Bastaardliberalisme

Het populisme wil de natie bevrijden van bureaucratie en elites, maar is zelf verre van liberaal

Een veelgehoorde wijsheid wil dat het tegenwoordig niet om de inhoud van de politiek gaat, maar om de poppetjes. Dat zal verklaren dat alle duidingen van de gemeenteraadsverkiezingen op 3 maart voorbijgingen aan de ideologische trends binnen het kiezerskorps. Kiezers heten pragmatisch te zijn en graag op winnaars te stemmen. Ik zal het niet tegenspreken; het ‘Cohen-effect’ dat nu rondwaart, getuigt ervan. Toch was er een trend zichtbaar die met enige goede wil ‘inhoudelijk’ genoemd kan worden. Zowel binnen rechts als links verloren de partijen die gemeenschapszin vooropstellen (CDA) en een collectieve aanpak voorstaan (PvdA en SP), terwijl partijen met vrijheid in hun naam (PVV en VVD) of die een vrijzinnig levensgevoel uitstralen (D66 en GroenLinks) wonnen.

Dat kan toeval zijn, maar ik ben zo vrij er iets meer in te zien. Na de ineenstorting van Wall Street leek het even alsof een ideologische omslag aanstaande was en het oude linkse geluid weer de wind in de zeilen had. Maar de kritiek op het ‘neoliberalisme’, in Nederland vooral door de SP verwoord, is niet aangeslagen. Weliswaar is binnen de PvdA, nu met een klassieke regent als gezicht, een discussie gaande om de overheid weer een sterkere stem te geven, maar de kiezers denken er anders over. Als er echt heimwee bestaat naar de tijd van Joop den Uyl, had dat uit de uitslag moeten blijken. Ik heb niemand gehoord over de spreiding van kennis, macht en inkomen, en de partijen die zeggen dat het ‘socialer’ moet, hebben niet kunnen uitleggen hoe ze dat dan gaan doen.

Dat is minder raar dan het lijkt. Het ‘failliet van het kapitalisme’ heeft gaten geslagen in nationale schatkisten en laat weinig ruimte voor linkse beleidsexperimenten. En met banken redden verdienen linkse politici in eigen kring weinig kredietpunten. Dat is wereldwijd zo. In Amerika gaf de on-dergang van Wall Street het laatste zetje voor de verkiezing van Barack Obama, maar ook hij moest te rade gaan bij dezelfde jongleurs die de crisis hadden veroorzaakt. Dat zorgt voor grote ontnuchtering. Zo gezien is de vrije markt, die zichzelf ook van links mag corrigeren (en dat deels ook doet), sterker dan ooit. Tegelijk hebben Obama’s plannen tot invoering van een algemene ziektekostenverzekering het land tot op het bot verdeeld. Amerika houdt niet van een grote federale overheid: zie het succes van de ‘Tea Party’s’ die zich op lokaal niveau afzetten tegen het ‘socialisme’ in Washington. In Europa zien we iets vergelijkbaars met de afkeer van ‘Brussel’, dat als bemoeizuchtig, elitair en antidemocratisch geldt.


Afkeer van de overheid, meer nog dan van de markt, is overal in de westerse wereld een dominant gegeven. Ook in Duitsland – de bakermat van het socialisme, waar het ka-pitalisme op argwaan stuit – is de SPD afge-lopen herfst na een historische nederlaag door Angela Merkel ingeruild voor de liberale FDP. Dat haar ‘droomcoalitie’ nu al teleurstelt, doet daar niets aan af en zorgt voor een verdere afkeer van de gevestigde volkspartijen, waar-toe ook de CDU behoort. Tevens bestaat er onder de burgerij in de rijkere Noord-Europese landen angst op te moeten draaien voor de tekorten van anderen, de frauderende en potverterende Grieken bijvoorbeeld. Dan hebben we het nog niet over Italië, waar de politiek minstens zo corrupt is. Waar de markt een abstractie is, zijn overheden dat niet. Zij horen niet alleen voor recht en orde te zorgen, maar ook voor sociale rechtvaardigheid en betrouwbaar bestuur. Maar in plaats daarvan zien we overheden die zich met van alles en nog wat bemoeien en tegelijk op eigen gezag zonder heldere prioriteitstelling taken afstoten als ze het organisatorisch en financieel niet meer aankunnen. Dat zorgt voor gevoelens van onmacht en willekeur, en het idee dat de eerlijke, hardwerkende belastingbetaler altijd de zwaarste lasten draagt.

Hierin zit een paradox. De mensen met de grootste onvrede voelen zich door hun eigen politici in de steek gelaten, en eisen niet minder maar meer overheid, die ook nog ‘harder’ moet optreden. Het hedendaagse populisme wil de eigen natie bevrijden van de geldversp illende bureaucratische staat en de leuterkoek verkopende elites, maar is zelf verre van liberaal. Kritiek op het ‘neoliberalisme’ is dit populisme vreemd, ideologisch is het van alle markten thuis. Maar een man als Geert Wilders als ééndagsvlieg afdoen kan niet. Daarvoor maakt hij te zeer deel uit van een breder fenomeen dat zich in de schoot van alle westerse democratieën aan het nestelen is en in een gapend gat gedijt. Je zou van ‘bastaardliberalisme’ kunnen spreken. Het is de prijs van tekortschietende overheden die ook nog eens voor onpeilbare financiële tekorten zorgen.

import dirk jan van baar