Snertkampioen

Wie zei daar schaatsen? Tijdens het WK snertkoken in Groningen gaat het hard tegen hard. Deelnemers fabriceren soep in vele variaties, van slappe prut tot specie. Een nationalistisch trekje heeft de jury wel: uitgesloten dat een buitenlander de Zilveren Snertslaif mee naar huis neemt.

Allemaal leuk en aardig, die Olympische Spelen in Vancouver, maar ook buiten het zicht van Mart Smeets, Anton Geesink en Marco Borsato wordt dezer dagen topsport bedreven. Zwenken we bij voorbeeld met de camera richting Groningen, dan zien we 39 atleten met het zweet op hun voorhoofd rondjes van 1,34 maken, ploegend door de groene smurrie en zichzelf constant een worst voorhoudend. Welkom op het WK snertkoken (waarin opgenomen, voor de fijnproever, het WK stamppot koken), een evenement dat Groningen op de kaart moet zetten. De lunchkaart, vermoedelijk.

Het wereldkampioenschap is een initiatief van Snert- en Stamppot Evenementen uit Winsum, een organisatie die zich hard maakt voor ‘het promoten van Hollandsche gerechten als voedingsmiddel en cultureel in de ruimste zin des woord’. Taalkundig gesproken niet veel soeps, die zin. En dat geldt eigenlijk ook voor het officiële Snertgedicht dat Sim Noordhof uit Hoogezand voor de editie van 2010 componeerde. Een fragment:

Opnieuw een strijd tussen buitenlui, burgers en boeren

Wie in staat is het hoogste te bereiken

Vol passie en emotie staan ze hun gouden snert te roeren

En onopvallend naar de opponentie kijken.

Deze ligt ons en de opponentie eveneens zwaar op de maag: De gale sfeer en reuk komen je reeds buiten tegemoet

Geheimzinnigheid en mag(g)ie voel je tot op het bot

De snert van elke tegenstander is niet goed

De individualist is trots op zijn zelf gecomponeerde pot.

En ook de afsluitende regels vormen voor de ware taalpurist een zware kluif. Komt ie, ter verhoging van de ‘gale sfeer’:

Gejuich, gejubel en stralend staat de winnaar daar


De beste snert ter werend is gekookt, ja werkelijk subliem

De dag erna dan zijn de rapen meer dan gaar

Dan zijn de kokers, kenners en publiek het liefste anoniem.

Vermoedelijk doelt Noordhof met die slotzin fijntjes op de na consumptie vrijkomende gassen, die nog dagenlang een bijna tastbare herinnering zullen vormen aan het WK. Een WK waarin zowel profs als amateurs zich (en de soep) roeren (dit zou er eentje uit de koker van Sim Noordhof kunnen zijn). Wedstrijdleider Auke van der Velde (de zoon van Henk van der Velde, onder wiens bezielende leiding het WK zestien jaar geleden is ontkiemd) laat desgevraagd weten dat er koks, leerling-koks, taxichauffeurs, operatie-assistenten en bejaardenverzorgsters aan de krachtmeting meedoen en dat de jury onder leiding staat van Jan Dales, ‘een expert op het gebied van peulvruchten’.

Die Dales, een witte boon met een snor, let op ‘hygiëne, vulling, smaak, geur, kleur’ en ook ‘of de gerechten wel binnen de toegestane tijd zijn bereid’. Of tevens wordt toegezien op het door de stichting zo fel gepropageerde Hollandsche karakter van de gerechten, is niet bekend. Is dat het geval, dan is Cees van der Zande uit Ermelo bij voorbaat kansloos. Van der Zande tracht de jury te verleiden met een zogeheten hrachová polévka s kmin, ofwel een Tsjechische erwtensoep vol hrachová (spliterwten), porek (prei), cibule (uien), brambory (aardappelen), een beetje sl a pepr do chut (zout en peper naar smaak) en vooral veel voda (water). Uiteraard pretendeert de juryvoorzitter dat laatste Tsjechische woord in het voorbijgaan verkeerd te lezen, wat een bulderende lach tot gevolg heeft. Van de juryvoorzitter zelf.


Ook Jan de Vries uit Deventer is een minnaar van de kwinkslag. “Vorig jaar was ik de erwten vergeten,” grapt hij. De Vries, die twee jaar geleden zevende werd bij het WK palingroken, is in het dagelijks leven tuinier. “Maar ja, wat moet je met al die spullen uit de tuin?” Het blijkt een retorische vraag, want hij bekent zelf al meteen dat hij er graag soep van trekt. En dan bij voorkeur dunne soep, die zo van de lepel loopt. Dus Jan de Vries helpt iedereen aan de dunne, om maar even op hetzelfde niveau te blijven.

Dat kan niet worden gezegd van Coby van Schelven uit Goeree-Overflakkee, die een dikke brij door de pan laat klotsen. Al zijn er opponenten die haar in dat opzicht nog weten te overtreffen. Enkele WK-deelnemers fabriceren een soep die zó dik is dat je er een vork in kunt zetten. Sommige drab is zelfs totaal niet vloeibaar meer en zou derhalve probleemloos kunnen meedingen in de categorie stamppot (een onderdeel dat door de woordspelerige huisdichter vast zou kunnen worden omschreven als ‘een zuurkool met spek-takel’).

Outsider Siegfried Niemeyer uit Osnabrück hanteert de stelling dat soep op eigen kracht het keelgat in moet lopen, mits het hoofd daarbij schuin achterover wordt gehouden. Want ook hij werkt met verse ingrediënten: géén bacteriën dus die over de tong richting slokdarm marcheren. De enige Duitse deelnemer – die om die reden in de gaten moet worden gehouden: ook bij het snertkoken geldt dat ze pas verslagen zijn als ze met hun rug op de grond liggen en geen pap meer kunnen zeggen – kookt een waterig soepje dat behalve erwten en prei een flinke hoeveelheid Nordseekrabben bevat. “Keine Ahnung of iemand anders ooit al eens erwtensoep met garnalen heeft gemaakt,” bekent de rijk bebaarde oosterbuur, “maar ik hou mezelf graag voor dat het mijn eigen creatie is.”


Op dat moment laat juryvoorzitter Jan Dales zijn gezag gelden. Een meisje aan dezelfde kooktafel als de gezellige garnalenboer uit Osnabrück wordt op haar tengere vingers getikt omdat ze thuis kennelijk al een gedeelte van het gerecht heeft voorgekookt. Dales, met de zelfverzekerde blik van iemand aan wiens autoriteit niet valt te tornen: “Ze had al een bouillon getrokken met groente erin – en dat mag niet. Die pan moet dus weg. Thuis bouillon maken is oké. Erwten mogen daar best in worden geweekt. En vlees mag er uiteraard ook in zitten, want…”

Voordat ik een oliedomme vraag kan stellen, slik ik die in.

“…dat trek je natuurlijk van bouillon. Maar verder mag je niet gaan, qua voorbereiding. Dus géén groenten in de bouillon. En daar moet ik streng in zijn. Je kunt niet bij de ene deelnemer toestaan wat je bij de andere niet accepteert. Dat zou niet goed zijn, want dan scheer je met, eh, twee scheerapparaten.”

“Je moet zeggen waaróm je iets vindt, za’k maar zeggen,” zegt jurylid Johan Klein Gebbink ondertussen, als hem wordt gevraagd wat de criteria zijn voor het invullen van het juryrapport. “Dus als je iets afkeurt op smaak, zet je daar bijvoorbeeld bij: niet te vreten.” Klein Gebbink is in het dagelijks leven chef-kok van het Nederlands elftal en als hij deze bewoordingen in die stiel heeft opgedaan, is het met de verwende heren voetballers nog erger gesteld dan we al dachten.

Als het eindsignaal van het WK snertkoken 2010 nadert stroomt de arena, in dit geval de keuken van horecaschool Noorderpoort, vol met Groningers die een gratis beker erwtensoep komen scoren. De afzonderlijke brouwsels hebben slechts met elkaar gemeen dat de steunkleur groen is en dat ze voor een Oud-en-Nieuwgevoel in het darmstelsel zorgen. Onze vriend Niemeyer uit Osnabrück heeft met voorsprong de smakelijkste variant op tafel gezet, maar een oud-Hollandsche krachtmeting kan natuurlijk niet met goed fatsoen door een Duitser worden gewonnen. De Zilveren Snertslaif (van slaif, Gronings voor ‘sleef’, zijnde ‘een grote soep- of opscheplepel’) wordt dan ook een prooi voor Werner Drent uit Sappemeer. Zijn geheim: “Ik heb geen zout gebruikt. Alleen pure bouillon, die twee dagen heeft opgestaan.” Niemeyer, die voor een kapitaal aan Hollandse garnalen had ingeslagen, ziet zijn strijd tegen – let op, huisdichter – het hele soepie beloond met een ontnuchterende vijftiende plek, wat in een deelnemersveld van 26 neerkomt op een klassering in de grijze, om niet te zeggen groene middenmoot. Mevrouw Van Schelven, die zich o zo graag in klederdracht laat fotograferen, blijkt zich naar een derde plaats te hebben gekookt. Op haar aanbod om een beker mee te nemen ‘voor onderweg’, wordt door de hevig boerende omstanders lauw gereageerd. “Maar áls je het doet wel even open laten staan, anders wordt-ie zuur! Dan draait-ie om z’n kont, zoals wij op z’n Flakkees zeggen. Versta je dat?”


Jan Dales vindt het dan tijd om de prijsuitreiking af te sluiten en doet zulks met een welgemeend ‘bedankt voor de aandacht en tot de volgende keer.’ Maar dat, beste juryvoorzitter, valt nog te bezien. Want hoe je het ook wendt of keert: het is en blijft een snertevenement.

Heb je die, huisdichter?

Meer leuke content? Like ons op Facebook

Michiel Blijboom