Naar de Koningin!

Crisis op het Binnenhof – het is weer raak de laatste weken, maar we hebben het de afgelopen halve eeuw natuurlijk vaker gezien. In menig geval kwam de dikwijls triviale aanleiding voor de kabinetsbreuk voort uit onderling wantrouwen en persoonlijke afkeer. Een overzicht van lessen die niet werden getrokken.

Na jaren van rooms-rode regeringssamenwerking onder leiding van PvdA-boegbeeld Willem Drees gingen de confessionele partijen in mei 1959 weer eens in zee met de liberale VVD. De Brabantse commissaris van de Koningin Jan de Quay (KVP) werd bereid gevonden om premier te worden. In december 1960 ging zijn regeringsploeg echter onderuit als gevolg van de zogenoemde bouwcrisis. Inzet was de wens van regeringspartij ARP om het door de overheid gesubsidieerde woningbouwprogramma uit te breiden van 65.000 tot 70.000 woningen. Een door de ARP-fractie ingediende motie van die strekking werd met steun van de linkse oppositie aangenomen, zeer tegen de zin van het kabinet, met inbegrip van de ARP-ministers Jan van Aartsen (Volkshuisvesting) en Jelle Zijlstra (Financiën), die dreigend sprak van ‘65.000 woningen en geen dakpan meer’.

Informateur W.F. de Gaay Fortman (óók ARP) wist de breuk vrij snel te lijmen: er kwamen niet 5000 maar 2500 extra huizen. De bouwcrisis is sindsdien de geschiedenis ingegaan als een conflict dat, goed beschouwd, niet draaide om woningen, maar om een uit de hand gelopen machtsstrijd binnen de ARP. Ook gaat nog altijd het hardnekkige gerucht dat het overmoedige optreden van de antirevolutionaire Tweede-Kamerfractie – waar volgens toenmalig VVD-leider Pieter Oud een sfeer heerste ‘zoals in een kleedkamer tijdens een voetbalinterland’ – zou zijn ingegeven door overmatige drankconsumptie. Vandaar dat de bouwcrisis ook wel bekend staat als de ‘jenevercrisis’.

Na het kabinet-De Quay trad in juli 1963 opnieuw een centrum-rechtse regering aan, ditmaal onder leiding van de katholieke ex-minister van Landbouw Victor Marijnen. In februari 1965 zorgde het kabinet voor een enorme primeur, door als ’s werelds eerste – en tot dusverre enige – landsregering te struikelen over wat destijds het ‘radio- en televisievraagstuk’ werd genoemd.


De directe aanleiding: in september 1964 was TV Noordzee met uitzenden begonnen, een commerciële omroep die opereerde vanaf het zogenoemde REM-eiland, een buiten de territoriale wateren gelegen olieplatform van scheepsbouwer Cornelis Verolme. In december 1964 werd de zendinstallatie van TV Noordzee door de rijkspolitie en de PTT verzegeld, maar de speciale ‘anti-REM-wet’ die dat mogelijk had gemaakt, had in de Tweede Kamer niet de steun gekregen van regeringspartij VVD. Toen de ministerraad er vervolgens niet in slaagde om uitvoering te geven aan een KVP-motie waarin het kabinet werd gevraagd een nota over een nieuw omroepbestel te presenteren, diende Marijnen op 27 februari 1965 zijn ontslag in.

Nieuwe verkiezingen kwamen er niet, een nieuw kabinet echter wel: de VVD- en CHU-ministers werden simpelweg vervangen door bewindslieden van PvdA-huize en Marijnen werd als premier opgevolgd door zijn partijgenoot Jo Cals. Een electorale afstraffing voor het uit de lucht halen van de populaire programma’s van TV Noordzee werd zo afgewend. Over de toekomst van de omroep werden de nauw met het verzuilde Hilversumse bestel verbonden KVP, PvdA en ARP het snel eens: commerciële televisie bleef in Nederland taboe.

De KVP’er Cals zat pas anderhalf jaar in het zadel toen zijn centrum-linkse kabinet in de nacht van 13 op 14 oktober 1966 werd gevloerd door KVP-fractievoorzitter Norbert Schmelzer, die een motie indiende waarin de regering dringend werd verzocht een behoedzamer financieel beleid te voeren. De progressieve katholiek Cals – anders dan Schmelzer een principieel voorstander van regeringssamenwerking met de socialisten – liet weten dat hij de motie interpreteerde als een uiting van wantrouwen tegen de koers van zijn kabinet. Toen de motie met vier tegenstemmen uit de KVP-fractie maar met de steun van een aantal rechtse oppositiepartijen werd aangenomen, diende hij dan ook zijn ontslag in.


De val van het kabinet-Cals was misschien wel in de eerste plaats een symptoom. Het maakte zichtbaar dat binnen de KVP voor- en tegenstanders van coalitievorming met de socialisten bereid waren de zaak hard te spelen. De PvdA greep dat gegeven in de daarop volgende jaren dankbaar aan voor het uitzetten van een nieuwe strategie, gericht op het verder polariseren van de politieke verhoudingen, in de hoop dat de confessionele partijen zo uit elkaar zouden vallen.

De onfortuinlijke Cals werd in november 1966 opgevolgd door de ARP’er Jelle Zijlstra, onder wiens aanvoering een minderheidskabinet van KVP en ARP aantrad. Na de vervroegde Kamerverkiezingen van februari 1967 werd het kabinet aangevuld met de VVD en de CHU en werd de KVP’er Piet de Jong premier. Voor een aantal progressieve KVP’ers was dat nieuwe centrum-rechtse kabinet de druppel die de emmer deed overlopen: in 1968 richtten ze de Politieke Partij Radikalen (PPR) op.

Bij de Tweede-Kamerverkiezingen van april 1971 sleepte de nieuwe partij Democratisch Socialisten ’70 (DS’70), een behoudende afsplitsing van de PvdA, acht zetels in de wacht. De debutanten kregen meteen regeringsverantwoordelijkheid te dragen, in een centrum-rechts kabinet onder leiding van de ARP’er Barend Biesheuvel. Maar al in juli 1972 ging het mis: na een zes dagen durende vergadermarathon over de rijksbegroting voor 1973, weigerden de twee DS’70-ministers, Willem Drees junior (een zoon van de oud-PvdA-premier) en jonkheer Maurits de Brauw, akkoord te gaan met een door premier Biesheuvel geformuleerd eindvoorstel, dat onder meer voorzag in forse ombuigingen op de begroting van Verkeer en Waterstaat. Drees, minister op dat departement, vond die bezuinigingen onacceptabel zolang niet eerst het loon- en prijsbeleid werd aangepakt.


Biesheuvel reageerde bijna opgelucht op het vertrek van de twee DS’70- bewindslieden, die zowel vanwege hun eigenwijsheid als hun gebrek aan politieke ervaring van meet af aan uit de toon waren gevallen in zijn ministersploeg. Als premier van een minderheidskabinet regeerde hij vrolijk verder, in de verwachting dat hij bij de vervroegde Kamerverkiezingen van november 1972 zijn electorale gelijk zou halen. Helaas voor Biesheuvel liep het anders: de vier partijen uit zijn minderheidskabinet (ARP, KVP, CHU en VVD) bleven steken op zeventig zetels. Met de politieke carrière van ‘mooie Barend’ was het daarna afgelopen. Met de ‘brekers’ van DS’70 trouwens ook: de partij zou nooit meer regeringsverantwoordelijkheid krijgen en verloor in 1981 haar laatste Kamerzetel.

Formeel kwam aan het eerste – en laatste – kabinet-Den Uyl na bijna vier jaar een einde vanwege een verschil van inzicht tussen vice-premier Dries van Agt en premier Joop den Uyl over de grondpolitiek. Maar als het dat niet was geweest, dan waren ze waarschijnlijk later gevallen op de VAD (de vermogensaanwasdeling) of nog iets anders. In het voorjaar van 1977 waren de verhoudingen tussen de sociaaldemocraten, de katholieken en de antirevolutionairen tot ver onder het vriespunt bekoeld. Later zou Van Agt dat in een interview met Volkskrant-journalist Jan Hoedeman wijten aan het ‘ideologisch gedram’ van met name Joop den Uyl, en de ‘pogingen tot marginalisering van de christendemocratische ministers’. Politiek bondgenoot en destijds oppositieleider Hans Wiegel (VVD) oordeelde in 1985 in een boek van John Jansen van Galen en Bert Vuijsje: “Het is natuurlijk buitengewoon onverstandig hoe Van Agt als vice-premier in die kabinetsperiode is bejegend. Daar is de kiem gelegd voor het eind van Den Uyls premierschap.”


Na de val van Den Uyl bleef zijn kabinet demissionair tot de al geplande verkiezingen in mei. De verkiezingsstrijd was ongekend hard en leverde de PvdA tien zetels winst op. Maar de uitslag maakte een combinatie van het inmiddels opgerichte CDA en D66 in eerste instantie onvermijdelijk. Van 25 mei tot 11 november 1977 probeerden CDA en PvdA het eens te worden. Merkwaardig genoeg werden ze dat over de grondpolitiek al heel snel. De kille persoonlijke verhoudingen tussen Den Uyl en Van Agt wreekten zich echter. Uiteindelijk kwam er iets tot stand wat op een akkoord leek, maar de partijraad van de PvdA wees dat af. Daarmee was de weg vrij voor het eerste kabinet-Van Agt, met de VVD van Hans Wiegel, dat tijdens een beroemd geworden etentje in het Haagse Bistroquet werd beklonken.

In een jaar tijd (tussen 26 mei 1981 en 12 mei 1982) kwamen er twee kabinetten tot stand die de naam van Dries van Agt droegen en waarin CDA en PvdA wederom aantoonden niet voor elkaar bestemd te zijn. Na de verkiezingen van 1981, waarbij Van Agt en Wiegel hun krappe meerderheid van 77 zetels verloren, waren CDA en PvdA (en D66) opnieuw op elkaar aangewezen, en opnieuw waagden Van Agt en Den Uyl (en D66-voorman Jan Terlouw) een poging tot samenwerking. Ze werden het zowaar eens in de formatie, maar nog voor de regeringsverklaring moest worden afgelegd, viel het tweede kabinet-Van Agt al over de financiering van het banenplan, het speeltje van superminister Den Uyl, die belast was met sociale zaken én werkgelegenheid. Het breukje werd gelijmd, maar niet voor lang. Tegen de achtergrond van snel oplopende werkloosheid (meer dan een kwart miljoen) ontstond er achtereenvolgens ruzie over wel (PvdA) of geen (CDA) stijging van het financieringstekort en over de deelname van PvdA-ministers aan de demonstratie in Amsterdam tegen plaatsing van kruisraketten. Tot overmaat van ramp voerde Joop den Uyl bezuinigingen door op de Ziektewet, en dat viel niet uit te leggen aan de van woede kolkende achterban.


In het voorjaar van 1982 hielden de PvdA-ministers het ten slotte voor gezien, omdat zij meer geld wilden voor Den Uyls werkgelegenheidsplannen dan in de voorjaarsnota was voorzien. Van Agt-II viel, maar met steun van de D66-ministers lukte het nog een derde kabinetje te vormen, dat als belangrijkste taak kreeg lopende zaken af te handelen en nieuwe Tweede-Kamerverkiezingen voor te bereiden.

Wat nu de weeffout was van Van Agt-II en -III? In zijn politieke dagboek Naar zeventien zetels en terug (1983) schrijft Jan Terlouw: “Ik had in ieder geval nooit mogen instemmen met Joop den Uyl op Sociale Zaken. Ik voelde in mijn botten dat er een hoop narigheid uit zou voortkomen. (-) Natuurlijk, als ik nee was blijven zeggen waren er grote problemen ontstaan. (-) Maar toch… de grootste fout van mijn politieke loopbaan.”

Bijna twee volle termijnen was CDA-premier Ruud Lubbers aan de macht, toen zijn kabinet met de VVD in 1989 struikelde over het reiskostenforfait. Lubbers wilde dat belastingvoordeeltje voor de forens afschaffen, om zo ruim een miljard gulden te besparen. Maar de VVD-fractie, altijd tuk op lastenverlichtingen voor de hardwerkende burger, zag daar niets in, en greep het geschil in het voorjaar van 1989 aan om het kabinet op te blazen. De zeven jaar onder ‘Macher’ Lubbers waren voor de VVD steeds meer een beproeving geworden. Vooral in de Kamerfractie, met jonge honden als Frank de Grave en Robin Linschoten, groeide de ergernis over de dominantie van het CDA en vooral van de rooms-katholieke premier.

Memorabel is het Kamerdebat van 2 mei 1989, waarin VVD-fractieleider Joris Voorhoeve, aangespoord door een getergde Frank de Grave, de confrontatie zocht met Lubbers en hem uiteindelijk in het stof liet bijten. Het verleidde PvdA-fractieleider Wim Kok tot de uitlating dat behalve 1 mei voortaan ook 2 mei een feestdag moest worden. Het debat zou nog meer slachtoffers eisen: Frank de Grave droeg tijdens het cruciale debat een microfoontje op zijn revers voor het VPRO-programma Belevenissen. De televisiebeelden toonden een schutterende Joris Voorhoeve, de VVD-fractieleider, die zich volkomen liet regisseren door wat De Grave en Linschoten hem influisterden. Voorhoeve verruilde vervolgens de politiek voor het instituut Clingendael. Na de vervroegde Kamerverkiezingen bleek het reiskostenforfait in de formatie geen enkel beletsel te vormen voor het derde kabinet-Lubbers, nu met de PvdA en Wim Kok. Lubbers-III is met 1749 dagen nog altijd het langst zittende kabinet sinds de Tweede Wereldoorlog.


Dat zullen we niet gauw vergeten: het uitgestreken gezicht waarmee VVD-senator Hans Wiegel ‘neuh’ zei tijdens een cruciale stemming in de Eerste Kamer. Daarmee torpedeerde hij in zijn eentje een grondwetsherziening die bedoeld was een oude wens van D66 te realiseren: het correctieve referendum.

Het was een politiek drama op het scherp van de snede dat zich in de nacht van 18 op 19 mei afspeelde in de doorgaans zo bezadigde Eerste Kamer. Het was vooraf al duidelijk dat het een close call zou worden: bij de eerste stemronde, een jaar eerder, hadden vijf VVD-senatoren al tegen gestemd – onder wie Hans Wiegel. Deze keer zou één tegenstemmende VVD’er fataal zijn. De druk op de twijfelaars werd opgevoerd, premier Kok verscheen ten tonele, minister Bram Peper van Binnenlandse Zaken verdedigde het referendum met verve. Maar na een debat van zestien uur bleek er nog één halsstarrige liberaal te zijn. Dat was Wiegel, van huis uit zowel een principieel tegenstander van staatsrechtelijke vernieuwingen als van de in 1994 tot stand gekomen ‘paarse’ regeringssamenwerking tussen VVD en PvdA.

De dag na de ‘Nacht van Wiegel’ werd de schade opgemaakt. Premier Kok meldde de val van zijn kabinet bij de koningin. Onder leiding van informateur Herman Tjeenk Willink kwamen de fractievoorzitters van de regeringspartijen er enkele weken later toch weer uit: D66 kon zich vinden in een tijdelijke referendumwet. Die maakt een volksraadpleging mogelijk waarbij het parlement alsnog het laatste woord heeft. Zo wilde D66, dat de koffers al bijna had gepakt, toch wel binnenboord blijven.


De formulering die premier Kok in april 2002 hanteerde voor het indienen van zijn ontslag, kende een hoog Lubberiaans gehalte: Nederland droeg wel medeverantwoordelijkheid, maar had geen schuld aan het Srebrenica-drama. Kok sprak naar aanleiding van de bevindingen van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD) over de toedracht van de massamoord in 1995 in het Bosnische plaatsje Srebrenica en de twijfelachtige rol die het Nederlandse VN-bataljon (Dutchbat) daarbij had gespeeld. Hoewel de politieke beslissing om Nederlanders naar Bosnië te sturen al in 1993 was genomen, door onder anderen PvdA-minister Relus ter Beek in het kabinet-Lubbers III, kon Kok bijna tien jaar later niet anders dan namens zowat de hele natie het boetekleed aan te trekken. Want wat er maar mis kon gaan in Srebrenica, ging mis, oordeelde het NIOD: de missie kende een uiterst vaag mandaat, de troepen waren onvoldoende opgeleid en uitgerust om de lokale bevolking te beschermen. Daarnaast hekelde het NIOD de latere rol van Kok bij de verschillende pogingen tot onderzoek naar de tragedie: de minister-president had ‘niet zwaar op zijn regiefunctie’ ingezet.

Soortgelijke kritiek had Kok drie jaar eerder ook al gekregen tijdens de parlementaire enqute over de Bijlmerramp. Maar in het Kamerdebat dat volgde op het besluit om naar de koningin te stappen, probeerde hij een wantrouwende CDA-fractieleider Jan Peter Balkenende ervan te overtuigen dat de reikwijdte van een minister-president beperkt is. “Hij is een primus inter pares, niets meer en niets minder.”

Negen dagen na de moord op de charismatische Pim Fortuyn betraden diens volgelingen de politieke arena in Den Haag. Ze bleken in staat het gedachtegoed van hun leider in rap tempo te verkwanselen. Het gezelschap liet een spoor van uiterst gnant gekonkel en geruzie achter. Het ging mis tussen de 26 LPF-Kamerleden onderling – twee fractieleden splitsten zich af -, tussen het bestuur en de fractie, en ook nog tussen de LPF-bewindslieden. De LPF-ministers Eduard Bomhoff (Volksgezondheid) en Herman Heinsbroek (Economische Zaken), beiden gezegend met een overontwikkeld ego, konden elkaar wel schieten.


Over schieten gesproken: toen de volgens critici ‘dictatoriale’ LPF-fractievoorzitter Harry Wijnschenk aan CDA-fractievoorzitter Maxime Verhagen vertelde dat hij met een pistool was bedreigd door een collega-Kamerlid, was voor coalitiegenoten CDA en VVD de maat vol. Na 87 dagen viel het eerste kabinet-Balkenende. De nog onervaren premier was niet in staat gebleken de teugels binnen zijn regeringsploeg strak te houden, maar bovenal was pijnlijk duidelijk geworden dat de Lijst Pim Fortuyn maar één leider kon hebben: Pim Fortuyn zelf.

Voor de argeloze buitenstaander waren de details van de kwestie rond het Nederlandse paspoort van de Somalische Ayaan Hirsi Ali in mei en juni 2006 amper nog te volgen. Het VVD-Kamerlid had gelogen over haar achtergrond, haar naam en haar geboortedatum om Nederland binnen te komen, iets wat ze overigens zelf al eens had toegegeven. Maar minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie Rita Verdonk wilde het toch nog allemaal eens laten uitzoeken. Haar conclusie: de naturalisatie van Ayaan Hirsi Ali moest nietig worden verklaard. Dat ging veel partijen te snel en te ver. Wilde ‘ijzeren’ Rita zich soms profileren in de strijd om het lijsttrekkerschap van de VVD?

Uiteindelijk kwam er van regeringszijde een verklaring waarin Hirsi Ali moest ‘betreuren’ dat ze de minister had misleid. Dat ‘betreuren’ ging te ver, vonden veel Tweede-Kamerfracties. In een debat in het holst van de nacht versprak premier Balken- ende zich: die passage was erin gezet omdat Verdonk er dan mee kon leven. Ergo: de verklaring was Hirsi Ali door de strot geduwd.


Dat was te veel voor coalitiepartij D66. Verdonk moest weg. Fractievoorzitter Lousewies van der Laan steunde een GroenLinks-motie van afkeuring tegen het kabinet. De volgende dag stapten de D66-bewindslieden uit de regering. Er restte premier Balkenende niets anders dan ook het ontslag van de andere ministers aan te bieden aan de koningin. Ayaan Hirsi Ali had toen al bekend gemaakt dat ze het parlement zou verlaten. Later dat jaar vertrok ze naar de Verenigde Staten.

Roelof Bouwman, Frans van Deijl en Mark Traa