Jan Kuitenbrouwer: Wouter en Barbara Bos

Exclusief op de website van HP/De Tijd: de column van Jan Kuitenbrouwer.

Het is 2 februari 2010.  In Den Haag vergaderen premier Balkenende, vice-premier Rouvoet, minister van Defensie Middelkoop, minister van Ontwikkelingssamenwerking Koenders en minister van Buitenlandse Zaken Verhagen voor de vijfde keer in een maand tijd over Uruzgan. Vice-premier Wouter Bos had deze bespreking ook zullen bijwonen, maar was, naar later bekend zou worden gemaakt, ‘verhinderd wegens familieomstandigheden’. Die ‘omstandigheden’ waren kort gezegd dat Mevrouw Bos, haar naam is Barbara, het zat was. Niet alleen had haar man drie banen, elk voldoende voor een welgevulde werkweek, die drie banen begonnen ieder ook steeds meer tijd op te eisen. En dat terwijl ze aan het begin van zijn ministershap hadden afgesproken dat hij in elk geval één dag in de week thuis zou werken. Daar was al niets van terecht gekomen en gaandeweg was hij meer en mee weg. Er waren weken dat ze hem soms maar een paar minuten voor zichzelf had, en voor de kinderen had hij helemáál geen tijd. De week voor het kerstreces had ze een ultimatum gesteld: nu het ergste van de kredietcrisis achter de rug was, de grote bezuinigingsoperatie een stuk vooruit was geschoven en de partij zich in de peilingen weer wat leek te herstellen, was het tijd voor veranderingen. Per 1 januari één dag thuiswerken, de oude afspraak, evaluatie na een maand. Hij was akkoord gegaan, die maand was voorbij en het was niet gelukt. Eén keer was hij op een woensdag thuisgebleven, maar ‘s middags was hij alweer naar het partijbureau geroepen in verband met een relletje.

‘We zijn een maand bezig en je loopt nu al drieeneenhalve dag achter,’ zei Barbara. Ze zaten in het vrijwel lege restaurant bij de Bosbaan, waar op dit soort dagen haast nooit iemand zat, wisten ze. Wouter zuchtte. ‘Kunnen we het niet uitstellen tot het einde van de kabinetsperiode? Dat is misschien al heel gauw.’
‘Nog zo’n jaar? No way. Sorry. Ik kan het niet aan, Wouter. Echt. Dan moet je ergens anders gaan wonen.’
‘Dat kan niet.’
‘Hoezo niet?’
‘De publiciteit! Dat is killing.’
‘O ja. Want Wouter is de ideale man. Sorry, dat vergat ik even.’
‘Kom op Bar, zo bedoel ik het niet. Ik dacht aan jou en de kinderen. De paparazzi, de roddels, de bullshitverhalen. Eén keer zonder makeup de straat op en je staat op alle voorpagina’s. Heeft hij een ander?
‘Hm, de omgekeerde variant komt blijkbaar niet in je op.’
‘Eh… ja, nou ja, dat zou ook kunnen natuurlijk.’
‘We hadden een afspraak, Wouter.’
(zucht) ‘Ik weet het.’
‘Kun je Job niet nu alvast naar voren schuiven? Dat hij in elk geval het partijleiderschap overneemt?’
‘Terwijl ik intussen  beeld blijf als minister? Dat is raar.’
‘Kunnen jullie het kabinet niet laten vallen?’
‘Over?’
‘Weet ik veel. De hypotheekrente? Meer blauw op straat? Zwarte scholen? Groene stroom?’
‘Ja.. nee… je moet iets hebben dat electoraal scoort. Ik heb wel zitten denken…’
‘Ja…?’
‘Toen Mariette haar poot stijf hield met het ontslagrecht schoten we omhoog in de peilingen.’
‘Je hebt toch gezegd: geen nieuwe missie naar Uruzgan?’
‘Jawel, maar dat zijn we nu dus juist aan het terugdraaien. Daar zit Bert nu bij JP over te praten.’
‘Nou! Kijk!’
‘Wat bedoel je?’
‘Jij was daar niet bij!’
‘Dus…’
‘Terwijl jij verhinderd was door familieomstandigheden, heeft Bert heeft zich door het CDA en de CU laten omlullen. Maar jij houd alsnog je rug recht.’
‘Hm… dat is wel een idee.’

‘JP zegt toch dat jij altijd draait? Nou, nu draait Wouter eens een keertje niet. Einde kabinet. Jij houdt je rug recht, jij staat pal voor je verkiezingsbelofte, kabinet valt, de partij stijgt, de gemeenteraadsverkiezingen vallen mee, jij treedt terug en schuift Job naar voren, Job trekt de partij verder omhoog, wint de verkiezingen, wordt premier. Iedereen blij.’
‘Tja…en ik zit thuis. Wouter speelt voor huisman.’
‘Nee, jíj wordt, nou ja, wat je wilt!
‘Ja ja. Ik zou Wellink kunnen opvolgen.
‘Ja, of je wordt, nou ja, weet ik veel. Burgemeester van Amsterdam! Job zegt toch altijd wat een relaxt baantje dat is? Geen gereis meer, we trekken in die ambtswoning, tijd voor de kinderen, en ik kan ook weer wat gaan doen….’
‘Goh….’
‘Perfect!’
Wouter keek uit over het water van de Bosbaan. Over de smalle paden aan weerszijden liepen joggers.
‘Goh, Bar… wat een geweldig idee.’
De hand van zijn vrouw zocht de zijne. Een eenzame roeier stak van wal.
‘Maar het landsbelang dan?’
Met een rukje trok zij zijn hand naar zich toe. Hij keek haar aan.
Langzaam trok ze hem naderbij, terwijl ze hem strak bleef aankijken.
‘T is mooi geweest met het landsbelang.’
Die blik. Oei, die blik.
‘Kus me.’
Tja, dacht hij, laten we dat maar doen.

Meer leuke content? Like ons op Facebook

Jan Kuitenbrouwer