De liefde voor de Lullo

Voorafgaand aan hun tijdelijke reünie die deze week begint, blikken de makers van Jiskefet terug op hun succesnummers en hoe die tot stand kwamen. ‘Het draait om toeval en improvisatietalent. Valt je niet op hoe vaak we ‘wat zeg je?’ roepen?’

‘De peniskoker!” zegt de productieassistente en ze kijkt vragend rond. “Wacht even!” reageert Michiel Romeyn quasi-gechoqueerd. “Wat vraag je nú weer? Laat me hem eerst nou effe wassen!” De assistente laat zich niet van de wijs brengen en vervolgt: “Hoe gaat dat ding eruitzien?” Romeyn maakt een schetsje: ‘zó!’ Het meisje kijkt ernaar. “Maar mannen die zo’n ding dragen, zijn meestal naakt en jij hebt een pak aan. Dus waar komt dat ding dan vandaan?” Romeyn staat op en zegt met een ranzige glimlach op zijn gezicht: “Kom maar even mee naar achteren, dan laat ik je het wel even zien.” Herman Koch en Kees Prins lachen geamuseerd. Het is twee weken voor de eerste voorstelling en de stemming zit er al in.

In de Amsterdamse werkruimte van de Jiskefet B.V. staat een grote tafel, waaraan zo goed als alle creaties van Koch, Romeyn en Prins zijn ontstaan. Vandaag, aan de vooravond van de Heb Je Nog Geneukt Toer, wordt de kleding van de verschillende karakters nauwgezet doorgenomen en op papier gezet. Draagt Tony van Heemschut zijn standaard zwarte jasje? Of moet hij voor deze feestelijke gelegenheid toch maar een colbert vol kleurige pailletten aan? Romeyn stuitert in wisselende outfits heen en weer tussen kleed- en werkruimte. Vanwege teleurstellende beeldresultaten in een plaatselijke krant roept hij bij wijze van running gag voortdurend ‘géén snapshots!’, maar tegelijkertijd is híj het die de aanwezige fotograaf voortdurend uitdaagt tot het maken van compromitterende foto’s.

Romeyn is sowieso de ‘Jiskefet’ die zich het meest lijkt te verheugen op de reünie: hier, in het eigen hol van de leeuw, oogt hij als het spreekwoordelijke kind in de snoepgoedwinkel. Met pretlichtjes in de ogen strooit hij kwistig met kwinkslagen, stemmetjes en anekdotes. En wanneer hij even geen tekst meer heeft, briest hij als een ADHD-puber een AC/DC-rifje dat hij naar eigen zeggen maar niet uit zijn kop kan krijgen. Het moge duidelijk zijn: Romeyn heeft er zin in. Kees Prins zit met een brilletje op achter zijn laptop en probeert de door iTunes niet herkende Jiskefet-cd’s van herkenbare titels te voorzien. Maar hoe doe je dat? Soms debiteert hij met zijn krakende basstem ook een mening, maar breedsprakig zijn die bijdragen nooit. Herman Koch zit er, alsof hij net toevallig uit de lucht is komen vallen, wat verbaasd bij. Een minzame glimlach ligt op zijn gelaat bestorven en dat mag ook wel wanneer je met de roman Het diner meer dan 350.000 boeken hebt verkocht. Hij is de man die, op een heel ander vlak, de meest succesvolle post-Jiskefet-carrière heeft gemaakt. En dat lijkt hij, onbedoeld misschien, uit te stralen.


Want er was nog leven na de dood van Jiskefet. Koch schreef dus een bestseller, Prins profileerde zich als cabaretregisseur en ging op tournee met Paul de Munnik en J.P. den Tex. En Romeyn speelde Sinterklaas in de succesfilm Alles Is Liefde, exposeerde beeldende kunst en bracht een dichtbundel uit. Hij is degene die Jiskefet het meest heeft gemist, de man die, terugdenkend aan de hoogtijdagen van de serie, Jiskefet typeert als ‘één groot vliegwiel, waar in 2005 ineens een pin in werd gestoken’. Terwijl hij dit zegt, doet hij een klap, gevolgd door sputterende geluiden, na. “Met veel herrie en rookontwikkeling stop je dat ding,” memoreert hij met een nostalgische blik in de ogen, “en dan vraag je je af: wat nu? Ik heb daar best moeite mee gehad. En natuurlijk ook met het loslaten van de figuren die erin voorkwamen. Soms betrap ik me erop dat ik weer een bepaalde stem opzet. Missen doe ik ze misschien niet. Maar het was – en is nog steeds – wel erg lekker om ze te spelen.”

Wat niet wil zeggen dat Romeyn destijds door had willen gaan. Steeds vaker moesten zijn makkers hem eraan herinneren dat de ideeën die hij had al een keer eerder waren gedaan. Romeyn: “Ik vergeleek Jiskefet weleens met hetzelfde rondje om de kerk, of met een spijkerbroek waar vale plekken in begonnen te komen.” Kees Prins heeft geen metaforen nodig om de laatste seizoenen van Jiskefet te duiden: “We begonnen onszelf te herhalen, punt.”

Op de vraag of het trio niet eerder aan stoppen had moeten denken, antwoordt Prins: “Dat hebben we zeker gedaan. Misschien zijn we ook wel tegen beter weten in doorgegaan. Dat we dachten: er moet toch nog wel iéts zijn waar we nog wat leuks van kunnen maken.” Koch voegt daaraan toe dat het altijd jammer is om op een slap moment te stoppen. “Liever nog een piekje maken, en dan stoppen. En als je dat dan ook weer weet – namelijk dat je van plan bent om te stoppen – dan is het psychologisch gezien ook weer makkelijker om te pieken. Dat hebben we volgens mij dan ook gedaan.”


Prins: “Daarna was de beslissing om ermee op te houden unaniem. In die vijftien jaar hebben we allemaal weleens een keer gezegd dat we wilden stoppen. Dat waren van die minicrisisjes en dan gingen we toch weer door. Maar dit was veel duidelijker. En dat we al die figuren die we hebben bedacht met dat besluit hebben vermoord, lijkt wel zo, maar is natuurlijk niet waar. Je vermoordt die figuren niet, want ze bestaan helemaal niet. Ze bestaan alleen maar wanneer je ze opneemt en uitzendt. Maar wanneer ik dan weer naar huis ga, dan neem ik ze niet mee naar huis.”

Herman Koch was zelfs wel blij dat hij zijn alter ego’s niet meer hoefde te spelen. “Die kantoorjongens, bijvoorbeeld. Ik ben het met Michiel eens dat het lekker is om af en toe in een figuur te schieten. Maar die Jiskefet-figuren waren wel op. Op het moment dat je ze ontdekte, waren ze het leukst. Of dat nou Tampert was of een Lullo… Zo’n moment dat je denkt: o, dit kan ook! Dat is het spannendst. Maar de spanning raakte er natuurlijk geleidelijk af.”

Koch en Romeyn verlaten de tafel even om zich te verkleden als Duitse soldaten, want ja: ook Wolfgang en Günther zullen in de HMH hun opwachting maken. Ze worden gesecondeerd door een dansgroepje nazistisch uitgedoste meisjes. Of ze lange leren SS-jassen moeten dragen of wat kortere, geilere jasjes – daar zijn de mannen het nog niet over eens. Enige minuten later staan Wolfgang en Günther in volle glorie voor ons. Onwillekeurig zoemt een van hun briljante teksten door het hoofd. “Wij zijn hier gekomen in een tijd dat er, zeg maar gerust, een conflict was tussen de toenmalige Duitse regering en de toenmalige Nederlandse regering, een conflict dat nu helemaal niet meer bestaat, en we zijn toen eigenlijk hier een beetje blijven hangen.” Precies: de Wiedergutmachungsschnitzel-sketch. Grappig hoe elk kostuum en elk typetje meteen verandert in een bijbehorende tekst. Heb je nog geneukt? van de Lullo’s en Goeiesmorgens! van Debiteuren Crediteuren zijn onsterfelijk gebleken. Toch lag dat succes helemaal niet voor de hand. Kees Prins wil best onthullen dat ze Debiteuren Crediteuren alleen maar zijn gaan doen omdat Jan-Willem Deij al zo’n mooi decor had gebouwd en het ‘zo lullig’ was geweest om het niet te gebruiken. Romeyn: “Je kon het zo mooi wegvouwen in dat van de Lullo’s. Heel knap gedaan.” Koch: “De eerste keer dat we Debiteuren Crediteuren speelden, was dat met een groot gevoel van schaamte. Maar er ging een golf door het publiek, zo van: wat doen ze nu zeg…” Romeyn: “Ze braken de tent af! Toen dachten we: kom op! Dát smaakt naar meer.” Prins: “Eigenlijk kwam het zo: tijdens het repeteren van andere scènes maakten we altijd heel flauwe, slechte grappen. Zelf moesten we daar heel hard om lachen, maar we konden ze nergens in kwijt. En we vonden al een tijdje dat we toch een keer iets met slechte humor moesten doen. Maar dan riep iedereen toch meteen weer dat dat niet kon.”


Romeyn: “Eerst waren het stofzuigerverkopers die elkaar in een wegrestaurant tegenkwamen.” Prins: “En toen hadden we het ineens: dit is kantoorhumor! Maar nog dachten we: we gaan dit toch niet echt voor publiek doen. Maar het publiek begreep precies wat het was.”

Koch: “Het was een omkering. We hebben nooit gedacht: we gaan een komische serie in een kantoor maken zoals voor en na ons heel vaak is gebeurd. Nee, we hadden eerst die slechte grappen en daarna pas de plek waar we ze konden gebruiken. Van die humor die je ook hoort bij de bakker als iemand wat los geld laat vallen. Zo van (zet een Brabants stemmetje op): ‘Hé, gaan we strooien? Het is nog geen Sinterklaas hoor, hihihi…’ Het zijn eigenlijk grappen waar je mensen mee lastig valt.”

Toeval bestaat niet. Debiteuren Crediteuren was dus eigenlijk een soort afvalbak, exact wat het woordje jiskefet in het Fries betekent. Koch beaamt het. “Het afval werd het kantoor. En gelijktijdig past het toch ook een beetje in de traditie van John Lanting en André van Duin. Van die oei-ik-glij-uit-humor. Op een gegeven moment dachten we: laten we het maar gewoon schaamteloos doen.”

De Lullo’s ontstonden uit afgrijzen. Kees Prins herinnert zich dat hij een keer in de Brakke Grond zat toen de Beurs net was uitgegaan. “Al die beursjongens gaan op de vrijdagavond iets te veel drinken en komen dan los uit die pakken waar ze in zitten. En toen dacht ik: met dit soort types moeten we toch eens wat doen. Maar wat er dan fascinerend aan was, en wat ik ermee wilde doen, dat wist ik toen nog niet. Maar ik wilde er wél iets over zeggen.”


Romeyn weet ook nog wel wat: “Het is verschrikkelijk volk, dat staat als een paal boven water. Je wilt dan toch laten zien dat er écht mensen zijn die zich echt zó gedragen.” Koch: “Zo’n groep die bezit neemt van een café heeft iets schaamteloos. Het heeft ook iets ironisch. Ik herinner me nog van de eerste keer dat we ze speelden. Ik begreep ineens hoe léuk het is om zo’n lul te zijn! Dat je je ineens realiseert: o, zit dat zo! Dat is hetzelfde met een proleet spelen. Om gewoon eens écht ‘vieze vuile tyfus- lijder!’ tegen iemand te roepen. Dat is heerlijk! Enorm bevrijdend.”

Het is ook weer niet zo dat je door een persiflage ineens begrip krijgt voor iemand die je eerst verachtte. Koch: “Je snapt hoe het mechanisme bij die mensen werkt. Hoe iemand zo verschrikkelijk autoritair kan zijn…” Prins: “Zoals die Lullo’s volslagen vrouwonvriendelijk en zonder enige nuance door het leven gaan – dat is heel lekker om te spelen. Als je tijdens de opnamen voor het publiek staat, dan ben je gedwongen om je helemaal in te leven en het te dóen zoals die types het doen – anders kun je het niet spelen. Maar je moet ook de Lullo in jezelf naar boven halen.” Het adagium ‘er huist een Lullo in ieder van ons’ bevalt de andere twee wel. Romeyn: “Je moet hem alleen aanboren.” Koch: “In het verlengde daarvan kom je in het beroepsleven, onder medici of politici of waar dan ook, van die figuren tegen van wie je denkt: die is er natuurlijk een geweest. Die daar was een Lullo toen hij twintig was.”

Het is de Lullo in Kees Prins die de Heb Je Nog Geneukt Toer mag openen. Als Kamphuys zal hij Tony van Heemschut aankondigen, die samen met een liveband het openingsnummer verzorgt. Tijdens de repetities wordt ineens duidelijk waarom Michiel Romeyn voortdurend een AC/DC-deuntje liep te zingen: het nummer Riff Raff van die Australische band is de opener. Romeyn hangt een witte Fender Telecaster om zijn nek en zijn vingers ‘playbacken’ het rifje zó goed, dat je zou zweren dat hij het écht staat te spelen. En het moet gezegd: de expressie op zijn paars aanlopende gezicht is daar debet aan. Zelfs tijdens de repetities doet hij geen half werk. Koch oogt wat nerveuzig en houdt zich verder afzijdig. Het is Prins die het overzicht bewaart en de regie in handen houdt. Het volgende nummer is Denise van de Jiskefet-cd Bull uit 1997. De Franse tekst is verloren gegaan en terugluisterend naar zijn eigen zang kan Prins lang niet alles meer verstaan. In het universum van Jiskefet blijkt dat een minor detail. Koch wijst naar een plaats in het script waar ‘cross-talk Kamphuys/Kerstens’ te lezen staat. “Dat is alles,” legt hij uit. “Verder staat er nog geen woord van die sketch op papier. Maar zo ging het vroeger ook.” Romeyn: “We hebben alles altijd een beetje uit de losse pols gedaan. Hoe korter d’r op, hoe leuker; dat geldt voor alles.” Koch: “De meeste scènes van de Lullo’s zijn destijds ingekort omdat ze te lang waren. En het vermoeden bestaat dat er dingen puur vanwege de lengte zijn gesneuveld en niet om de kwaliteit. Dus misschien kunnen we wat laten zien wat niemand ooit gezien heeft. Maar misschien valt het enorm tegen en dan doen we het maar niet. Dan wordt het toch weer improviseren. Je moet nog maar eens een aantal van die oude opnamen terugkijken. Het zal je dan opvallen dat we heel vaak ‘wat zeg je?’ naar elkaar roepen. Dat was echt niet omdat we hardhorend waren. We hadden wel bij benadering opgeschreven hoe een sketch zou gaan verlopen en hoe hij zou eindigen. Maar verder hadden we geen idee wat de ander zou gaan zeggen. En het zou me niks verbazen wanneer het in de HMH weer zo gaat.”


Jiskefet verdween vijf jaar geleden van het scherm, maar komt weer kortstondig tot leven. Onder de naam Heb Je Nog Geneukt Toer staan Herman Koch, Michiel Romeyn en Kees Prins van 3 tot 9 april zes keer in de Heineken Music Hall (HMH) in Amsterdam. De hoofdrollen zijn weggelegd voor de Lullo’s, maar ook de kantoorparodie Debiteuren Crediteuren en illustere creaties als Melvin en Tony van Heemschut zullen rond de Paasdagen met een luid ‘Goeiesmorgens!’ nog één keer uit het graf herrijzen.

Ruud Meijer