Antisemitisme als behoefte

Toen ik in Utrecht geschiedenis ging studeren, verwachtte ik daar zoveel van dat de colleges in de praktijk nogal tegenvielen. Een vriend van mij die in Leiden hetzelfde vak was gaan studeren, had dezelfde ervaring maar maakte één uitzondering: die betrof Dik van Arkel (1924), de hoogleraar sociale geschiedenis.

Van Arkel gaf vooral college over de geschiedenis van het antisemitisme en deed dat met indrukwekkende toewijding. Hij wilde weten hoe de Holocaust had kunnen gebeuren, en testte elke mogelijke verklaring met popperiaanse gestrengheid: als één voorbeeld duidelijk maakte dat een verklaring niet voldeed, dan werd die terzijde geschoven, en zocht Van Arkel verder.

Zijn belangstelling had een persoonlijke achtergrond. Van Arkels vader werkte in de jaren dertig bij Philips, had veel gevluchte joodse fysici als collega, en wist wat er in Duitsland speelde. Zelf verloor Dik van Arkel in de oorlog veel joodse vrienden. Na de oorlog was hij natuurlijk niet de enige die zich verbijsterd afvroeg hoe alles had kunnen gebeuren, maar Van Arkel heeft van het beantwoorden van die vraag zijn werk kunnen maken. Hij schreef zijn doctoraalscriptie er al over, deed zijn gehele leven onderzoek, gaf er in Leiden college over, en nu heeft hij, 85 jaar oud, zijn levenswerk voltooid in een vuistdikke studie die hij eind vorig jaar in het Joods Historisch Museum aan burgemeester Cohen van Amsterdam aanbood.

De belangrijkste these van het boek is dat er aan een heel rijtje van noodzakelijke voorwaarden (‘een genealogie van stereotypen’) moet zijn voldaan voordat er sprake is van geweld en vervolgingen van joden. Eerst moet er een stigma zijn. Dat leverde het christendom, een van oorsprong joodse sekte die de andere joden ervan beschuldigde dat zij Jezus als Messias hadden verworpen en de Zoon van God hadden gedood. Toch duurde het tot in de elfde eeuw voordat joden in Europa het Kaïnsteken – dat van de rusteloze zwerver – kregen opgedrukt en zij stelselmatig werden vervolgd. Eerst moest er sociale afstand tussen joden en de rest van de bevolking worden gecreëerd: dat deden het feodalisme en het gildesysteem, waarmee joden van de meeste beroepen werden uitsloten. Het theoretische stigma werd niet langer gecorrigeerd door de alledaagse omgang met de joodse medemens.


Dan komt daar bij wat Van Arkel de ‘terrorisering tot discrimant’ noemt. In 1096 dwongen kruisvaarders de bisschop van Trier zijn leven te redden door alle joden van de stad uit te leveren. Dat leidde tot de eerste pogrom in West-Europa. Het antisemitisme van de Verlichting (het christendom is een groot kwaad en het jodendom de wortel van dat kwaad), gecombineerd met het socialisme (waarin het antisemitisme werd gezien als een voorbereiding op de emancipatie van de arbeider) en het negentiende-eeuwse beeld van de jood als woekeraar en uitbuiter, hielpen vervolgens ook mee om de voedingsbodem te scheppen voor de ongekende wreedheden van de Holocaust.

Woorden zijn dus nooit onschuldig, lijkt mij een belangrijke les uit het boek van Van Arkel. Ook religiekritiek kan een stereotype scheppen dat onder bepaalde omstandigheden tot heel nare dingen kan leiden.

Of het antisemitisme ooit zal verdwijnen, daarover is Van Arkel niet optimistisch. Antisemitisme voldoet ook aan de emotionele behoefte aan revanche op de eigen machteloosheid en onbekwaamheid. Het enige wat je daar tegenover kunt stellen is de argumentatie van de rede, is de kwetsbare conclusie van dit boek.

Dik van Arkel: The Drawing of the Mark of Cain. Amsterdam University Press. € 49,50. Ook verkrijgbaar via www.ako.nl.

Bart Jan Spruyt