Weg met de stufi

Studenten in Utrecht en Amsterdam protesteerden vorige week tegen de dreigende bezuinigingen in het onderwijs, vooral tegen mogelijke afschaffing van de studiefinanciering. Op dit moment krijgen uitwonende studenten gedurende maximaal zes jaar drieduizend euro per jaar (thuiswonenden duizend euro) bij wijze van tegemoetkoming van de staat. Met de zogenaamde stufi kan een student in de verste verte niet rondkomen, maar oké, het legt in ieder geval een basis, en de rest kan worden aangevuld door ouders, door bijbaantjes of door een lening te sluiten. Studenten combineren altijd verschillende inkomstenbronnen, waarbij ze een sterke voorkeur aan de dag leggen voor gratis geld van ouders en anders een bijbaantje. De afkeer van lenen is zo groot dat je zou kunnen spreken van een collectieve leenangst.

Afschaffing van de studiefinanciering zou de staat ongeveer een miljard opleveren. Het enige wat studenten dan nog over zouden houden aan tegemoetkomingen is de OV-kaart, die toch al uitgekleed was omdat er gekozen moet worden tussen ofwel vrij reizen in het weekend, ofwel doordeweeks. Voor de rest zouden studenten opgescheept komen te zitten met een enorme studieschuld, waar de studentenbond natuurlijk tegen protesteert.

De PvdA geeft, bij monde van Wouter Bos, als argument voor afschaffing dat het geen pas geeft dat de slager en de bakker meebetalen aan de opleiding van de notaris en de arts, die later veel meer gaan verdienen. Dat klinkt redelijk, al hangt het er maar van af wat je precies tegen wat wegstreept. Je kunt ook aanvoeren dat de stufi het voor de kinderen van de slager en de bakker makkelijker maakt om notaris of arts te worden. Maar het beste argument tegen de basisbeurs komt van de twintiger zonder hoger-onderwijsopleiding die besluit om een schoenenzaak (of een kinderboerderij of een art-filmhuis) te beginnen, en ter investering een paar ton bij de bank moet lenen. Waarom moet deze ondernemer in spe alle lasten en verantwoordelijkheden zelf dragen, terwijl de bestuurskunde-student in een gedeeltelijk door de overheid gespreid bedje zonder noemenswaardige financiële kopzorg kan bouwen aan een toekomstige carrière in het management?

Tofik Dibi van GroenLinks wil de stufi handhaven, en meent de hoge overheidsuitgaven die hiervoor nodig zijn te kunnen ondervangen door het instellen van een academicibelasting na de studie. Dus: laat mensen gedeeltelijk op overheidskosten studeren, en presenteer ze achteraf de rekening voor hun genoten opleiding. Een krankzinnig bureaucratische oplossing, die geen soelaas zal bieden. Tussen academici bestaan grote inkomensverschillen, en het is een beetje raar om iemand belastingsgewijs aan te pakken omdat hij een of andere opleiding heeft gevolgd. Dat klinkt naar: straffen om reden van de cello bespelen of goed met een tennisracket overweg kunnen.


Vergeleken hierbij is de particuliere lening een wonder van eenvoud en eerlijkheid. Zeker als je in aanmerking neemt dat studieleningen zacht zijn, met een laag rentepercentage, en niet terugbetaald hoeven te worden zolang de debiteur niet in staat is voldoende inkomen te genereren. Het voordeel van een particuliere studielening is dat studenten zelf de verantwoordelijkheid dragen voor hun voortgang. Als de teller loopt voor je eigen portemonnee, ben je allicht geneigd wat meer tempo te maken dan wanneer de kosten voor andermans rekening komen. Ook zullen studenten die lenen sterker letten op de beroepsmogelijkheden na de studie, en ze zullen hogere eisen stellen aan de kwaliteit van het onderwijs zelf. Te lichte studierichtingen met te weinig contacturen die te weinig expertise opleveren, zullen gemeden worden onder het motto ‘daar gaan we niet voor betalen’.

Het is de taak van de overheid om goed onderwijs aan te bieden, en daar voortdurend stevig in te investeren. Ook in de randvoorwaarden van dat onderwijs moet de overheid voorzien. Het is bijvoorbeeld schandalig hoe slecht de woonvoorzieningen geregeld zijn voor studenten in Amsterdam, Utrecht en Leiden. Studenten in deze steden doen er vaak jaren over om een (veel te dure) kamer te vinden. De overheid moet zorgen voor voldoende studentenkamers – de huur kunnen bewoners zelf wel betalen. Zo ligt het met de universiteit zelf ook. Het huis van de wetenschap, dat al duur genoeg is voor de gemeenschap om overeind te houden, moet er zijn als iets aantrekkelijks om gebruik van te maken. Maar niet op een koopje. Wie terugdeinst uit leenangst, neemt het hoger onderwijs noch zijn eigen toekomst serieus.

import beatrijs ritsema