Lakmoesproef voor de lokalo’s

Hun bakermat ligt in het katholieke zuiden, maar daarna waaierden ze uit over heel Nederland. In 2006 kwam aan de opmars van de lokale politieke partijen echter een eind. Of was dat slechts voorlopig?

‘PvdA grote winnaar’ kopte De Te- legraaf daags na de gemeenteraadsverkiezingen van 7 maart 2006. ‘Enorme winst voor PvdA en SP’ meldde de voorpagina van de Volkskrant, en NRC Handelsblad opende met ‘PvdA en SP winnen, grote klap voor CDA’. Hoewel op de feitelijke juistheid van die koppen niets viel af te dingen, lieten ze één toch wel zeer opmerkelijk aspect van de verkiezingsuitslag onvermeld, namelijk het lot van de diverse lokale politieke partijen. Gezamenlijk waren die erin geslaagd 2146 raadszetels te veroveren. Met dat resultaat hadden de lokale partijen niet alleen de PvdA (1979 zetels) afgetroefd, maar ook het CDA (1749) en de VVD (1239), om over GroenLinks (406), de SP (332) en D66 (146) nog maar te zwijgen.

Waren de ‘lokalo’s’, zoals hun koosnaam luidt, dus de eigenlijke winnaars van de raadsverkiezingen van 2006? Nee, want vergeleken met de verkiezingen van 2002 viel hun resultaat zwaar tegen: ruim tweehonderd zetels verlies. Erger nog: in 2002 waren de lokale partijen in 138 gemeenten de grootste geworden, maar in 2006 in slechts negentig, minder dan de PvdA (168) en het CDA (102). Voor een groot deel was dat terug te voeren op het ineenzakken van veel leefbaarpartijen: in Utrecht van veertien naar drie zetels, in Haarlemmermeer van elf naar vier, in Nieuwegein van zeven naar één, in Hilversum van negen naar vijf en in Amsterdam van twee naar nul. Alleen Leefbaar Rotterdam (van zeventien naar veertien zetels) wist zich redelijk te handhaven, hoewel de partij van Marco Pastors, anders dan in 2002, royaal voorbij werd gestreefd door zijn aartsvijanden van de PvdA.

Het – vergelijkenderwijs – slechte verkiezingsresultaat van 2006 mocht dus gerust een domper worden genoemd voor de lokale politieke partijen. Maar toch: er was (en is) geen enkele reden voor het uitspreken van grafredes. Dat zou niet alleen voorbarig zijn omdat we de uitslag van 3 maart nog niet kennen, maar ook omdat lokale politieke partijen in het verleden hebben bewezen dat ze een uitermate taai en moeilijk uitroeibaar verschijnsel zijn.


Hoe dat komt? Volgens de in 1987 opgerichte Vereniging van Plaatselijke Politieke Groeperingen (VPPG), een belangenorganisatie waarbij ongeveer tweehonderd van dit soort groeperingen zijn aangesloten, is het antwoord simpel: alleen lokale partijen hebben de juiste papieren om te zorgen voor goed lokaal bestuur. “Het gaat in een gemeente namelijk altijd om politieke zaken die de inwoners direct aangaan,” zo meldt de website van de vereniging. “Het gaat lokaal niet om de landelijke ideologieën, van welke aard ook, maar om een bestuur dat zich bemoeit met de directe zaken die alle inwoners, van welke gezindte dan ook, raken. Lokale thema’s vragen om lokale oplossingen, landelijke thema’s vragen om landelijke oplossingen. Voor elk niveau horen er politieke partijen te zijn die voor de oplossing van die problemen zorgen, zonder dat er belangenverstrengelingen zijn tussen de verschillende niveaus. Een gemeente besturen kan alleen met visie, een lokale visie wel te verstaan.”

Het is een redenering die wellicht plausibel klinkt, maar die toch geen recht doet aan de ontstaansgeschiedenis en de ontwikkeling van het fenomeen lokale politieke partijen. Om met dat ontstaan te beginnen: daarvoor moeten we zijn in het zuiden van ons land, in Limburg en Noord-Brabant. In godsdienstig opzicht waren dat, zoals bekend, eeuwenlang provincies waar de rooms-katholieke kerk domineerde. Nog bij de volkstelling van 1960 liet 94,4 procent van de Limburgers en 89 procent van de Brabanders weten katholiek te zijn. Bij Tweede Kamerverkiezingen vertaalde zich dat in uitslagen waarbij de Rooms-Katholieke Staatspartij (RKSP) en, na de Tweede Wereldoorlog, de Katholieke Volkspartij (KVP) in Limburg en Brabant tekenden voor meer dan zeventig en soms zelfs meer dan tachtig procent van de stemmen.


Dat beide provincies feitelijk eenpartijstaten waren, viel op gemeentelijk niveau echter niet altijd te merken. Dat kwam doordat RKSP en KVP in met name kleinere Limburgse en Brabantse (plattelands)gemeenten dikwijls afzagen van deelname aan raadsverkiezingen en de plaatselijke politiek overlieten aan lokale lijsten en partijen. Zo viel er voor de bewoners toch nog iets te kiezen, en aangezien bijna iedereen belijdend katholiek was – óók de kandidaten van de diverse lokale lijsten en partijen – leverde het geen grote politieke en/of godsdienstige risico’s op.

Limburg en Brabant werden zo het walhalla van lokale politieke partijen. Daar kwam echter verandering in toen beide provincies vanaf de jaren zestig – net als de rest van Nederland – in de greep raakten van ontzuiling, secularisatie en ontkerkelijking. De PvdA en ook de VVD, die in 1966 in Limburg voor het eerst doordrong tot de Provinciale Staten, kregen nu in het katholieke zuiden vaste grond onder de voeten, ook in steeds meer gemeenteraden. Voor de KVP en – vanaf midden jaren zeventig – het CDA was dat reden om zich in Limburg en Brabant intensiever te gaan bemoeien met het lokale bestuur. De talrijke lokale lijsten en partijen werden het belangrijkste doelwit. In een groot aantal gemeenten werden ze door het CDA ‘overgenomen’, en waar dat niet lukte, werden ze voortaan bij raadsverkiezingen in elk geval door het CDA beconcurreerd. De strategie werkte, en leidde in beide provincies tot een forse verzwakking van de positie van lokale partijen, ten gunste van het CDA.

Als gevolg van deze ontwikkeling leek het in de jaren tachtig zo goed als afgelopen met de lokale politieke partijen. Alom werden ze beschouwd als een achterhaald, folkloristisch verschijnsel, horend bij het ‘Rijke Roomsche Leven’ van weleer. De altijd al veel minder talrijke lokale partijen bóven de grote rivieren hadden een minstens zo beduimeld en dorps imago: daar heetten ze meestal ‘Gemeentebelangen’ of ‘Lokaal Belang’ en werden ze – niet altijd ten onrechte – geassocieerd met winkeliers, kroegbazen en campinghouders wier grieven bij de plaatselijke VVD-afdeling kennelijk onvoldoende gehoor hadden gevonden. Geen politici, kortom, om heel erg serieus te nemen, zo luidde de communis opinio.


De grote omslag kwam bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1994. In tal van grote en kleine steden drongen toen plots allerlei ‘stadspartijen’ door tot de gemeenteraden. Niet zelden werd ze geleid door min of meer prominente oud-leden van landelijke politieke partijen. Zo kwamen bijvoorbeeld de lijsttrekkers van de Stadspartij Heerlen (zeven zetels), Leefbaar Hilversum (acht zetels) en de Stadspartij Rotterdam (twee zetels) uit de PvdA. Verder wonnen in Delft en Groningen studentenpartijen een zetel in de raad, terwijl in Tilburg, Maastricht, Hengelo en Eindhoven diverse lokale ouderenpartijen succes hadden.

Wat was er gebeurd? De meeste deskundigen waren het roerend met elkaar eens: de raadsverkiezingen waren door de kiezers massaal aangegrepen om hun ongenoegen te uiten over de ‘Haagse’ politieke partijen, de regeringspartijen CDA en PvdA voorop. De lokalo’s, die in totaal meer dan vierhonderd raadszetels wonnen, hadden van dat ongenoegen geprofiteerd en waren zo de facto protestpartijen geworden. De raadsverkiezingen van 1994 hadden, zo bezien, gezorgd voor een dubbele transformatie van de lokale partijen: door uit te waaieren over heel Nederland, tot in de Randstad toe, waren ze voor het eerst een nationaal verschijnsel geworden, en daarbij hadden ze zo ook nog eens een andere, eveneens nationale functie gekregen: als electorale bliksemafleiders voor de bij veel burgers heersende afkeer van ‘Den Haag’.

Bij de raadsverkiezingen van 1998 boekten de lokale partijen opnieuw winst, waarbij vooral het succes van Leefbaar Utrecht in het oog sprong: de partij kreeg in de Domstad in één klap de meeste stemmen, en negen zetels in de gemeenteraad. Weliswaar had een lokaal thema de verkiezingsstrijd gedomineerd – het zogenoemde Utrecht Centrum Project (UCP) – maar de winst van ‘Leefbaar’, zo concludeerden veel waarnemers, was toch in de eerste plaats te danken aan de mediagenieke lijsttrekker Henk Westbroek, tevens bekend als zanger, VARA-diskjockey en horeca-exploitant. De consequenties leken vérstrekkend: met behulp van een goedgebekte BN’er was het dus kennelijk mogelijk om in de vierde stad van het land het politieke establishment electoraal knock-out te slaan. En als zoiets kon bij gemeenteraadsverkiezingen, waarom dan niet ook op landelijke schaal, bij Tweede Kamerverkiezingen?


Samen met voormalig PvdA- en VARA-coryfee Jan Nagel, oprichter en boegbeeld van Leefbaar Hilversum, pakte Westbroek in maart 1999 de handschoen op: in bijzijn van een notaris werd ‘Leefbaar Nederland’ opgericht. Uit onvrede, zo lieten de twee initiatiefnemers weten, over de gevestigde landelijke politieke partijen, die het slechts om de macht zou gaan, en die bovendien lokale groeperingen zouden weren uit het gemeentelijk bestuur.

Nadat in juni 1999 een voorlopig plan van 25 punten was gepubliceerd – een weinig coherent samenraapsel van zowel linkse als rechtse stokpaardjes, concludeerde de pers – werd het echter stil rond de nieuwe partij. Dat veranderde pas in oktober 2001, toen partijvoorzitter Nagel aankondigde dat Pim Fortuyn bereid was gevonden om op te treden als lijsttrekker van Leefbaar Nederland bij de Kamerverkiezingen van mei 2002. De partij begon vervolgens in de opiniepeilingen aan een razendsnelle opmars, en hoewel het in februari 2002 kwam tot een voortijdige breuk tussen Leefbaar Nederland en Fortuyn, rolde er op 6 maart bij de gemeenteraadsverkiezingen een ware ‘leefbaarheidsgolf’ door het land. De ruim tachtig lokale partijen die zichzelf – niet zelden op het laatste moment – van het etiket ‘Leefbaar’ hadden voorzien, profiteerden uiteraard het meest, met Rotterdam, waar Fortuyn optrad als lijsttrekker, als grootste uitschieter. Maar ook plaatselijke lijsten waarboven, als vanouds, opschriften prijkten als ‘Gemeentebelangen’ of ‘Lokaal Belang’ werden door de kiezers massaal gebruikt om steun te betuigen aan ‘professor Pim’.

Hoe kwetsbaar veel lokale partijen zich hadden gemaakt door aan te haken bij de leefbaar- en Fortuyn-rage, bleek bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2006, toen ze de rekening kregen gepresenteerd voor alles wat er op het Binnenhof met Leefbaar Nederland en (vooral) de LPF was misgegaan. Het leek een wijze les: lokale partijen die zich gedragen als plaatselijke ‘filiaalhouders’ van een landelijke protestbeweging, worden bij gemeenteraadsverkiezingen keihard op de vingers getikt als de Haagse boegbeelden van dat protest er een potje van maken. Grote voorzichtigheid leek dus voortaan geboden.


Toch lijkt die wijze les anno 2010 nog niet bij alle lokale partijen te zijn doorgedrongen. Want met dezelfde gretigheid waarmee veel lokalo’s acht jaar geleden op de bagagedrager van Fortuyn sprongen, lijken ze nu te willen aanhaken bij het succes van de PVV. Door op 3 maart alleen mee te doen aan de raadsverkiezingen in Den Haag en Almere, heeft de partij van Geert Wilders in de resterende 392 gemeenten een reusachtig electoraal gat laten vallen. De verleiding om daar als lokale partij in te springen blijkt in de praktijk moeilijk te weerstaan. En dus wemelt het bij de aanstaande gemeenteraadsverkiezingen van lokale ‘kloonpartijen’ van de PVV, zoals de Spakenburgse Vrijheidspartij, Forza Haarlemmermeer, Sociaal Rechts Haarlemmermeer, de Partij Vrij Groningen (PVG), de Partij Vrij Almelo (PVA) en de Partij Vrij Utrecht (PVU). Net als Wilders pleiten ze voor een hardere aanpak van criminaliteit, meer orde en gezag, en zijn ze wars van ‘achterkamertjespolitiek’ en subsidies voor ‘linkse hobby’s’ als milieu en kunst.

Voor de PVG, PVA en PVU geldt bovendien dat ze, net als de PVV, een partijlogo voeren met een vogel. Voor de PVG komt daar nog bij dat lijsttrekker Matthijs Jansen (“Voor aparte islamitische scholen is in Groningen geen plaats”) een ex-stagiair is van de PVV-Tweede-Kamerfractie. Eveneens pikant: lijstaanvoerder Wim Vreeswijk van de Partij Vrij Utrecht was voorheen actief voor de Centrumpartij, de Centrumdemocraten en het Nederlands Blok, een soort zelfbenoemde zusterpartij van het voormalige Vlaams Blok van Filip Dewinter. Met de campagneslogan ‘PVV Wilders doet niet mee, de PVU wel!’ probeert hij nu opnieuw garen te spinnen bij het succes van een politieke geestverwant.


Hoewel het bepaald niet denkbeeldig is dat de kloonpartijen van de PVV op 3 maart een fors aantal raadszetels in de wacht slepen, lopen de lokalo’s die voor deze ‘kopieerstrategie’ hebben gekozen, een minstens zo groot risico als de partijen die zich in 2002 opwierpen als plaatselijke epigonen van Fortuyn. Want wat als de PVV – in navolging van de LPF – in Den Haag in het ongerede raakt? De raadsverkiezingen van 2014 zijn weliswaar nog ver weg, maar over het electorale lot van de diverse ‘vrijheidspartijen’ hoeven we ons dan weinig illusies te maken.

Terwijl het dus ook anders kan. Want voor lokale partijen die duurzaam succes willen hebben, is er een heel eenvoudig recept. Om nogmaals de website van de VPPG te citeren: “Lokale partijen bestaan op eigen krachten en staan voor hun lokale zaak. Deze grondwettelijke onafhankelijkheid stelt de lokale politieke partij in staat om, beter dan de afdelingen van landelijke partijen, eigen gemeentelijk beleid te realiseren, los van politieke landelijke partijbelangen.”

Kort en goed: de theorie is er, nu de (lokale) praktijk nog.

In drie Nederlandse gemeenten deed in 2006 geen enkele landelijke partij mee aan de raadsverkiezingen: Schiermonnikoog, Lith en Rozendaal.

Alle raadszetels zetels gingen bijgevolg naar lokale partijen. In Schiermonnikoog en Rozendaal laten de landelijke partijen het op 3 maart opnieuw afweten; Lith is een van de 29 gemeenten waar de raadsverkiezingen zijn uitgesteld vanwege een herindeling.

In De Bilt (6,4 procent), Brielle (6,7) en Wageningen (6,8) deden de lokale partijen het in 2006 het slechtst. In de Utrechtse gemeente De Ronde Venen leden ze, vergeleken met de uitslag van 2002, het grootste stemmenverlies: min 34,5 procent.


Terwijl Leefbaar Rotterdam tekende voor bijna dertig procent van de stemmen, bleef Leefbaar Amsterdam bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2006 steken bij 1,3 procent. Vader en zoon Henk Bakker, de twee schilderachtige boegbeelden van de partij, verloren zodoende beiden hun raadszetel. Misschien niet zo verwonderlijk, want de ‘Bakker-fractie’ bleek op kosten van de gemeente twee kostuums te hebben aangeschaft voor duoraadsleden en ook was er elfduizend euro gedeclareerd voor een advocaat in een privézaak. Bakker senior, tevens bekend als meubelhandelaar, overleed in 2008, maar junior zint op 3 maart op een comeback en is opnieuw lijsttrekker van de Amsterdamse leefbaren.

Het CDA, toch de grootste partij van het land, slaagde er in 2006 niet in een zetel te bemachtigen in de deelraad van Amsterdam-Centrum. Lijsttrekker Michael Veling beschikte dan ook niet bepaald over een typisch CDA-profiel: hij is eigenaar van een coffeeshop. Jan de Vries, de nieuwe CDA-lijsttrekker in de Amsterdamse binnenstad, heeft een wat bravere achtergrond: hij verdient zijn brood als salarisadministrateur.

Roelof Bouwman