Een fantastisch jachtterrein

Vincent Icke (1948) is hoogleraar theoretische astrofysica, bijzonder hoogleraar kosmologie, beeldend kunstenaar en publicist. Hij groeide op in De Bilt en Bilthoven.

Het buurtje in De Bilt waar Vincent Icke de eerste tien jaar van zijn jeugd doorbracht, was nogal pover. De meeste mensen hadden weinig te makken en de sfeer was er ruw – op straat kon je als kind gemakkelijk klappen krijgen. En zeker als buurtgenootjes je maar een rare vonden, omdat je zo’n wijsneus was die op zijn vierde al kon schrijven en die de eerste klas van de lagere school mocht overslaan. Hij werd dan ook regelmatig achternagezeten; het was maar goed dat hij zo hard kon rennen en alle sluipweggetjes tussen school en huis kende.

Zelf hadden de Ickes het ook smalletjes. Vincent en zijn broer Frans deelden samen een step tot ze die letterlijk in stukken reden. Op zijn elfde kreeg Vincent Icke zijn eerste fiets. “Het was arm, maar niet erg,” zegt hij. “Dat kwam deels door het feit dat voor mijn ouders geld en bezittingen niet erg telden. Zij waren ook niet jaloers op mensen die het beter hadden.”

Daar kwam bij dat beide ouders bijzonder vindingrijk waren en ook met een paar stuivers iets van het gezinsleven wisten te maken. Moeder was tot haar huwelijk kinderjuf geweest bij welgestelde mensen die haar meenamen op buitenlandse vakanties en bij wie ze veel ideeën had opgedaan. Ze was heel handvaardig, creatief met spelletjes en kon goed zingen. Haar bedrevenheid in origami droeg ze over op haar zoon Vincent, die daar nog steeds aardigheid in heeft.

Vader Icke, een vaardig kunstschilder en illustrator die pas laat succes kreeg als animator voor Toonder Studio (waar hij onder andere Loeki de Leeuw maakte), had twee rechterhanden. Hij leerde zijn twee zoontjes en dochtertje van niets iets te maken. Met afgebrande lucifers en lijm fabriceerden de kinderen een tweekleurig tableau. Bij een drukkerijtje haalden ze afsnijdsels in verschillende kleuren en kwaliteiten, waarmee ze mandjes vlochten en scheepjes in elkaar knutselden. En als ze ’s zomers voor een habbekrats vakantie vierden in Katwijk, toentertijd een arm vissersdorp met de sfeer van Heijermans’ Kniertje, zwierven ze onbelemmerd van Katwijk tot Noordwijk door de duinen en over het strand, versleten in een paar weken een schep met de bouw van zandkastelen en zochten naar zwerfgoed waarmee ze vliegers konden maken. De broertjes stelden er eer in om zowel bij het lichtste als bij het zwaarste weer te kunnen vliegeren; zo wisten ze op een zoele, windstille dag een Japans ogend zweeftoestel van bamboe en papier de lucht in te krijgen. Dat was geen armoe – het was rijkdom.


Er werd veel gelezen in huize Icke, vooral moderne literatuur. Vader was buitengewoon dol op Willem Elsschot, die hij zowat uit zijn hoofd kende en om de haverklap aanhaalde. Als het zo van pas kwam, citeerde hij bijvoorbeeld graag Boorman uit Lijmen: “En ik beloof u vrijblijvend, goede vriend, dat wij eventueel misschien bijna niets van uw baard zullen afnemen.” Dat had hij van zijn eigen vader, een klassieke schoolmeester die een talent voor wiskunde paarde aan een grote belangstelling voor talen en graag reciteerde uit Shakespeare of de Camera Obscura. Hij verklaarde zijn kleinzoon Vincent wiskundige problemen en daagde hem uit een stelling van een nieuw bewijs te voorzien.

Gaandeweg versomberde vader Icke. Hij vond dat na zijn 35ste zijn leven alleen maar bergafwaarts was gegaan en werd op zijn oude dag een verbitterde, onhandelbare man. De vader uit Vincent Ickes jeugd was bovenal stronteigenwijs, kritisch en uitgerust met een scherpe kunstzinnige blik. Daar heeft de zoon naar eigen idee wel het een en ander van geërfd.

Verder vond hij zijn ouders nogal modern. De geest van de tijd was er een van regels en gehoorzaamheid, maar de Ickes hielden hun kinderen voor dat zij op de wereld waren om te ontdekken, te proberen, uit te zoeken, te veranderen en zich te ontwikkelen. “Je best doen was een belangrijk thema bij ons thuis,” zegt Icke. “We leerden ook dat het niet fatsoenlijk was van anderen meer te eisen dan van jezelf.”

En Vincent Icke dééd zijn best. Als hij op school zijn werk al vroeg af had, omdat de leerstof hem kwam aanwaaien, mocht hij een greep doen uit de boekenkast. Hij verslond boeken, vooral over ontdekkingsreizen en vliegtuigen. En aangezien het leeuwendeel van de luchtvaartlectuur Engelstalig was, leerde hij zichzelf met hulp van zijn opa Engels.


Doordat hij in juli jarig was en een klas had overgeslagen, was hij nog maar een broekie toen hij naar het lyceum ging – en ook toen hij als net zestienjarige gymnasium bèta afrondde. Die positie maakte hem wat in zichzelf gekeerd.

Intussen had het gezin een huis gevonden in welgesteld Bilthoven. Had hij het in de ogen van de straatschoffies in De Bilt als boekenwurm hoog in de bol, voor de kak van Bilthoven was hij als zoontje van een armlastige kunstenaar te min. Toen hij een tennistoernooitje won, siste een dame hem met deftige dictie toe: “We schamen ons voor jou, jongen.”

Het lyceum was ondermaats in exacte vakken, maar excellent in talen. Het werkte complementair op zijn belangstelling voor wis- en natuurkunde en bracht hem cultureel besef en plezier in het beheersen van andere talen bij.

Maar zijn grootste fascinatie was en bleef de vraag hoe de natuur werkt en in elkaar steekt, hoe het zit met de sterren en de zon, waarom er miljoenen diersoorten op aarde zijn, hoe een vogel vliegt en een vis zwemt: een fantastisch en immens jachtterrein. Van jongsaf had hij een belangstelling voor mechanismes. Neem een fietsketting: een geweldige uitvinding. Of een iPhone. En soms mengen zijn belangstelling voor mechaniek en de jeugdlessen in handvaardigheid zich. Zo heeft hij aan al zijn huizen meegebouwd en probeert hij technische problemen met de auto of de tv zelf op te lossen.

Toen hij dan op zijn zestiende zijn eerste colleges wiskunde volgde, had hij het gevoel dat de rest van zijn leven was begonnen. Samen met tweehonderd andere studenten kreeg hij lineaire algebra van prof. Freudenthal. Hij stelde de hoogleraar een vraag en Freudenthal pakte een krijtje en begon een formule op het bord te schrijven. Icke: “De tranen sprongen me werkelijk in de ogen: sjonge, wat was dat knap. En bijna al mijn docenten waren van dat kaliber. Ik dacht: ik ga hier nooit meer weg, deze wereld is voor mij uitgevonden, ik word wetenschapper.”


Volgende keer: de honderdste en laatste aflevering van Jonge Jaren. Plus een terugblik op de serie.

Matt Dings