Kuitenbrouwer over Ajax-FC Twente

Exclusief op de website van HP/De Tijd: de column van Jan Kuitenbrouwer.

Het is een ervaring die honderden miljoenen mannen over de hele wereld met elkaar delen, en sinds afgelopen zondag behoor ook tot dat legioen. Ik heb in een stadion een eredivisie-wedstrijd bijgewoond. Het was Ajax-FC Twente, in de Arena. (3-0).

Toen er in de Nederlandse huiskamer nog vaak over het apartheidsregime in Zuid Afrika werd gediscussieerd, was een veelgehoorde dooddoener dat je ‘er geweest moest zijn’. (Verdacht genoeg hoorde je dit nooit in discussies over de oorlog in Vietnam of de maanlanding). Van de grootste volkssport aller tijden wordt geen facetje door de media onbelicht gelaten, de kleinste details worden onder de loep genomen, dus als er één fenomeen is waarvan je je op afstand een goed beeld kunt vormen dan is het ’t profvoetbal, zou je zeggen, en toch is dat niet zo. Misschien is het juist wel: hoe intensiever de aandacht, hoe groter de vervorming.

Je wéét dat rellen en wangedrag slechts een uitwas van dit volksvermaak zijn, maar de beelden zijn zo indringend dat je bij het woord ‘voetbalstadion’ vanzelf aan opstootjes en agressie denkt. Je ziet vanzelf die brullende hooligan met het beschilderde gezicht voor je, het handwapen geheven, in de rode gloed van een zelfontstoken strijdvuur. Dat maakt een interessanter plaatje dan de keurige, hardwerkende Nederlanders waar wij in vak 420 door omringd waren, niets dan vriendelijke, nette mensen, die ongevraagd een misverstandje ophelderen (‘Die Koreaan zit nog niet in de selectie, meneer’) en direct een tissue tevoorschijn halen om gemorst bier van de stoel van een vreemde te vegen.

Als je gewend bent voetbal op televisie te kijken valt het in het echt nog niet mee. Zoals je bij Engelse films ongewild toch op de ondertiteling gaat leunen, doe je dat bij voetbalwedstrijden met de herhalingen. Je mist e belangwekkende actie in eerste instantie misschien, maar vervolgens kun je hem nog drie, vier keer terug zien, n slowmotion en vanuit tal van gezichthoeken. Bij het eerste doelpunt was het veld grotendeels aan mijn oog onttrokken door de megabeker bier die mijn gastheer me op weg naar de tribune in handen gedrukt had, en waaruit ik net een slok nam.Vervolgens moet je opstaan, op en neer springen en in je handen klappen, maar dat dus liefst zonder die beker, maar waar laat je die zo snel? Vastbesloten het moment niet opnieuw te missen richtte ik mijn blik op het stadionscherm, met als gevolg dat ik weer een brisante actie op het veld miste. Uiteindelijk kwam er wel een herhaling, maar toen stond ik net gebukt om mijn megabeker bier een veilig plekje onder mijn stoel te geven, zodat ik kon meespringen.

In de rust begaf ik mij in de ‘catacomben’ om bier te halen voor mijn gastheer en zijn vrienden. Achter ons loket ging van alles mis, een pomp weigerde, er waren geen bekers meer, en dan werd de bediening ook nog eens gevormd door een zwart meisje en een Marokkaanse jongen. Ik zag de contouren van een grimmig incident al voor me, met een beetje pech escalerend tot een fullblown rassenrel, maar er gebeurde niets. Men zuchtte, ging van het ene been op het andere staan, keek nog eens op de klok en als het bier dan eindelijk werd overhandigd en het duo achter de tap zich voor de zoveelste keer verontschuldigde, volgde hooguit een verlegen gemompel in de trant van ‘Ach ja, dat hebben wij weer.’

‘’T gaet wel ’n bietje lángzaem,’ klonk het even later van achter uit de rij. Och hemel, een verdwaalde Twent. Als die maar geen amok maakte.
‘Een bietje ‘n zwákke organisaetie, aj ‘t mien vraegt…’ sprak de uit-supporter. Oei, een provocateur bovenden.
‘En ze schenk’n Grolsch. ’T plaetselijke bier is bliekbaer niet te drink’n. Hoe kaj die fout nou maeken?’

De spanning was om te snijden. Deze kinkel had een lesje nodig, dat was duidelijk. Een grote man met een rood-witte das draaide zich om en nam de uit-supporter langzaam op. ‘Ken wel sijn,’ sprak hij tenslotte, ‘maar het staat wel mooi één-nul foor ons. Dus eh…’ Hier en daar klonk een zwak instemmend gemompel. Nee, met deze grootmacht viel niet te spotten.

De Ajax-spelers kwamen het veld op voor de tweede helft en namen hun posities in; rug recht, blik vooruit. Pas enige tijd later verscheen het Twentse elftal, die eerst midden op het veld nog een grouphug deden, voorovergebogen, de hoofden tegen elkaar. Om niet de indruk te wekken dat ik te goed was voor dit vermaak, had ik gedurende de eerste helft enthousiast met ons vak meegejoeld. Deze modieuze actie leek mij ook alle aanleiding voor wat hoorbare hoon.
“Homooooos!!!’ riep ik.
Heel vak 420 viel stil. Uit de vele afkeurende blikken die mijn richting opkwamen werd duidelijk dat dit niet in overeenstemming met de etiquette was.
‘Sorry!’ riep ik, ‘’t was een grapje!’

Gelukkig maakte Ajax op dat moment het tweede doelpunt en was de stemming even later zo vrolijk, dat men mijn overtreding vergat.

Jan Kuitenbrouwer