Het kleine gelijk van de thuisblijver

Doorgaans laat veertig procent van de Nederlandse kiezers het bij gemeenteraadsverkiezingen afweten. Hoe terecht is dat? De tien meest gehoorde smoezen, excuses en uitvluchten op een rijtje – en waarom ze soms nog kloppen ook.

Tegen dit argument is geen kruid gewassen. Want inderdaad: in 37 van de 431 Nederlandse gemeenten wordt op 3 maart niet gestemd. Het gaat daarbij om acht gemeenten die recent met een herindeling te maken hebben gekregen en waar in november 2008 of november 2009 vervroegde raadsverkiezingen zijn gehouden, en om 29 gemeenten waar de raadsverkiezingen zijn uitgesteld tot eind 2010 omdat de herindelingsprocedure nog in volle gang is. Tot die laatste groep behoren onder meer de gemeenten Bussum, Oss, Medemblik, Weesp en Sneek. Vanwege de vele herindelingen is het de laatste jaren in Nederland gebruikelijk geworden dat niet meer in het hele land tegelijkertijd gemeenteraden worden gekozen. Om die reden wordt het op 3 maart ook extra moeilijk om een landelijke vergelijking te maken met de uitslag van vier jaar geleden.

De meeste kiezers (in 2006 zo’n 75 procent) zijn bij gemeenteraadsverkiezingen gewend op een landelijke politieke partij te stemmen. Maar helaas is dat lang niet overal mogelijk. Vooral kiezers die graag op de PVV zouden willen stemmen, zijn daar op 3 maart het slachtoffer van, want de partij van Geert Wilders doet, zoals bekend, alleen mee in Den Haag en Almere. Bijna net zo gedupeerd zijn de aanhangers van de Partij voor de Dieren, die in slechts zes gemeenten kandidaten heeft opgesteld. Zelfs de in Maarssen woonachtige fractievoorzitter Marianne Thieme kan zodoende niet op haar eigen partij stemmen. D66 (present in 252 gemeenten), GroenLinks (230) en de SP (110) doen het op dit punt al heel wat beter, maar toch geldt alleen voor de drie ‘oude’ volkspartijen CDA, PvdA en VVD dat ze in vrijwel het hele land verkiesbaar zijn. Ter illustratie: het CDA ontbreekt op 3 maart alleen op het stembiljet in de gemeenten Schiermonnikoog, Vlieland en Rozendaal. In totaal brengen de christen-democraten maar liefst 8865 kandidaten in stelling.


Maar toch: kiezers die zich opwinden over het feit dat hun favoriete landelijke partij het op lokaal niveau laat afweten, hoeven natuurlijk niet per se thuis te blijven. De kans dat er een partij meedoet die een beetje lijkt op uw eerste keus, is namelijk levensgroot aanwezig. Wijlen Jan de Koning, voormalig minister van Landbouw, zei het altijd al: “Als niet kan wat moet, dan moet maar wat kan.”

Dat is véél te kort door de bocht. Het lidmaatschap van een gemeenteraad wordt geacht een nevenfunctie te zijn. Daarom ontvangen raadsleden geen loon of salaris, maar een zogenoemde ‘vergoeding voor de werkzaamheden’. De hoogte van deze vergoeding is gekoppeld aan de inwonersklasse van de gemeente en wordt jaarlijks herzien aan de hand van de consumentenprijsindex van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). In de kleinste gemeenten (minder dan achtduizend inwoners) bedraagt de raadsvergoeding momenteel €223,32 per maand; in de allergrootste (lees: Amsterdam, Rotterdam en Den Haag) €2094,35. Voor onkostenvergoedingen geldt een soortgelijk systeem: maximaal €41,34 per maand in de kleinste gemeenten; maximaal €235,54 in de grootste. Fractievoorzitters hebben daarnaast recht op een toelage. Die is afhankelijk van het aantal fractieleden, maar mag niet hoger zijn dan 6,4 procent van de raadsvergoeding.

Is dat veel? Raadswerk, zo leert de ervaring, kost al gauw twintig uur in de week en in de grote steden vaak aanzienlijk meer. Zo bezien zijn de vergoedingen eerder aan de lage dan aan de hoge kant. Een vetpot is het alleen voor raadsleden die de kantjes er van aflopen. Het is gemeenten namelijk niet toegestaan te korten op de vergoeding van raadsleden die minder vaak of nooit op vergaderingen komen opdagen.


Hoewel de situatie van gemeente tot gemeente verschilt, zijn de meeste deskundigen op het terrein van het lokaal bestuur het erover eens dat steeds meer (kandidaat-)raadsleden niet of onvoldoende op hun taak zijn berekend. Belangrijkste oorzaak: het aantal Nederlanders dat lid is van een politieke partij is de afgelopen vijftig jaar meer dan gehalveerd – van 745.000 in 1960 naar 430.000 in 1980 tot 308.000 nu. Bij het rekruteren van kandidaten voor gemeenteraden hebben de meeste partijen derhalve te maken met een steeds leger wordende vijver. Daar komt nog bij dat het raadslidmaatschap veel van zijn aanzien heeft verloren en, anders dan vroeger, niet meer wordt beschouwd als een erebaan of een mooie aanwinst voor het curriculum vitae. Gevolg: veel lokale afdelingen van politieke partijen zijn blij met zo’n beetje elke kandidaat die zich meldt, zeker als het gaat om belangstellenden die nu eens níet voldoen aan het clichébeeld van de bijna gepensioneerde leraar aardrijkskunde. Of, zoals politicoloog Marcel Boogers, universitair hoofddocent in Tilburg, het eind vorig jaar in HP/De Tijd formuleerde: “Als je jonger bent dan 35, je doet op een vergadering je mond open en je zegt een paar verstandige dingen zonder zes keer ‘uh’ te zeggen, dan sta je op een verkiesbare plek. Leuke jonge vrouwen hoeven hun mond niet eens open te doen.”

Blijft de vraag of thuisblijven op 3 maart in die situatie veel verandering zal brengen. Vermoedelijk niet. Wat dan wel een goede remedie is? Misschien zou het aantal raadsleden eens drastisch moeten worden ingekrompen, waarbij dan de raadsvergoedingen minstens zo drastisch worden verhoogd. Een dergelijke maatregel zou het raadslidmaatschap waarschijnlijk wat meer status verschaffen en zo tevens aantrekkelijk(er) maken voor lokale politici in spe die wél wat in hun mars hebben.


Inderdaad, in Amsterdam en Rotterdam worden op 3 maart tevens deelraadsverkiezingen gehouden. Amsterdam heeft zeven van die deelraden; Rotterdam kent er twaalf en heeft daarnaast nog een zogenoemde ‘wijkraad’ voor Pernis. Met name in Amsterdam, waar Osdorp en Noord in 1981 als eerste stadsdelen een eigen bestuur kregen, zijn de deelraden altijd omstreden geweest. Voorstanders van het concept zagen er een mogelijkheid in het lokale bestuur dichter bij de burger te brengen, tegenstanders laakten de hoge kosten van deze extra bestuurslaag en hekelden ook de gebrekkige kwaliteiten van de deelraadsleden en de door hen gekozen stadsdeelvoorzitters en (wijk)wethouders. Dat van de 322 Amsterdamse deelraadsleden die in 2006 werden gekozen er na drie jaar al 64 waren opgestapt, leek het gelijk van deze sceptici te bevestigen.

Om de groeiende kritiek op de deelraden enigszins het hoofd te bieden, besloot de hoofdstad vorige zomer om het aantal stadsdelen door middel van een herindeling te halveren van veertien naar zeven. Kiezers die het stadsdelenbestel liever helemáál afgeschaft zouden zien, hebben echter niet per definitie een goed voorwendsel om op 3 maart thuis te blijven. Want om te beginnen houdt niemand u tegen als u wél voor de (centrale) gemeenteraad wilt stemmen, maar níet voor de deelraad. Bovendien is het in Amsterdam én in Rotterdam zo dat aan zowel de gemeenteraadsverkiezingen als de (meeste) deelraadsverkiezingen óók partijen meedoen die de stadsdelen willen opheffen.

Een begrijpelijke wens. Want hoewel burgemeesters in Nederland minder machtig zijn dan veel mensen denken, is het natuurlijk vreemd dat we wel gemeenteraadsleden mogen kiezen, maar niet de man of vrouw die fungeert als voorzitter van de gemeenteraad, en die ook nog eens presideert over het college van B&W, het dagelijks bestuur van de gemeente. Een poging van D66-minister Thom de Graaf voor Bestuurlijke Vernieuwing om in die situatie verandering te brengen, strandde in maart 2005 in de Eerste Kamer. Daar bleek niet de vereiste tweederde meerderheid te vinden om de door de Kroon benoemde burgemeester uit de Grondwet te schrappen. Eenendertig senatoren stemdentegen, afkomstig uit de fracties van PvdA, SP, GroenLinks, ChristenUnie en SGP.


Dankzij dit links-christelijke monsterverbond is Nederland tot op heden een van de weinige landen in de beschaafde wereld waar burgemeesters niet door hun onderdanen worden gekozen.

Kiezers die zich daaraan storen, hebben op 3 maart echter ook nog een andere optie dan thuisblijven. Bij wijze van advies: stem hoe dan ook niet op een van de vijf partijen die in 2005 in de Eerste Kamer de benoemde burgemeester in de Grondwet lieten staan. Aanzienlijk meer heil hebt u te verwachten van de twee meest uitgesproken voorstanders van een rechtstreeks door de bevolking gekozen burgemeester, te weten D66 en – bien étonnés de se trouver ensemble – de PVV.

Nee, gemeenteraden beslissen niet over oorlog of vrede, steunverlening aan banken, euthanasie, de kilometerheffing, de Joint Strike Fighter, verhoging van de AOW-leeftijd of de hypotheekrenteaftrek. Bovendien zijn gemeenten voor hun financiën grotendeels afhankelijk van het Rijk, die hun een zogenoemde ‘algemene uitkering’ verstrekt uit het Gemeentefonds en daarnaast nog specifieke ‘doeluitkeringen’ voor bijvoorbeeld onderwijs en politie. In de praktijk komt het er veelal op neer dat gemeenten vooral rijksgeld uitgeven aan taken die hun door het Rijk zijn opgelegd. Bij wijze van voorbeeld: de gemeentebegroting van Amsterdam bedraagt jaarlijks zo’n vijf miljard euro. Daarvan is 3,5 miljard nauwelijks beïnvloedbaar door de lokale politiek omdat het geld wordt besteed aan de uitvoering van wettelijke taken uit de koker van de landelijke overheid, zoals de verstrekking van bijstandsuitkeringen.

Toch heeft de medaille ook een keerzijde. Want op sommige beleidsterreinen zijn gemeenten wél relatief autonoom. Zo hebben ze het recht om eigen belastingen te heffen, zoals de onroerendezaakbelasting, de hondenbelasting, de toeristenbelasting en de parkeerbelasting. Ook gaan gemeenten over zaken als sportvoorzieningen, het bestuur van openbare scholen, het aanbesteden van de thuiszorg, het initiëren van woningbouwprojecten, aanleg en onderhoud van straten, trottoirs en fietspaden, vuilnis ophalen, allerhande vergunningen verlenen, vrijstellingen voor koopzondagen en het weren of toelaten van bordelen en coffeeshops. Je zou toch denken dat daar toch voor iedere kiesgerechtigde burger wel wat bij zit.


Dit vaak gehoorde bezwaar is waarschijnlijk het makkelijkst te ondervangen door (raads)verkiezingen voortaan op zondag te houden. De meeste Europese landen doen dat zo, maar in Nederland is het er, vooral vanwege verzet uit orthodox-protestantse kring, nooit van gekomen. Dat neemt niet weg dat de overheid er op 3 maart veel aan probeert te doen om het drukbezette kiezers zo makkelijk mogelijk te maken. Weliswaar gaan de stembureaus overal in het land ’s avonds om negen uur dicht, maar in een aantal gemeenten gaan ze in de nacht van 2 op 3 maart al even na twaalven open. In de hoop ook zo veel mogelijk jongeren te interesseren voor de gemeenteraadsverkiezingen, zal die vervroegde openstelling in onder meer Groningen en Den Haag gepaard gaan met nachtelijke ‘stemfeesten’, inclusief optredens van dj’s en rappers.

Wie ondanks al die initiatieven nog steeds geen tijd heeft om te gaan stemmen, kan ook nog van de gelegenheid gebruikmaken om een volmacht te geven aan een kiezer die wat minder druk bezet is. Dat kan op twee manieren: door samen met de gemachtigde de hiervoor bestemde achterzijde van de stempas annex oproepkaart in te vullen of – iets ingewikkelder – door een zogenoemd ‘L8-formulier’ aan te vragen bij uw gemeente. Als u dit formulier invult, krijgt de gemachtigde een ‘volmachtbewijs’ waarmee hij namens u mag stemmen.

In dat geval heeft u op 3 maart inderdaad een probleem, want anders dan bij Tweede Kamerverkiezingen is het hebben van de Nederlandse nationaliteit bij gemeenteraadsverkiezingen geen doorslaggevend criterium om te mogen stemmen. Meer precies: kiezers met de Nederlandse nationaliteit die in het buitenland verblijven en zich hebben laten uitschrijven uit de gemeentelijke basisadministratie, hebben bij raadsverkiezingen geen stemrecht. Daarentegen mogen inwoners van ons land die níet de Nederlandse nationaliteit hebben op 3 maart wél stemmen, mits zij langer dan vijf jaar legaal hier verblijven of afkomstig zijn uit een lidstaat van de Europese Unie. Het kiezerskorps is bij gemeenteraadsverkiezingen dus anders samengesteld dan bij Tweede Kamerverkiezingen.


Sinds het stemrecht voor buitenlanders bij de raadsverkiezingen van 1986 werd ingevoerd, hebben vooral de linkse partijen er electoraal van geprofiteerd. De ervaring leert namelijk dat met name migranten van buíten de EU – Turkse en Marokkaanse kiezers voorop – een sterke voorkeur hebben voor de PvdA en GroenLinks. In het buitenland verblijvende Nederlanders stemmen bij Tweede Kamerverkiezingen juist relatief vaak VVD of CDA.

Met dit argument komt op 3 maart echt geen enkele kiezer weg. In 2007 werd in Nederland namelijk een verbod op het gebruik van stemcomputers afgekondigd. Belangrijkste reden: het stemgeheim kon met de apparaten onvoldoende worden gewaarborgd. Sinds de verkiezingen voor het Europees Parlement – in juni 2009 – stemmen we daarom weer met een rood potlood. Speciaal voor verkiezingsfetisjisten: tot 1918 waren stempotloden in Nederland zwart. De stembiljetten werden echter steeds langer, en bij het tellen van de stemmen werd het lastig om de zwarte potloodpuntjes te onderscheiden. Na enige discussie over de nieuwe kleur besloot de Tweede Kamer in 1922 om ‘rood te stemmen’.

Roelof Bouwman,