‘Ik volg mijn fascinatie’

Joost Zwagerman wilde als schoolkind schilder worden, geen schrijver. Niet voor niets speelt de novelle die hij schreef als Boekenweekgeschenk zich af in een museum. Een gesprek over jongensdromen, engagement in de literatuur en zijn eeuwige liefde voor de kunst. ‘Er blijft altijd die fractie van ademloze verbijstering en verbazing.’

De verjaardagsslingers voor het partijtje van zijn zoon Koen hangen nog in de woonkamer. Vermoeid en een beetje koortsig verwelkomt Joost Zwagerman (1963) mij in zijn huis in Amsterdam Oud-Zuid. “Ik heb een griepje,” zegt hij. “Waarschijnlijk een paar dagen geleden in Londen opgelopen.” Hij excuseert zich, gaat zich opknappen en keert even later voorzien van paracetamol en koffie terug.

Dit jaar is hij de schrijver van het Boekenweekgeschenk Duel, een korte roman die leest als een vermakelijke slapstick over een museumdirecteur en zijn wereldvreemde restaurator die een verdwenen topwerk van de Amerikaanse kunstenaar Mark Rothko proberen te redden. Een rebelse en anarchistische kunstenares heeft het doek op slinkse wijze gestolen uit het museum om het schilderij een tournee langs Europese scholen en bejaardenhuizen te laten maken. Langzamerhand gaat de museumdirecteur sympathie koesteren voor haar idealistische actie om de beroemde Rothko te bevrijden uit ‘de gouden kooi van het museum’ en weer terug te geven aan de mensen.

Duel is het eerste fictieboek van Zwagerman sinds 2002. Na de moord op Pim Fortuyn, zijn interview met Ayaan Hirsi Ali in het VPRO-programma Zomergasten (2004) en de moord op Theo van Gogh – die zijn roman Vals licht verfilmde en met wie hij in de jaren negentig aan een scenario werkte – drong de maatschappelijke werkelijkheid sterk zijn persoonlijke leven binnen. “Mede daardoor was ik erg geneigd me te mengen in het debat,” memoreert hij. “De onrust in de samenleving kwam ineens onthutsend concreet nabij, bijna op het fysieke af. Door die ervaring had het iets onnatuurlijks en ontsierends om dan een roman te schrijven.”


In diezelfde periode werd zijn derde kind geboren. Plotseling sloeg de vrolijke chaos in huize Zwagerman toe en was het niet meer zo eenvoudig om een schrijfdag te plannen. “Als je drie heel jonge kinderen hebt, is het al een wonder als je een schrijfdag hébt. Bovendien is het werk van mijn vrouw heel veeleisend,” zegt hij. “Met kinderen moet je de tering naar de nering zetten, en wat dan wel kan is schrijven op de korte baan, zoals verhalen, gedichten en essays.”

De magisch-realistische roman waar hij toen mee worstelde, liet zich niet schrijven, en hij werkte hem ten slotte om tot het verhalend gedicht Roeshoofd hemelt (2005), dat met de Paul Snoek Poëzieprijs werd onderscheiden. Ook schreef hij talloze columns en essays voor de Volkskrant, Vrij Nederland en NRC Handelsblad, die verzameld werden in bundels als Het vijfde seizoen (2003) en Transito (2006), dat de shortlist van de AKO Literatuurprijs haalde.

Daarnaast publiceerde hij pamfletten als De schaamte van links (2007), waarin hij pleitte voor een terugkeer naar de oude sociaal-democratische idealen, en stelde hij een drietal spraakmakende bloemlezingen samen, zoals De Nederlandse en Vlaamse literatuur vanaf 1880 in 200 essays (2008). Twee jaar geleden ontving hij de Gouden Ganzenveer voor ‘zijn uitzonderlijke bijdrage aan de Nederlandse geschreven cultuur’. Deze week verschijnt Beeld verplaatst, teksten bij het werk van kunstenaars die hij de afgelopen twintig jaar ontmoette.

Was het schrijven van het Boekenweekgeschenk moeilijk na al die jaren van kortebaanwerk?

“Het was juist een feest om te doen. Toen ik gevraagd werd, wist ik al meteen dat ik het idee kon gebruiken waar ik al jaren mee liep. Dat was de sluiting van het Stedelijk Museum en het besluit van oud-directeur Gijs van Tuyl om tijdelijk in een gedeelte van de nieuwe vleugel te trekken. Ik fietste in die tijd meer dan eens speciaal naar het museum en zag dan licht branden in die nieuwe vleugel. Er kwamen jongensboekdromen bij me naar boven. Night at the Museum, maar dan in een verlaten museum! Ga je door de zalen fietsen, ga je wat geks doen als je daar woont? Dat prikkelde mijn verbeelding.” Duel gaat toch ook over de krankzinnige marktwaarde van topkunst?


“Een andere inspiratiebron voor Duel vormt een anekdote over een miljonair aan de westkust van de Verenigde Staten die een Picasso voor veertig miljoen dollar ging verkopen. Voordat het zover was, gaf hij een diner aan zijn vrienden en intimi om afscheid te nemen van zijn dierbare kunstwerk. Het stond provisorisch op een ezel aan het hoofd van de tafel. Hij houdt een bevlogen verhaal over de Picasso, slaat per ongeluk door het kunstwerk heen en beschadigt het doek. De restauratie kostte ruim vierhonderdduizend dollar, en het schilderij werd daarna getaxeerd op achttien miljoen dollar. Als je weet dat daar een gat in heeft gezeten, biedt een collectioneur natuurlijk stukken minder. De eigenaar zei achteraf: ‘This was meant to be’ en ‘I was glad I was the one who did that.'” De kunstcriticus Robert Hughes beweert in de documentaire The Mona Lisa Curse dat het speculeren met kunst het museum tot een commercieel en lawaaierig instituut heeft getransformeerd. Ligt die gedachte ook ten grondslag aan het boek?

“Nee, de ideeën van Hughes zijn een beetje conservatief. Hij is eigenlijk een voorstander van het stille museum waar enkel fijnbesnaarde lieden rondlopen en waar een sacrale stilte heerst. Daar heb ik niks op tegen, ware het niet dat ik toch geraakt ben door het ideaal der volksverheffing. Natuurlijk, er zijn veel blockbusters, er is massificatie en popularisering, maar wat willen we dan? Is dat ook weer niet goed? Ik ben het slechts deels met hem eens; anders zou ik tegen mijn eigen geschiedenis ingaan.” En wat is die geschiedenis dan?

“Ik ben een kind van de jaren zeventig en de democratisering, een kind uit een nieuwbouwwijk. Ik kan niet zeggen dat mijn ouders me met kunst in aanraking brachten. Ik heb het allemaal zelf moeten vinden. Als ik zou zeggen: ‘Het museum moet weer terug naar vroeger,’ dan zou zo’n autodidactische schooljongen als ik weer het museum uit worden gejaagd. Die rebelse kunstenares uit Duel is ook meer een anarchist; die zou niet terug willen naar zo’n oase van stilte en rust waar Hughes voor kiest. Mijn romanpersonage Emma Duiker zegt: ‘Je hebt Duchamp met zijn pissoir en Warhol met zijn Brillo-box en daarna kom ik. Ik haal die Rothko uit de benauwende wereld die museum heet.'” Wat wil ze eigenlijk bereiken met haar solo-actie om die Rothko op allerlei obscure plekken in Europa tentoon te stellen?


“Het is een gebaar waarmee ze de kunst van haar sokkel wil halen, en ook weer publieksvriendelijk wil maken. Robert Hughes wil de goddelijke maat van de kunst benadrukken, en zij wil de menselijke maat teruggeven aan de kunst. Het mooiste dat je als kunstenaar kan overkomen, is dat je werk wordt gekocht door een museum. En toch is de kans groot dat zo’n werk verdwijnt, want we zijn niet allemaal Marlene Dumas of Rineke Dijkstra, wier werk altijd te zien zal zijn op verschillende plekken. Misschien verdwijnt je werk in een depot en zal het daarna nog twee, drie keer ergens in bruikleen te zien zijn.”

Heb je veel veldwerk verricht voor dit boek?

“Ja, en dat veldwerk werd steeds leuker. Ik wilde weten hoe zo’n directeur in een museum leeft. Ik heb met Rudi Fuchs.

Gijs van Tuyl, Wim Pijbes en anderen gepraat en ben naar diverse musea in Nederland geweest, tot en met het Bonnefanten in Maastricht om daar de directeurs- kamers en het uitzicht te zien. Ik heb natuurlijk ook de depots bekeken en gesproken met restaurators van hedendaagse kunst, want mijn vrouw, Ariëlle, is ook restaurator, maar dan van oude kunst. Ik had op een gegeven moment een schat aan materiaal.” Wat zou er volgens jou moeten veranderen in de huidige museumpraktijk?

“Het verbaast mij soms dat kunstenaars carte blanche krijgen buiten de poorten van het museum. Zie Kabouter Buttplug in Rotterdam. Een kunstenaar mag vaak onbeperkt ingrijpen in de werkelijkheid, maar binnen de poorten van het museum is ingrijpen juist weer taboe. Van allerlei topkunstwerken, onze nieuwe fetisjen, daar moet je van afblijven. Dat is in praktisch opzicht ook wel terecht, maar als je het op een filosofisch plan tilt, zie je hoe vreemd dat eigenlijk is. Kunst wordt geacht heilige huisjes omver te werpen, maar het heiligste huisje is zo langzamerhand die kunst zelf in het museum.” Ben je al sinds je roman Gimmick! gefascineerd door de beeldende kunst?


“Gimmick! ging over een groep Titaantjes in de Amsterdamse kunstwereld. Ik heb, los van Gimmick!, veel geschreven over beeldende kunst. Ik ben nu 46 en heb dus de leeftijd om terug te gaan kijken. Op het ontstaan van vriendschappen bijvoorbeeld. Vriendschappen met schrijvers zijn minder bestendig. Maar sommige vriendschappen die ik heb met kunstenaars gaan wel 25 jaar terug, en altijd valt me weer op hoe verschillend schrijvers en kunstenaars naar de wereld kunnen kijken.” Wat is dan het belangrijkste verschil tussen schrijvers en beeldend kunstenaars? “Tja. Daar denk ik al een half leven over na. Schrijvers proberen het vaak onzegbare te zeggen. Maar sommige kunstwerken willen vaak zélf dit onzegbare zijn. Een kunstenaar heeft geen taal als vehikel nodig. Ik was bij Marlene Dumas op haar atelier om haar te interviewen, en zij legt soms haar werken op de grond, loopt er omheen, probeert het moment te vangen.” Heb je zelf ooit kunstenaar willen worden?

“Ik wilde als scholier kunstenaar worden, geen schrijver. Het zat er helaas niet in. De wil was er wel, maar de gave is en was er niet. Daar kun je verbitterd over raken, maar je kunt ook van je handicap je kracht maken en zo dicht mogelijk bij de bron komen door bij andere men-sen te gaan kijken die het wel kunnen. Hans van den Bergh, ex-theatercriticus van HP/De Tijd, schreef ooit: ‘Kunst heet niet voor niets kunst, want als het alleen maar een kwestie van willen was, dan zou het wel Wilst geheten hebben.'” Heb je het idee dat je na al die jaren van schrijven over kunst alle facetten van het kunstenaarschap begrijpt?


“Ik kan rationeel wel alle facetten navertellen, maar echt navoelen… Er blijft altijd die fractie van ademloze verbijstering en verbazing. Ik heb ook het idee dat je met een kunstwerk een heel directe nieuwe werkelijkheid schept, terwijl je met taal toch een afgeleide werkelijkheid maakt. Een boek bestaat niet zonder de lezer. Het is een wereld van letters, en die moet je afmaken. Beeldende kunst is autonomer.”

Was de wending van fictie naar geëngageerde essays na 2002 een bewuste keuze?

“Welnee, ik werk altijd intuïtief. Ik volg mijn hart en fascinatie, en probeer na te gaan welke vorm het beste past bij het verhaal dat ik wil vertellen. Soms bestaat het idee van de kunstenaar als calculerende intellectueel met een groot poëticaal bewustzijn, terwijl die vooral zijn gut feeling volgt. Dat programmatische is er wel, maar niet in die beslissende mate. Nu de kinderen weer wat ouder zijn, kan ik mijn tijd meer afdwingen en heb ik meer armslag.” Gimmick! komt binnenkort uit als e-book, compleet met filmpjes, foto’s en links. Is het een uitdaging om te spelen met zo’n nieuwe medium?

“Gimmick! in e-bookvorm wordt nu een totaalpakket van beeld, geluid en woord. Dat is spannend. Voor mijzelf heb ik toch het idee dat ik naar het papieren boek zal blijven grijpen. Ik heb een e-reader in huis. Als aanvulling op een papieren wereld zal het e-book écht gaan floreren. Als ik op vakantie ga, zal ik zeker een aantal boeken downloaden en op mijn e-reader zetten. Dat scheelt al enorm in mijn bagage. Tegelijkertijd ben ik, samen met velen, zo gehecht aan het boek als romantisch object dat ik niet denk dat het papieren boek zal uitsterven. Kortom, het een kan het ander aanvullen, maar ik heb wel schrijvers gehoord die de e-reader een onding vinden.” Robert Vuijsje kreeg onlangs met Alleen maar nette mensen allerlei verwijten naar zijn hoofd geslingerd. In 1994, bij de verschijning van je roman De buitenvrouw, attaqueerde Anil Ramdas jou omdat je een zwarte vrouw als begerenswaardig object opvoerde. Zie je parallellen?


“Ja, die parallel is er wel degelijk. Ik had veel met Vuijsje te doen, omdat hij het abc van de literatuur moest uitleggen aan al die mensen die dat niet begrepen. De ik is niet de schrijver! Hij mocht niet iemand verzinnen als de ik-figuur uit zijn roman. Als je dat doortrekt, had Agatha Christie ook geen stoute moordenaars mogen verzinnen. Je mag dus van sommige lezers geen mensen verzinnen met een duistere kant, bijvoorbeeld iemand die om heel andere redenen geïnteresseerd in de multiculturele samenleving, omdat hij nu eenmaal valt op zwarte vrouwen. Er zullen ook wel romans zijn waarin een personage een hond een trap verkoopt, maar daar krijg je toch ook geen Kamervragen over van de Partij van de Dieren? Als we alleen maar personages mogen verzinnen die moreel in orde zijn, dan is de literatuur uitgespeeld.” Sta je nog steeds achter je Kellendonk-lezing uit 2006 waarin je pleitte voor meer maatschappelijk rumoer in de letteren?

“Ik zou dat stuk nu niet meer schrijven in die vorm, omdat er sindsdien echt wat veranderd is in de Nederlandse literatuur. Ik heb het idee dat de freischwebende Schöngeisterei heel mooie boeken oplevert, maar dat dit wel een beetje achter ons ligt. Wel vind ik van het debat dat we hierover voeren, dat dit alleen maar in Nederland kan. In Amerika is zoiets geen enkel punt van discussie. Daar verschijnen prachtige korte verhalen over kleine turbulenties in een mensenleven van Lorrie Moore naast breed toegeruste romans als I Married a Communist van Philip Roth.” Dus je stelt je in dat opzicht liberaal op?


“Het mag allemaal naast elkaar bestaan. Het is vreemd dat half literair Nederland in een kramp schiet als iemand als Thomas Vaessens iets constateert. Hij legt helemaal niets op aan schrijvers. Het is verbazingwekkend dat bijvoorbeeld Connie Palmen zich zo door Vaessens op de kast laat jagen. Vaessens schetst alleen maar dat schrijvers niet meer alleen over hun binnenwereld en hun navel schrijven en dat er een buitenwereld is die mag meedoen.” Waarom heeft dat boek dan zo veel felle weerstand opgeroepen?

“Schrijvers kunnen soms heel slecht lezen. Het eenvoudige credo ‘Laat duizend bloemen bloeien’ is kennelijk aan de Connie Palmens onder ons niet besteed, want ze ziet het als een decreet wat Vaessens uitvaardigt. Ik vind het nogal kleingeestig om literatuur die zich met de werkelijkheid wil bemoeien, meteen maar te degraderen tot veredelde journalistiek. Overal buiten Nederland wordt het gezien als een gegeven dat 11/9 onze blik op de wereld en onze eigen realiteit heeft veranderd. In Amerika heeft dat prachtige boeken opgeleverd, van Jonathan Safran Foer tot Michael Cunningham. In Nederland moet je je er bijna voor excuseren. Waarom toch?” Denk je dat vooral Nederlandse schrijvers last van zo’n blinde vlek hebben?

“Ik heb het weleens gevraagd aan Vlaamse collega’s in de literatuur. Tien meter over de grens is deze vraag al totaal irrelevant. Annelies Verbeke of Tom Lanoye zitten er niet mee en zeggen: ‘Volg je eigen hartstocht.’ Als je op de een of andere manier engagement in je roman wilt laten meeklinken, dan doe je dát, en als je een briljantje wilt schrijven dat louter een autonome werkelijkheid representeert, dan doe je dát. Elk kunstwerk creëert nu eenmaal zijn eigen merites.” Ten slotte, heeft het Boekenweek- geschenk de weg geplaveid voor nieuwe romans of blijf je voorlopig vooral non-fictie schrijven?


“Geen idee. Het prachtige van een schrijver is dat hij vandaag niet hoeft te weten wat-ie morgen gaat doen. Dat moet vooral zo blijven. Calculerende burgers zijn er al genoeg. Geen mij maar de intuïtieve kunstenaar.”

Joost Zwagerman: Duel. Boekenweekgeschenk 2010.

Beeld verplaatst. De Arbeiderspers. €25.

Ook verkrijgbaar via www.ako.nl.

Hans Hoenjet, foto's Ilvy Njiokiktjien