‘Je moet in het hier en nu staan’

Hij is de jongste president van de Koninklijke Nederlandse Akademie der Wetenschappen ooit. Theoretisch natuurkundige Robbert Dijkgraaf (1960) over het gevecht tegen de luiheid en over focus. ‘Het is een verwarde periode; ik heb mijn maximale expansie wel bereikt.’

Een carrière is niet altijd even comfortabel en makkelijk. Als je echt ergens voor wilt gaan, dan moet je ook alles geven en je concentreren op de dingen die ertoe doen. Dat is in de eerste plaats een gevecht tegen jezelf, want de mens is intrinsiek lui – ik in het bijzonder. In die cruciale periodes moet je echt wakker zijn, zorgen dat je je niet laat afleiden en je ervan bewust zijn: dit is mijn moment. Dan zitten er geen gezellige weekendjes weg of avondjes voor de tv in.

Ik ben meerdere keren voor uitdagingen gesteld die ik niet had besteld en ook niet had bedacht. Dat ik werd gevraagd om president van de Koninklijke Nederlandse Akademie der Wetenschappen (KNAW) te worden bijvoorbeeld, terwijl ik net in een vruchtbare fase van mijn onderzoek zat. Dat zijn moeilijke momenten. Ik wil niet elke uitdaging uit de weg gaan, als een hinnikend paard voor de sloot gaan steigeren terwijl ik er achterafgezien gemakkelijk overheen had kunnen springen. Maar ik wil ook niet blindelings elke willekeurige uitdaging aannemen. Uiteindelijk vond ik het een grote eer en heb ik ‘ja’ gezegd. Het is voor een wetenschapper heel verleidelijk om aan de zijlijn van de samenleving te blijven staan, maar je bent er wel onderdeel van. Ieder mens heeft daarin zijn of haar eigen verantwoordelijkheden. Dat is misschien niet altijd even leuk, maar het kan wel vervullend zijn iets voor anderen te betekenen. En ik hoop dat ik dat als president van de KNAW kan doen.

Drie jaar lang ben ik nu een ambassadeur en woordvoerder voor de wetenschap. Ruim tweehonderd jaar geleden is de Akademie opgericht om de koning en regering te adviseren. We zijn een genootschap van de beste geleerden en beheren negentien onderzoeksinstituten. Het is een complexe organisatie. Uiteindelijk ben ik toch verantwoordelijk voor 1300 werknemers en een budget van 130 miljoen. Ik zie het als mijn grootste taak om warme gevoelens voor de wetenschap los te krijgen; daarom zit ik bijvoorbeeld elke maand bij De Wereld Draait Door om jonge, getalenteerde wetenschappers voor te stellen.


In het begin van mijn studietijd ben ik twee jaar gestopt met natuurkunde om naar de kunstacademie te gaan. Toen ik toch weer terugkwam bij natuurkun- de zei iedereen: “Je bent eigenlijk te oud om hier nog carrière in te maken.” En toen ik op mijn 32ste hoogleraar werd, zeiden ze: “Je bent eigenlijk te jong voor deze baan.” In eerste instantie trek ik me erg aan wat anderen vinden. Het is een heel proces geweest om genoeg zelfvertrouwen te krijgen. En ik vind het nog steeds een kunst om me echt niks aan te trekken van wat anderen zeggen en de lijn te lopen die ik wil.

Toen ik begon met mijn promotieonderzoek was ik begin twintig. Ik moest een grote sprong voorwaarts maken, terwijl ik er helemaal niet klaar voor was. Ik probeerde me als onafhankelijk mens te manifesteren, en dat ging maar moeizaam. Heel onzeker was ik, in de war, en ik vond het helemaal geen leuke tijd. Ik werd enorm geconfronteerd met mijn eigen zwaktes en beperkingen, met grote namen in de wetenschap die het allemaal zo gemakkelijk afging. Ik stond voor een muur die recht omhoog ging. Ik moest me aan m’n eigen schoenveters omhoog tillen. Heel erg in het hier en nu staan ook; dat is belangrijk om verder te komen. Ik denk dat we heel veel tijd verliezen met ons zorgen maken of het gisteren goed is gegaan en of het morgen goed zal gaan. Loslaten was een belangrijk element in dat groeiproces. Je zit toch met allerlei draadjes vast aan je familie, aan medestudenten, aan vrienden. Die kunnen je, ook al zijn ze je misschien goedgezind, ook een beetje tegenhouden. Ik voelde toen dat ik die draden los moest laten; dat is gelukt.


De manier waarop je zo’n steile muur beklimt, begint met de eerste stap, op zoek naar een klein richeltje. En er zijn je directe collega’s die al verder zijn met klimmen en je helpen. Dan komen er gelukkig ook vlakkere stukken waar je meer kunt uitrusten; en uiteindelijk internationale erkenning, een mooie baan. In mijn carrière ging het soms heel snel, soms heel langzaam. Ik heb periodes gehad dat ik, als ik heel eerlijk ben, eigenlijk niets heb gedaan. Toen ik in ’92 begon met mijn aanstelling als hoogleraar mathematische fysica aan de Universiteit van Amsterdam heb ik heel hard gewerkt, maar het duurde wel vijf jaar voordat ik iets presteerde dat er écht toe deed, dat je me ’s nachts wakker kon maken en dat ik dan precies wist waar ik mee bezig was en er een enthousiast verhaal over kon vertellen.

Ik heb altijd periodes waarin ik een sterke focus heb, op onderzoek bijvoorbeeld, en periodes die meer expansief zijn, waarin je veel nieuwe dingen verkent. De laatste tijd verken ik andere werelden, doe er een heleboel dingen bij. Het is een verwarde periode; ik heb mijn maximale expansie wel bereikt. Ik moet de essentie in de gaten houden, anders ga ik als het Romeinse Rijk ten onder.

Het spitsuur in mijn leven is zeker nog verder toegenomen sinds ik president van de KNAW ben. En het leven van mijn vrouw (schrijfster Pia de Jong – SvG) is ook niet rustiger geworden sinds haar roman Lange dagen een bestseller is geworden. Dan is het natuurlijk erg lastig dat ik zoveel drukte meebreng. We hebben wel drie jonge kinderen thuis die ook veel tijd en aandacht vragen. De momenten dat je wordt gevraagd een extra inspanning te leveren, komen eigenlijk nooit gelegen. Pia en ik zijn allebei heel erg op ons werk geconcentreerd, en daarin kunnen we elkaar gelukkig ook versterken. Dat we ’s avonds niet eindeloos voor de tv zitten maar lekker allebei schrijven, terwijl de kinderen ook iets nuttigs gaan doen als een mooi boek lezen of een tekening maken.


Verbinden wat je doet en met wie je het doet, daar geloof ik heilig in. Het is een enorme luxe dat dat zo eenvoudig kan in de wetenschap. Dat ik niet hoef te denken: ik ga tegen mijn zin naar mijn werk en dan moet ik op vakantie om uit te rusten. Ik probeer mijn wereldje klein te houden; dat doen mijn vrouw en ik thuis ook. Maar sommige dingen trekken je uit die wereld; daar betaal je dan de hoogste prijs voor: versnippering, het zoekraken van coherentie, dan is de stabiliteit weg. Toen onze jongste dochter werd geboren, acht jaar geleden, werd geconstateerd dat ze leukemie had, wat nu gelukkig helemaal goed is gekomen. Onze wereld werd toen nog veel kleiner. Het gaat dan echt om de essentie van het voortbestaan. De vraag is waar dan nog ruimte voor is. Mijn onderzoek had er nog wel een plek in, maar ik vond het toen moeilijk om aandacht te geven aan bestuursdingen. Toen er na twee jaar uitzicht kwam en het beter ging met onze dochter, kwam er bij mij enorm veel energie vrij; het was een van de meest creatieve periodes in mijn onderzoek.

Meer leuke content? Like ons op Facebook

Sara van Gorp