De hemelse Van Mierlo

Sommige stervelingen blijven eeuwig jong. Dat gold zeker voor Hans van Mierlo, die afgelopen week op 78-jarige leeftijd overleed. Zijn onweerstaanbare charisma als ‘de Nederlandse Kennedy’ zal een van de redenen zijn waarom hij ook na zijn heengaan als visionair is opgehemeld. Van Mierlo is zelfs een staatsman genoemd, alsof hij niet alleen op de nationale maar ook op de internationale bühne heeft geëxcelleerd. Dat is te veel eer. Van Mierlo is weliswaar minister van Defensie (1981-1982) en minister van Buitenlandse Zaken (1994-1998) geweest, maar was vooral een binnenlandse grootheid. Hoewel hij altijd een buitenstaander was in de politiek, was hij ook welkom in de binnenkamers. Wie Van Mierlo zegt, zegt D66, zijn geesteskind dat het vermolmde Haagse bestel zou gaan opblazen maar er een eigentijdse stut onder werd. Bij zijn dood was Van Mierlo minister van Staat, niet direct een positie voor een eeuwige rebel.

Volgens zijn vriend Marcel van Dam was Van Mierlo de eerste die op de groeiende kloof tussen de kiezer en de gekozene wees en op het toenemende ongeloof dat aan de Haagse politiek het oplossen van de problemen kon worden toevertrouwd. Zo gezien zou hij ook de huidige antistemming tegen het establishment hebben moeten voorspellen, maar daar is niets van waar. Net als de gevestigde partijen was D66 blind voor het ongenoegen dat Pim Fortuyn (ook een rebel van de jaren zestig) en Geert Wilders (met zijn kruistocht tegen de islam ook een anticonfessioneel politicus) blootlegden. Sterker,

Van Mierlo – hoewel import uit West-Brabant in de Amsterdamse grachtengordel – stond bij uitstek voor een spraakmakende gemeente die te hoop liep tegen de verkramptheden uit de jaren vijftig en tegelijk volhardde in de politieke correctheid die het multiculturele ideeëngoed praktisch als staatsideologie voorschreef. Zo taboedoorbrekend was hij nou ook weer niet.

Van Mierlo was een verdwaalde intellectueel in de politiek, die het graag beschaafd hield en zijn gehoor met onnavolgbare paradoxen tot nadenken wist te stemmen. Maar als zijn gehoor zich ongevoelig toonde voor zijn betovering, werd hij kribbig en veranderde hij in een cultuurpessimist. Helemaal vreemd was dat niet. Van Mierlo en D66 maakten zich zorgen over ‘onze’ democratie, waarbij je nooit helemaal wist over wiens democratie hij het had. In theorie maakte D66 zich sterk voor directe vormen van democratie, waarbij je aan een gekozen burgemeester en een (correctief) referendum kunt denken. Maar het was een academische discussie; een brug slaan naar de man in de straat heette al gauw populisme en van versimpelen hield Van Mierlo niet. Het kosmopolitisme waarvoor het postnationale D66 stond, wilde een eind maken aan oude ideologische tegenstellingen. Maar dat versterkte de vervreemding tussen een internationaal gezinde bovenlaag en een meerderheid van de bevolking die op de eigen staat bleef aangewezen. Dat het wegvallen van de zuilen aan de onderkant van de samenleving compensatie vond in een nieuw nationalisme ging aan Van Mierlo voorbij. Voor hem was democratie iets voor vrije burgers; van het volk dat zich door de elite in de steek gelaten voelt en het eigen land vreest kwijt te raken, begreep hij niets.


Zo werden Van Mierlo en D66 zelf ook een paradox. Enerzijds zetten zij zich in voor ontvoogding van de burger, anderzijds werd de burger ook bevoogdend toegesproken als die zich niet gedroeg zoals betamelijk werd geacht. Kijk naar Els Borst, die opkwam voor het rookverbod, kijk naar Laurens Jan Brinkhorst, die iedereen met bedenkingen over ‘Europa’ neerbuigend toesprak. Die tweeslachtigheid zat in de genen van D66 en Van Mierlo. Hij was los van God en de kerk, maar niet van de jezuïeten door wie hij was opgeleid. En al het gepraat over staatsrechtelijke vernieuwingen leidde tot niets, waarbij je ook nog kunt zeggen dat de door D66 voorgestane oplossingen de vervreemding tussen kiezer en gekozene niet zouden hebben weggenomen. Kijk naar het Britse districtenstelsel, dat door de verwante Liberal Democrats wordt bekritiseerd en waarin D66 niet eens een kans zou hebben gekregen. Toppunt van ironie: geen politiek bestel in de wereld is zo taai en tegelijk zo flexibel bij het toelaten en opzuigen van nieuwlichters (Van Mierlo, Fortuyn) als het Nederlandse.

Dat leidt tot de conclusie dat Nederland er ook zonder Van Mierlo hetzelfde had uitgezien als nu. Maar dat wil niet zeggen dat alles ijdele praat was, of één pot nat. Bij experimenteren hoort een freischwebende Intelligenz, en D66 is er nog steeds. Als redelijk alternatief, als partij van de tweede keus, voor als er verder niets meer is. Sommigen zeggen dat het daar in een democratie om gaat.

import dirk jan van baar