Schumacher: ‘Ik hoef niemand iets te bewijzen’

In de Grand Prix van Bahrein maakte Michael Schumacher zondag zijn rentree in de Formule 1. De 41-jarige Duitser, die in 2006 was gestopt, is op jacht naar zijn achtste wereldtitel. Een gesprek over kicks, noodlot en geluk. ‘Ik wil alles meemaken.’

Toen Michael Schumacher in 2006 afscheid nam, was hij de beste coureur aller tijden. In 249 Formule 1-races verzamelde hij 91 overwinningen en 7 wereldtitels. Vorig jaar leek hij, na het zware ongeluk van Ferrari-coureur Felipe Massa, al terug te keren in het circuit. De gevolgen van een motorongeluk verhinderden echter een rentree. Maar het bloed was gaan kruipen waar het niet gaan kon, en dit weekend was het in Bahrein echt raak: Michael Schumacher maakte in een Mercedes zijn rentree.

“Tegen het einde van het jaar was de blessure aan mijn nek zo ver genezen dat ik weer kon rijden. Ik hoef niemand iets te bewijzen en mezelf al helemaal niet, maar toch keer ik terug. Niet omdat ik het niet kon missen. Ik was heel gelukkig met het leven dat ik leidde in de anonimiteit, op de ranch bij mijn vrouw. Maar de aandacht die mijn mogelijke terugkeer vorig jaar kreeg, zorgde voor een enorme emotie bij me. Dat heeft me zeer ontroerd.”

Op de persconferentie zei u: “Ik heb dan wel afscheid genomen, maar als coureur had ik heel even het gevoel alsof ik weer terug was in het leven.”

“Ik bedoelde dat ik een paar dagen lang weer terug was waar ik vroeger ooit was. Na drie jaar uit die wereld was ik weer net zo fit als toen. Ondanks de pijn die ik aan mijn motorongeluk had overgehouden, kon ik de auto al weer gauw tot aan zijn grenzen brengen. Ik was onmiddellijk terug omdat ik weer die focus had, die volledige concentratie op het werk als coureur. Maar het is niet zo dat ik mijn oude leven had gemist.”

Waarom was u ontroerd door de belangstelling?

“Omdat ik me misschien voor het eerst realiseerde welke uitwerking ik heb en welke positie ik inneem. Ik ben opgegroeid als een redelijk nuchter mens, en gelukkig heeft mijn vrouw er ook voor gezorgd dat dit zo is gebleven. De golf van sympathie bij mijn mogelijke terugkeer zorgde er niet voor dat ik mezelf als een ander mens ging zien, maar het verraste me gewoon.”


Toen u voor het eerst een comeback overwoog, werd er gezegd dat u gek was. Waarom zou u het risico nemen?

“Dat risico valt mee. Vroeger was het niet ongewoon dat coureurs overleden, omdat de wagens en de circuits veel onveiliger waren. Tegenwoordig stappen de coureurs na een ongeluk meestal ongedeerd uit de wagen.”

Felipe Massa, voor wie u zou invallen, heeft u rechtstreeks op de televisie zien crashen. Had hij dood kunnen zijn?

“Ja, hij heeft geluk gehad. Je moest voor het ergste vrezen, want hij reageerde niet meer en is gewoon rechtdoor gereden. Het bloed stolde in mijn aderen toen hij tegen de baanafzetting knalde. En het duurde ook nog even voordat in slowmotion te zien was wat er eigenlijk was gebeurd.”

Wat denkt een coureur op zo’n moment?

“Noodlot. En verder niets. Er rijdt een auto ver vooruit, die verliest op een gegeven moment een onderdeel, een veer, die over de baan stuitert en uiteindelijk het hoofd van Massa raakt. U moet het me maar niet kwalijk nemen, maar er komt niets anders bij mij op dan de vergelijking met de dakpan die van het dak valt en iemand op zijn hoofd treft.”

U heeft zelf ernstige ongelukken overleefd. Denkt u dat geluk op kan raken?

“Nee. Geluk en noodlot zijn geen communicerende vaten. Voor mij is er een verschil tussen berekenbare en onberekenbare risico’s. Er zijn heel wat dingen waarvoor ik bang ben, want ik ben geen lichtzinnige waaghals. Ik zou nooit op een snowboard naar beneden schieten van een steile helling die ik niet ken. Als in mijn sport de dag moet komen waarop het noodlot mij treft, dan komt hij. Ik moet voor mezelf vaststellen wat het me waard is. Waar beleef ik zo veel plezier aan dat ik bereid ben het risico te nemen? Als ik geen risico’s meer wil nemen, dan moet ik zeker geen Formule 1 meer rijden. Maar dan ook geen motor en geen kart meer. En parachutespringen zou dan al helemaal niet meer mogen.”


Wat vond uw vrouw eigenlijk van uw terugkeer?

“Met mijn vrouw kan ik over dit soort zaken heel goed praten en alle pro’s en contra’s tegen elkaar afwegen. Wij voeren zeer constructieve gesprekken, maar uiteindelijk neemt ieder in zijn eigen metier zijn eigen beslissing. En dat was bij mijn comeback ook niet anders.”

Kunt u zich voorstellen dat er mensen zijn die zeggen: die Schumacher heeft toch alles, vrouw, kinderen, een huis aan het Meer van Genève, een hoop geld, waarom doet hij dan van die stomme dingen?

“Het klinkt misschien een beetje cru, maar als ik voortdurend gehoor moest geven aan de media en de mening van anderen, dan zou ik mezelf niet kunnen zijn. Ik rij ook motor. Daarbij brak ik een nekwervel. Vergeleken daarmee is Formule 1 veilig.”

Waarom doet u aan motorracen?

“Ik wil het meemaken. Net als vader worden: je weet pas wat het is als je het hebt meegemaakt. Zo is het ook met rijden op racemotoren. Ik denk ook dat het veel gevaarlijker is als ik met mijn Harley op gewone wegen rij dan op het circuit. Je kunt ook binnen de snelheidsbeperkingen met zo’n Harley tamelijk hard rijden. Het probleem is alleen dat er op gewone wegen geen uitloopzones zijn zoals op de circuits. Natuurlijk, je kunt vallen, maar in norma-le omstandigheden doet dat op een circuit geen pijn, om- dat je alleen maar glijdt. Ik vind het risico berekenbaar. In mijn geval is dat eigenlijk toevallig begonnen met een paar kameraden. Ik vond het plezierig heel ontspannen op een lichte, mooie racemotor te rijden. Het is een heel intensief en speciaal gevoel dat de motor overbrengt. En zo is het verder gegaan.”


U bent wedstrijden gaan rijden. Om te winnen?

“Voor mijn plezier. Van het begin af was het me duidelijk dat ik nooit in staat zou zijn op topniveau te rijden. Daar moet je al als kind mee beginnen. Maar het interessante was dat ik plotseling veel meer in staat was te concurreren dan anderen – en ikzelf ook – hadden gedacht. En dan probeer je natuurlijk beter te worden. Steeds een beetje sneller te zijn. Dingen uitproberen. Jezelf doelen stellen.”

Het ongeluk waarbij u uw nekwervel en enkele ribben brak, begin vorig jaar, was uw zesde motorongeval. Bent u overmoedig?

“Ik remde te laat. Maar ik zou het eerder het verkennen van grenzen noemen. Het ergste was dat ik voor dit leerproces de verkeerde baan had uitgezocht. De uitloopzone in Cartagena was te kort. Als je op de Nürburgring te laat remt, rij je rechtdoor in de geasfalteerde uitloopzone en kom je weer terug op de piste. Maar in Spanje moest ik proberen de motor voor de baanafzetting tot staan te brengen. Dat was fataal. Ik ben over de kop gegaan en in het grind gedoken. Vandaar die verwonding. De andere zogenaamde ongelukken waren glijpartijen waar ik niet eens blauwe plekken aan heb overgehouden. Die dingen werden opgeblazen.”

U doet aan parachutespringen, u beklimt steile hellingen, rijdt motor, kart en nu ook weer Formule 1. Heeft u de adrenaline nodig?

“Juist niet. In de racesport heb je beheersing en kalmte nodig. Pas als je van de baan vliegt, komt de adrenaline los. En zelfs dan moet je rustig blijven en bedenken welke kant het opgaat en wat je nog kunt doen. Klimmen en parachutespringen, dat is heel wat anders. Daar sta je boven aan de rand, je springt naar buiten en dan krijg je die kick.”


U kunt toch ook gewoon gaan zeilen op het Meer van Genève?

“Heb ik geprobeerd. Mijn vader was een keer hier en we zijn met de hele familie het water op gegaan. Maar dan keek ik toch weer uit naar mijn motorboot. Interessante en spannende dingen uitproberen, dat is de luxe van mijn leven. Ik wil plezier beleven. En daar horen dwaze dingen bij.”

Uw laatste race tot dit seizoen was op 22 oktober 2006 de Grand Prix van Brazilië. U klom van de laatste naar de vierde plaats. Hoe voelde u zich na die race?

“Dolgelukkig. Bevrijd. Ik was blij dat het afgelopen was. Ferrari had mij een langlopend contract aangeboden, waar ook financieel niets op aan te merken was. Maar het geld had vroeger ook al nooit een beslissende rol gespeeld, en voor mij waren er geen sportieve redenen meer om door te gaan. Doet het ertoe of je zeven of acht keer wereldkampioen bent geworden, of je nog drie of vier races extra hebt gewonnen? Nee. De accu was leeg. De belangrijkste reden dat ik stopte, was dat ik van het hele gedoe eromheen zo moe was geworden. De eisen die ik aan mezelf had gesteld, de verwachtingen van buitenaf. Van het team, de fans, de sponsoren en de media, die je het ene moment de hemel in prezen en dan opeens zwartmaakten. Dat werd allemaal steeds moeilijker.”

Hoeveel geld heeft u verdiend?

“Zoveel dat ik me er als kind niet bij benadering een voorstelling van had kunnen maken. Zoveel dat ik onafhankelijk ben. En zoveel dat ik mij om mijn gezin geen financiële zorgen hoef te maken. Dat is een mooi gevoel, dat geef ik grif toe.”

De prijs is dat de publieke opinie u tot held benoemt en een tegenprestatie verwacht. Nabijheid, drama, wat dan ook. Het is ruilhandel.


“Dat weet ik al vanaf mijn eerste races in de Formule 1. En van het begin af aan ben ik steeds degene geweest die op de rem heeft getrapt. Ik heb nooit gewild dat het allemaal een eigen leven ging leiden, en heb steeds gezegd: blaas dat toch niet zo op in de media. Ik heb ook van het begin af mijn privéleven beschermd en ben ervan uitgegaan dat iedereen dat zou moeten accepteren. Ik ben niet met deze sport begonnen omdat je er veel geld mee kunt verdienen en beroemd wordt. Ik was vijftien jaar actief op de kartbaan. Op een gegeven moment deden er zich andere kansen voor. Door allerlei toevalligheden en sponsoren die mij geld en materiaal gaven omdat zij meer in me zagen dan ikzelf, ging het steeds verder naar de top. De drukte, de bekendheid, de hype, daar heb ik nooit naar verlangd. Dat heeft me allemaal overvallen. Daar moest ik mee leren omgaan. Als ik minder geld verdiend had, was het ook goed geweest. Maar had ik daarom nee moeten zeggen tegen al dat geld dat mij werd aangeboden?”

De reacties op uw mogelijke terugkeer vorig jaar voelden als een warm bad. Had u voordien dan het gevoel dat u niet geliefd was?

“Soms wel. Mijn verklaring was dat iemand die te vaak wint ooit het slachtoffer wordt van zijn eigen succes. Bayern München vergaat het niet veel anders.”

Het publiek houdt van de underdog.

“Precies. Ik heb laatst met de vader van Lewis Hamilton een avond lang zitten pokeren. Het was heel interessant te horen hoe de Britse media omgaan met zijn zoon. Ik dacht dat iemand als Lewis, zo’n jonge knul die zoveel succes heeft, daar een haast bovenmenselijke held zou moeten zijn. Maar blijkbaar mogen ze Jenson Button veel meer.”


Lewis Hamilton werd al in zijn tweede seizoen in de Formule 1 wereldkampioen. Hij is misschien te ambitieus, te gewiekst.

“En Button doet al bijna tien jaar mee en heeft nu pas ineens succes. Zulke verhalen vinden de mensen prachtig. Wat Lewis meemaakt, doet me ergens aan denken. Iemand is zo succesvol en krijgt zo weinig respect in zijn eigen land, terwijl de mensen toch trots op hem zouden moeten zijn.”

Het levensverhaal van veel grote sportsterren wordt gekenmerkt door de gestage klim naar de top. En velen kunnen dat leven na hun afscheid niet missen en komen terug. Mohammed Ali op zijn 39ste, al getekend door de eerste stadia van parkinson. Michael Jordan kwam terug, net als Katarina Witt, Mark Spitz, Björn Borg, Niki Lauda en Lance Armstrong, die in 2009 derde werd in de Tour de France na een afwezigheid van drie jaar. Michael Schumacher past in een traditie.

“Ik kijk niet achterom, ook niet naar mijn vroegere races. Wat telt, is het nu en wat er gaat komen. Ik wil niet alleen met het verleden bezig zijn. Ik ben er wel enorm trots op. En niet ten onrechte, denk ik. Als je bedenkt hoe we opgegroeid zijn en hoe we nu leven, dan moet je erg dankbaar zijn.”

Wat is uw geheim?

“Waarschijnlijk is het een combinatie van kleine dingen. Talent, uiteraard. Mijn ouders die de eerste aanzet hebben gegeven. De sponsoren die me hebben geholpen toen de mogelijkheden van mijn ouders waren uitgeput. En misschien ook de feeling om met de juiste mensen op de juiste manier om te gaan. Ik was op relatief jonge leeftijd alleen op pad en moest voortdurend beslissingen nemen, mensen taxeren om te zien met wie je verder kunt en met wie niet. Maar uiteindelijk is het toch een kwestie van lot.”


U keert terug op een moeilijk moment voor de Formule 1. Grote teams zijn schuldig bevonden aan manipulatie, er was het seksschandaal rond voormalig FIA-voorzitter Max Mosley, het terugtreden van Honda en BMW, de gevolgen van de economische crisis, het veranderde milieubewustzijn van de mensen, de gewetenloosheid van een figuur als Flavio Briatore, die een van zijn coureurs met opzet een ongeluk liet veroorzaken zodat Alonso kon winnen. Het lijkt wel een gekkenhuis.

“Zulke schandalen en de hysterie eromheen zijn er altijd al geweest. Maar het wonderlijke is dat ze de Formule 1 blijkbaar niet schaden. Ik ben er zelfs van overtuigd dat ze bijdragen aan de aantrekkelijkheid, de glamour. Hoewel Briatore echt te ver ging. Daar is een grens overschreden.”

Is die grens dan niet duidelijk?

“In mijn ervaring wel. Heel lang hoorde strijd met alle geoorloofde én ongeoorloofde middelen erbij. Toen ik in de Formule 1 ging rijden, werden coureurs er nog voor op de schouders geslagen als ze alle middelen gebruikten. Dat was toen een soort basisopvatting. Maar de tijd verandert. Tegenwoordig kunnen zulke dingen niet meer omdat ze maatschappelijk niet meer worden getolereerd. Dus strijden we nu alleen nog met geoorloofde middelen.”

Moet je als coureur eerder technicus zijn dan kunstenaar?

“Beide. Je moet mechanische processen kunnen begrijpen. Anderzijds heb je de gave nodig om je dingen in combinatie met elkaar te kunnen voorstellen, dus een visie hebben en je die kunnen voorstellen.”

Welke dingen?

“In een raceauto worden voortdurend nieuwe onderdelen gemonteerd en details gewijzigd. Als coureur moet je een inzicht ontwikkelen hoe die nieuwe of aangepaste onderdelen in combinatie met elkaar kunnen functioneren. Zelfs in de snelste auto schuilt nog wel ergens een probleem; dát maakt de Formule 1 zo spannend voor mij. Er bestaat geen auto waaraan niets meer te verbeteren valt. Het gaat steeds door. En in de buurt te komen van die grens waar alles perfect is, dat geeft mij een groot gevoel van geluk.”

Detlef Hacke, Georg Mascolo en Lothar Gorris