‘Ik ben ultiem onafhankelijk’

Toponderneemster Sylvia Tóth beult zich sinds de verkoop van haar uitzendketen nog steeds af, maar blijft een levensgenieter. En al haar successen heeft ze op eigen kracht behaald. ‘Natuurlijk miste ik de steun van een partner; iedere vrouw blijft van binnen een klein meisje.’

Ik heb in mijn leven één nacht gehad dat ik niet heb geslapen door mijn werk. Dat was toen ik net uitzendbureau Content had gekocht, 25 jaar geleden. Ik moest er dertig miljoen voor lenen en ik verdiende 2500 gulden per maand. De banken leenden het me omdat ik in de acht jaar ervoor had bewezen dat ik dat bedrijf zelfstandig kon runnen. De hele transactie heeft twee jaar geduurd; achteraf waren het de moeilijkste onderhandelingen van m’n leven. Ik moest de Engelsen, die het verkochten, ervan overtuigen het aan mij te geven. Want ik betaalde natuurlijk niet de hoogste prijs, maar zonder mij konden ze het niet verkopen. Toen het was gelukt was het feest, iedereen vond het geweldig. Maar ’s nachts dacht ik: jezus, wat heb ik gedaan?! Die enorme last van die schuld voelde ik. En de verantwoordelijkheid voor de tweeduizend werknemers die ik toen had, vond ik nog het ergste. Al die gezinnen die voor hun salaris afhankelijk waren van Content. Maar toen ik de volgende ochtend wakker werd, was het gepieker klaar en popelde ik om aan de slag te gaan. Negen maanden later ging mijn bedrijf naar de beurs en werd het vijf keer hoger gewaardeerd dan waarvoor ik het had gekocht. Iedereen ging ervan uit dat ik wel zou stoppen met werken, maar ik dacht: nou wordt het pas leuk!

Toen ik begon bij Content, in 1972, had ik honderd werknemers en toen ik het 25 jaar later verkocht waren er drieduizend vaste werknemers, en ook nog eens vijfduizend uitzendkrachten. Ik had in de tussentijd ook verschillende bedrijven overgenomen. Expansiedrift was het. En vrijwel alles in mijn carrière heeft met opleiding of werk te maken.


Mijn pleegvader haalde me van het lyceum op mijn vijftiende verjaardag. Hij was de autoriteit in huis, was ook 25 jaar ouder dan mijn moeder. Eerste machinist van de Holland-Amerika Lijn, straight denkend, een strenge opvoeder. Hij had een bordje boven m’n bed gehangen: “Niet zeggen maar doen”. Dat is bij mij goed blijven hangen. Mijn eigen vader, een Hongaarse musicus, was weggelopen toen ik drie was.

Ik heb niet geprotesteerd tegen het besluit van mijn pleegvader dat ik moest werken; dat deed je toen niet. Eigenlijk vond ik het ook wel leuk. Ik was zelfstandig, ging geld verdienen en ik deed de avond-hbs ernaast. Als je overdag werkt en ’s avonds naar school gaat en ook nog van dansen, vriendjes en uitgaan houdt zoals ik toen deed, dan moet je het wel goed organiseren. Dat heb ik toen geleerd en dat tempo heb ik volgehouden. Op de avond-hbs was ik tussen vijftien jongens het enige meisje; toen wist ik al dat het een voordeel is om vrouw te zijn in een omgeving waar er niet veel van zijn.

Je krijgt meer aandacht, valt vanzelf meer op.

Mijn werk is nu nog elke dag anders. Ik heb de ultieme onafhankelijkheid, doe alleen nog dingen die ik leuk vind. Voorlopig ben ik niet van plan te stoppen. Ik beul me wel af, werk meer dan fulltime, maar ik heb ontzettend veel energie. En ik heb weinig slaap nodig, vijf uurtjes per nacht is genoeg. Elke ochtend ga ik naar de gym, of ik nou in Den Haag, Monaco of New York ben. Ik reis veel omdat ik huizen heb op die plekken, maar ook voor mijn werk. Sinds tien jaar heb ik mijn bedrijf Tóco d’Azur; daarmee verzorg ik dienstverlening voor buitenlanders die een huis in Zuid-Frankrijk hebben. Daarnaast heb ik verschillende commissariaten en besturen, vooral in de muziek. Ik ben meestal wel voorzitter, dan kan ik het een beetje regelen, en ik vergader snel. Ik heb geen zin in prietpraat. En ik doe veel voor m’n eigen charity foundation, waarmee ik het Sylvia Tóth Centrum heb opgericht in het Wilhelmina Kinderziekenhuis in Utrecht. Dat is voor kinderen met complexe neurologische aandoeningen. Dat ik ouders van kinderen kan helpen, zodat ze na jaren ellende de juiste diagnose krijgen voor de ziekte van hun kind, plus advies over het vervolgtraject. Of dat een protegé van mij een grote muziekprijs wint, dat zegt me meer dan mijn eigen succes, in deze fase van mijn leven.


Dat de meeste van mijn voorzitterschappen met muziek te maken hebben, is omdat de liefde voor muziek in m’n genen zit, van de Hongaarse tak. Als kind heb ik gezongen. En ik speel piano, ik kan iets meteen naspelen als ik het hoor. Eigenlijk vind ik muziek het belangrijkste in het leven. Ik ben niet iemand die snel huilt of emoties heeft, daar heb ik het te druk voor, maar als ik ze heb, heeft het met muziek te maken. Jazz luister ik, en klassiek; Wagner, Bach en de Russische componisten. Dat kan zo’n diepe snaar van binnen raken. In fases waarin ik mezelf moet beschermen, moet ik oppassen met muziek luisteren. Dat kan zo je lijf in knallen, en dan ben je weerloos.

De voorkennisaffaire die een jaar of negen geleden speelde, was een dieptepunt. Dat mijn toenmalige partner Cor Boonstra ongelukkigerwijs aandelen Endemol had verkocht terwijl ik dat niet wist, dat vond ik heel erg. Iedereen dacht dat ik hem van alles had verteld. Daar heb ik héél veel last van gehad, want het ergste wat me kan gebeuren is dat mijn integriteit in twijfel wordt getrokken. Ik ben helemaal door de molen getrokken bij de financiële opsporingsdiensten. Ik kon bewijzen dat ik er niets mee te maken had, en later is Cor Boonstra ook vrijgesproken. In die periode belde ik John de Mol omdat ik de aantijgingen van de pers niet meer kon handlen. Hij zei: “Sylvia, je moet niets doen. Er komt een moment dat jij rustig je verhaal kunt vertellen.” Dat moment kwam, tijdens Zomergasten. Ik had een miljoen kijkers, heb kunnen laten zien wat mijn waarden waren en toen was het klaar. Ik heb er ook wel om kunnen lachen. Tijdens die affaire stond in de NRC: “Waar ligt de tandenborstel van Sylvia?” Toen heb ik de top- secretaresses, voor wie ik elk jaar een lunch met een cadeautje organiseer, allemaal een elektrische tandenborstel gegeven. Ik zei: “Als de pers belt, dan staat er bij jullie allemaal een tandenborstel van mij.”


Ik ben zo iemand van wie mensen denken: die komt er wel. Dat is ook zo. En ja, ik steun veel anderen. Maar als je vraagt van wie ik steun heb gekregen… Om eerlijk te zijn: van partners nooit zoveel. Natuurlijk miste ik dat; iedere vrouw blijft van binnen een klein meisje. Steun kreeg ik wel veel van vrienden en vriendinnen. In een man-vrouwrelatie blijft het moeilijk dat een vrouw sterk is, succes en geld heeft. Drie keer ben ik getrouwd geweest, ik heb een paar maal samengewoond. Nu ben ik godzijdank weer gelukkig. Dan voel ik ook weer hoe heerlijk het is om te kunnen delen; daar word ik toch stralender van.

Ik heb altijd de vrijheid gehad om mijn eigen keuzes te kunnen maken. Misschien was ik, als ik al die jaren één vaste partner had gehad, niet zo doorgeschoten als nu.

Sara van Gorp