Lang leve de huisvrouw

Met de komst van het feminisme werd de propere huisvrouw als ‘sloof-in-kooi’ aan de straat gezet. Maar er gloort herwaardering. In de week van de Huishoudbeurs overziet Beatrijs Ritsema haar eigen huishouden en concludeert: ‘Wie orde schept waar chaos dreigt, verdient bewondering.’

Laatst overzag ik mijn huis met de ogen van een kostschooldirectrice en besefte: het is hier een dump. Bij eerste aanblik lijkt alles prima in orde. Opgeruimd, geen rondslingerende rotzooi, vloer gestofzuigd, schoon serviesgoed in de kast, keuken aan kant, aanrecht leeg, wasmand leeg, oud papier weg, zwierige tulpen op de piano. Maar als ik een boek uit de boekenkast trek, blaas ik met een gewoontegebaar eerst het stof van de bovenkant. Aan de muren hangen uitgeknipte plaatjes van dinosaurussen en vogels die een van de kinderen er vijftien jaar geleden opgeplakt heeft. De muren zijn sowieso niet om aan te zien. Het plafond is vergrauwd. Er zijn lekkagesporen. De meubels zijn behoorlijk afgetrapt, de gordijnen in geen tien jaar gestoomd of gewassen. Rond de lichtknopjes zit vuiligheid. De vloerbedekking van de trap vertoont sleetse plekken. De schimmel in de badkamer is weer terug. Spinrag in het trapportaal. Stof onder kasten waar de stofzuiger er niet bij kan. Niet-courante laatjes liggen vol onbestemde rommel. Dit huis is schoon op een amateuristische manier. Het lijdt aan achterstallig onderhoud.

Als ik alleen al denk aan wat er allemaal zou moeten gebeuren, zinkt de moed me in de schoenen. Het zou waarschijnlijk minder moeite kosten om de hele tent te verkopen en een nieuw (schoon) huis aan te schaffen, zoals de superrijken hun Rolls-Royce plachten in te ruilen voor een nieuwe, als het asbakje vol peuken zat. Voor die frivoliteit heb ik niet genoeg financiële armslag, maar aanlokkelijk is het wel. Aan de andere kant kan het me ook weer niet zoveel schelen. Als ik niet door strenge maar gewoon door mijn eigen ogen kijk, ben ik best tevreden met mijn dump, waar een blind paard weinig schade meer kan aanrichten. Het is er gezellig, het maakt een georganiseerde indruk, en verder treft mij geen blaam, want het huishouden is maar een nevenactiviteit van mij. Het is niet mijn beroep.

 Huisvrouw is überhaupt geen beroep. Werken doet een huisvrouw wel, en vaak hard ook, maar salaris krijgt ze er niet voor. Er zijn geen cao’s, geen vakbonden, geen WW – niets wat ook maar in de verte doet denken aan de normale structurering van de arbeidsmarkt. Het takenpakket van de huisvrouw kan worden opgesplitst en per onderdeel uitbesteed aan betaalde krachten; maar als één persoon alles doet, is er ineens geen sprake meer van betaalde arbeid. Toch wordt een huisvrouw wel degelijk gecompenseerd voor haar inspanningen. In ruil voor poetsen en boenen, koken en wassen, het verzorgen en opvoeden van kinderen en, niet te vergeten, zich beschikbaar houden voor seks met de kostwinner, krijgt ze kost en inwoning, kleding, mooie spullen voor in huis en wat haar hartje nog meer begeert. Hoe meer haar echtgenoot verdient, hoe meer er voor haar en de kinderen overschiet. Helemaal geen gekke deal op de keper beschouwd. In aanmerking genomen dat kinderen baren de biologische bestemming van de vrouw is en dat het in je eentje grootbrengen van die kinderen een bijna onmogelijke tour de force is, ligt het voor de hand dat zij zich uitlevert aan iemand die de randvoorwaarden voor zijn rekening neemt: een man met voldoende middelen van bestaan om een gezin te onderhouden, en die in naam van de liefde en het vaderschap bereid is tot deze beproefde uitruil van geld voor diensten.

Lees het hele artikel in de HP/De Tijd van deze week.

Beatrijs Ritsema