De beste grappen

Lebbis en Jansen maakten in 1989 waarschijnlijk de beste non-verbale grap uit de geschiedenis van het festival. Toen het doek open ging waren ze, op handen en voeten op het podium gezeten, bezig een megalijn cocaïne te snuiven die op het podium lag. Door de luchtverplaatsing van het openzoevende gordijn, stoof het witte poeder alle kanten op. Verschrikt draaiden beide mannen het hoofd richting zaal, een betrapte blik in de ogen. Een hilarisch beeld dat bij de festivalgangers van weleer nog steeds op het netvlies staat gebrand.

Kees Torn etaleerde zijn tegendraadse manier van denken in de finale van 1994. Hij bekende tijdens zijn optreden dat hij in zijn leven maar één diploma had gehaald. Torn studeerde namelijk aan de Hogeschool voor Humor en Hilariteit, de H.H.H. “Na afloop van die studie,” aldus Torn, “wordt de studenten medegedeeld dat ze helemaal geen diploma krijgen, en wie dáár dan nog om kan lachen, is pas geslaagd.”

Najib Amhali had in 1998 na twee zinnen al gewonnen. Eerst gaf hij toe dat hij, als Marokkaan, graag bij de mensen thuis kwam. Hilariteit in de zaal. Toen het weer stil was, zei hij: “Ik hoop alleen dat mijn Marokkaanse broeders op dit moment niet bij ú thuis zijn.”

Javier Guzman speelde de zaal in 2002 plat met een conference over de kijk- operatie vanwege zijn nierstenen. De pijn die hij tijdens het inbrengen van het buisje met een minuscuul cameraatje door de penisopening voelde, was ondraaglijk. “Het was maar zo’n klein dingetje, maar het voelde aan als een hele cameraploeg. Zo van: ‘Goedenavond, kijkers. Vanavond live vanuit de lul van Javier Guzman…'”

Micha Wertheim zei in 2004 tegen de jury dat hij in zijn binnenzak een cheque had zitten van vijfduizend euro voor Amnesty International. En dat hij die zou opsturen indien hij zou winnen, waarop hij de valse grap maakte: “En nu eens kijken hoe geëngageerd de jury zelf is.”

Met de komst van de Vlamingen op het festival worden de losse grappen en oneliners schaarser. Bij iemand als Wim Helsen zit ‘m de humor in de absurdistische, poëtische, vaak moeilijk na te vertellen verhalen. In de finale van 2002 vertelt hij een hilarisch verhaal over soep die hij in kommetjes op straat aan ‘mevrouwen’ gaat uitdelen. In die soep geen balletjes, maar letters van gehakt die tezamen de boodschap vormen: “Wel wel mevrouw, het lot heeft ons nu samengebracht en samen zullen wij blijven. Ik zal u goed behandelen zolang gij u een deugdzame, brave gehoorzame vrouw toont, anders zwaait er wat… – dat is mijn boodschap. En ooit zal er een mevrouw zijn die al mijn soep met al mijn lettertjes in de goede volgorde naar binnen werkt, en die mevrouw zal enorm van mij gaan houden.” Absurdisme ten top dus, die wat humor betreft helemaal verweven is met de bizarre personages die Helsen op het podium zet.


Maar ook de meer aardse humor blijft scoren. Maarten Ebbers had zijn overwinning van vorig jaar voor een groot deel te danken aan het succes van een met veel zielepijn gezongen blues. “Ik moet kotsen en word misselijk van de dingen om me heen/Van schaamhaar in een putje en van schimmel op m’n teen/Van het zwart onder m’n nagels/Van katten in de rui, maar ’t allermeeste kots ik van een hondje met een trui.” In de Leidse schouwburg gonsde het refreintje ‘een hondje met een trui’ na afloop als het nieuwe volkslied door de gangen.

import cabaret