische tijdschrift The Onion kopte ooit: “Terry Gilliam barbecue plagued by production delays”), maar Ledger had zich tijdens de opnamen senang gevoeld. “Hij had daar geleerd hoe je kunt ‘spelen’ in meerdere betekenissen van het woord. Hij speelde z’n rol en tegelijkertijd speelde hij zoals een kind dat doet. Lekker onbevangen. Hij kreeg door dat je plezier kunt hebben tijdens het maken van een film. Dat je niet per se hoeft te lijden voor de kunst.”


Hij voegt er in één adem aan toe dat Ledger óók een tobber kon zijn. “Ik begreep dat hij zich tijdens de opnamen van Brokeback Mountain erg geïsoleerd en eenzaam had gevoeld. Al had dat natuurlijk ook weer met die rol te maken.”

Was Gilliam wellicht een vaderfiguur voor Ledger? Hij schudt het hoofd. “Eerder een leraar. Hij was heel leergierig en wilde van alles weten over mijn aanpak. Hij was stellig van plan zelf te gaan regisseren en blééf maar vragen stellen.”

Daartoe kreeg Ledger ruimschoots de gelegenheid bij de opnamen van The Imaginarium of Doctor Parnassus. De film volgt de omzwervingen van een reizend theatergezelschap. Ledger speelt een jongeman die zich (met een geheime agenda) bij het gezelschap aansluit, en geïntrigeerd raakt door de wonderspiegel van Doctor Parnassus. Die spiegel geeft toegang tot een mysterieuze fantasiewereld, en dáár speelt het laatste bedrijf van de film zich goeddeels af.

“Heath was zich bij wijze van spreken aan het warmlopen voor de scènes achter de spiegel. Hij was bezig met het ontwikkelen van verhaallijnen.” Gilliam legt uit dat zijn scenario’s ruimte bieden voor improvisatie en dat Ledger daar dankbaar gebruik van maakte. “Scenario’s zijn niet heilig. Als ik begin te schrijven, heb ik meestal geen idee waar het verhaal heen gaat. En tijdens het schrijven gebeuren er vanzelf allerlei dingen.” In de optiek van Gilliam blijft een scenario een work in progress. “Dat merk ik zodra ik storyboards ga tekenen. Tot mijn eigen verbazing blijkt dan meestal dat er allerlei ingrijpende veranderingen komen. Mijn hoofd heeft iets verzonnen en mijn hand voegt er iets aan toe, waardoor het originele idee op z’n kop wordt gezet. Dat is een fascinerende wisselwerking.”


En in laatste instantie is er dan ook nog eens de inbreng van de acteurs. Gilliam: “Heath had plannen voor die scènes achter de spiegel. Dat merkte ik ook doordat hij in de loop van de opnamen zijn accent begon te veranderen.” Wat hij precies van plan was, weet Gilliam niet. “En door zijn dood zullen we dus ook nooit te zien krijgen wat hij had bekokstoofd.”

Dat het door Ledger gespeelde personage een transformatie doormaakt, vormde de ontsnappingsclausule die Gilliam in staat stelde zijn film te voltooien. Om Johnny Depp, Jude Law en Colin Farrell enigszins wegwijs te maken, toonde Gilliam ze de scènes die tot dusverre met Ledger geschoten waren. “Konden ze zien wat hij aan het doen was.”

Ieder van de drie acteurs moest de opnamen in een overvol werkschema zien te persen om Gilliam ter wille te zijn. “Ze hadden geen tijd om te repeteren en moesten onmiddellijk in het diepe springen.” Voor de opnamen met Depp was welgeteld anderhalve dag beschikbaar. De ‘gewone’ opnamen duurden één dag, waarna er voor een ingewikkeld dansnummer daags nadien nog drieënhalf uur overschoten. “Alles moest in één keer goed zijn. En dat is ook gelukt. Zo zie je maar weer wat een onwaarschijnlijk goede professional Johnny is.”

Gilliam noemt filmmaken de kunst van ‘het oplossen van problemen’. Dat is meteen de voornaamste reden dat hij geen animatiefilms meer maakt. “Fantasie is een belangrijk onderdeel van mijn werk, maar de realiteit is dat óók. Met de huidige stand van animatie- en computertechnieken kan een filmmaker voor god spelen. Dat heeft iets beangstigends. De regisseur heeft totale controle, en kan alles naar eigen inzicht invullen of aanpassen. Maar daar houd ik dus helemaal niet van. Ik hoef niet alles zelf te creëren. Ik vind het veel leuker om in de echte wereld te werken, en die invloed uit te laten oefenen op mijn films.”


Hij beweert geen onderscheid te kunnen maken tussen werkelijkheid en fantasie. “De scheidslijn tussen die twee is diffuus. Misschien maak ik wel films om erachter te komen wat het onderscheid is.”

Draagt de door hem gehanteerde aanpak er niet toe bij dat hij regelmatig moeilijkheden over zichzelf afroept? Gilliam knikt enthousiast: “Dat vind ik nou juist zo aantrekkelijk aan het maken van films. In dat opzicht ben ik nogal dwars. Als iedereen naar rechts loopt, dan voel ik automatisch de aandrang naar links te lopen. Ook al omdat ik het idee heb dat er al genoeg mensen zijn die de andere kant op gaan. Om interessante films te maken, moet je risico’s nemen. De rand opzoeken. Dan loop je de kans dat je een stap te ver zet en over die rand heen kukelt. Maar dat moet je voor lief nemen: you can’t find out where the edge is until you go out there.”

“Ik probeer met elke film weer onbekend terrein te betreden. Dat is wat ik tegen Hollywood heb. Daar zijn ze voortdurend bezig de wereld tot begrijpelijke proporties terug te brengen. Alles moet vooral begrijpelijk en behapbaar zijn. Dus vallen de filmmakers daar steeds weer terug op dezelfde mechanismen en dezelfde soort verhalen. Het ontmoedigt en deprimeert me weleens dat er zóveel geld, talent en energie verspild wordt aan films die op basis van voorgekookte formules gemaakt worden. Dat er 200 of 300 miljoen dollar gespendeerd wordt aan een matige film.”

Naar de bioscoop gaat hij niet meer zo vaak. “Londen heet een wereldstad te zijn, maar de hoeveelheid onafhankelijke en buitenlandse films die er wordt uitgebracht is vrij beperkt. Het aanbod wordt door grote Amerikaanse films gedomineerd, en die interesseren me zelden. Dan krijg ik maar heimwee naar de opwinding die ik vroeger ervoer als ik nieuwe films zag.”


Of zijn eigen films commercieel succesvol zijn, interesseert hem niet zo. “Het is in zoverre belangrijk dat succes me in staat stelt om weer volgende films te maken. Het is soms frustrerend dat het zo lang duurt om daar geld voor bij elkaar te krijgen. Succes is goed voor de financiering. Afgezien daarvan maakt het me niets uit. Ik wil gewoon het soort films maken dat ik maak.”

De vraag of hij zijn films als een oeuvre beschouwt, ontlokt hem weer een daverende lach. Gilliam: “Zélf ben ik er telkens weer van overtuigd dat ik aan iets volslagen nieuws begin, maar ik heb me laten vertellen dat elk van mijn films zich deels in de werkelijkheid en deels in de fantasie afspeelt en dat het telkens weer gaat over de strijd tussen die twee werelden. Mijn vrouw heeft me daar ooit op gewezen. Volgens haar maak ik al een carrière lang steeds weer dezelfde film.”

Terry Gilliam (68) werd in de Verenig-de Staten geboren, maar heeft het grootste deel van zijn werkzame leven in Londen doorgebracht. Daar maakte hij in de jaren zestig deel uit van het legendarische Monty Python-collectief. Gilliam was verantwoordelijk voor de animatiefilmpjes die de sketches verbonden en had ook een belangrijk aandeel in de regie van de Python-films. Zijn bekendste films zijn Brazil (1985), The Adventures of Baron Münchausen (1988), The Fisher King (1991), Twelve Monkeys (1995) en The Brothers Grimm (2005). In 2006 liet hij zich naturaliseren tot Brits staatsburger. Momenteel werkt hij weer aan The Man Who Killed Don Quixote, een project dat hij in 2001 na een paar draaidagen moest opgeven.

Erik Spaans