De kunst van het nee zeggen

Met grote tegenzin gingen Duitsland en Nederland toch akkoord met een financieel noodplan voor Griekenland. Onder strenge voorwaarden uiteraard, met een rol voor het IMF, maar er is ook iets besloten dat in de richting gaat van de wensen van landen als Frankrijk en België, die minder strikt zijn in de monetaire leer en een soort Europees economisch ‘bestuur’ voorstaan. Een typisch Europees compromis dus, waarbij de pleitbezorgers voor prijsstabiliteit en een ‘harde’ euro water bij hun straffe wijn hebben gedaan. In hoeverre dit akkoord ook houdbaar is, zal de naaste toekomst uitwijzen. Van Frankrijk kun je echter niet zeggen dat het tot de ‘zachte krachten’ in Europa behoort. Integendeel, de Fransen gelden als vasthoudende onderhandelaars, die nooit zullen rusten voordat ze hun zin hebben gekregen. Nederlanders ergeren zich daaraan, maar hebben er tegelijk bewondering voor.

We moesten maar eens vaker ‘nee’ tegen Brussel zeggen, kon je de laatste jaren vaak horen. Nou, dat hebben we geweten. De Europese Grondwet stuitte op massale afwijzing van de burgers en dat Nederlandse ‘nee’ stond niet alleen: de Fransen waren ons een paar dagen eerder voorgegaan. Maar waar Frankrijk de Europese draad weer heeft opgepakt en doet alsof het altijd de andere lidstaten zijn die voor problemen zorgen (zo kregen de Duitsers het verwijt te veel te exporteren en te weinig te consumeren), weet Nederland zich geen raad. De Haagse elite wil verder met Europa, maar ziet zich geconfronteerd met een onwillige bevolking die alles uit Brussel als bemoeizucht ervaart. De Nederlandse burgers willen baas blijven in eigen huis en niet door het buitenland op kosten worden gejaagd.

Op zich is dat niks bijzonders. Ook de Duitsers zijn het als nettobetalers aan de EU beu om steeds de rekening voor andere lidstaten te betalen. Maar zij zijn groot en hebben het constitutionele hof in Karlsruhe, dat over de Duitse soevereiniteit waakt. In Nederland gold het vasthouden aan nationale soevereiniteit lange tijd als gepasseerd station, waardoor ook het denken daarover is verslonsd. Het is echter geen gegeven dat kleine landen altijd moeten inbinden. Buiten de EU bewaken Noorwegen en Zwitserland nauwgezet hun nationale belangen, al staat het Zwitserse bankgeheim onder druk.

Israël, een klein landje in een vijandige omgeving dat zich achter een muur verschanst, trotseert zelfs zijn beste bondgenoot (Amerika) en gaat door met de bouw van nederzettingen op betwist terrein. Wie wil weten hoe je als klein land desnoods tegen de hele wereld in je hakken in het zand zet, kan bij de joodse staat terecht. Zoiets gaat niet vanzelf; dat krijg je van de wieg tot het graf aangeleerd.


Binnen de EU zei Denemarken in 1992 al een keer ‘nee’ tegen het verdrag van Maastricht en wist het een ‘opt-out’ uit de muntunie te bedingen. Ook het Verenigd Koninkrijk geldt als dwarsligger, al is het in Europa zowel groot als perifeer, en heeft het voor Nederland geen voorbeeldfunctie meer. En dan zijn er nog lidstaten als Italië, die zich volgzaam opstellen maar intussen hun eigen gang gaan, niet gehinderd door Europese regels en verdragen. Het is de kunst van het ‘ja’ zeggen en ‘nee’ doen. Op hun manier waren de Grieken hier ook mee bezig. Dubbel boekhouden is eigen aan landen met een grote schaduweconomie.

Hiermee wil ik niet zeggen dat Nederland het braafste jongetje van de klas is. Dat verongelijkte beeld is favoriet in eigen land, maar gaat voorbij aan alle winsten die een pragmatische handelsnatie met laisser faire en gedoogbeleid boekt. Kleine landen die aan hun nationale eigenaardigheden willen vasthouden, kunnen dat het beste in stilte doen. Belgen en Luxemburgers bewaken hun belangen door zich klein voor te doen en tot spreekbuis van de groten te maken, maar dat is onze trots te na. Zo denkt Nederland met zijn geldadel (inmiddels vergane glorie) een financiële speler van formaat te zijn en stellen wij ons in monetaire zaken publiekelijk ‘hard’ op. Maar als de balans wordt opgemaakt, blijkt daar weinig van waargemaakt, waardoor het thuisfront met het gevoel blijft zitten dat onze politici weer eens door de pomp zijn gegaan. Niet slim, gezien de huidige antistemming.

Nederlanders zijn gewend te schipperen; het ‘je rug recht houden’ dat nu bij alle politieke partijen als hoogste gebod geldt, past daar niet in. Dwarsliggen vereist een staatsmanskunst waarvoor we te weinig antennes hebben. Het zou voor onze mentale weerbaarheid beter zijn als we politici hadden die zich dat bewust zijn, in Europa geen onhaalbare eisen stellen en niet voor de bühne doen alsof ze hun poot stijfhouden. In de beeldvorming leidt dat slechts tot brekebenen.

Meer leuke content? Like ons op Facebook

import dirk jan van baar