De tussenpaus

Ik heb ‘m gezien, de nieuwe eerste man van het CDA. Zijn naam: Maxime Verhagen, 53 jaar, demissionair minister van Buitenlandse Zaken. Ideaal voor het moment, maar zo te zien geen blijver.

Dit is het scenario waarin Maxime Verhagen (Maastricht, 1956) vanaf 9 juni aanstaande figureert: omdat het CDA de verkiezingen verliest, maar uiteindelijk toch minder fors dan gedacht, en de PvdA ongeveer even groot blijft als in 2006, zijn deze twee grootste partijen opnieuw tot elkaar veroordeeld. Wouter Bos is al weg, Jan Peter Balkenende trekt zijn conclusies en nieuwe CDA-gezichten maken de weg vrij voor een nieuwe ronde. Niet meteen met Jan Kees de Jager, Ab Klink of Gerd Leers – die zijn te goed en te kostbaar om meteen te worden geofferd voor de stemmentrekkende kannibaal Job Cohen.

Maar wel met Maxime Verhagen. De gelouterde en beminnelijke diplomaat lijkt de ideale tussenpaus om netjes met Cohen op te trekken maar hem ondertussen geraffineerd te bewerken en uit te hollen totdat diens electorale effect is gevaporiseerd, en het CDA weer heeft kunnen opkrabbelen. Verhagen zal dan ruimhartig plaatsmaken voor nieuw en fris talent waarmee de partij weer decennia vooruit kan.

Hij was vorige week in het Anne Frank Huis om daar voor een gehoor van voornamelijk studenten zijn tweede mensenrechtenrapportage te presenteren. Een begenadigd spreker is Verhagen niet, en dat hoeft hij ook niet te zijn. In dat meanderende Limburgse accent van hem mist een zin als ‘Ik vind dat nog steeds onaanvaardbaar’, de boosheid die erbij zou moeten horen. Gecombineerd met het onvermijdelijke jargon – ‘megafoon-diplomatie’, ‘soort van schonehandenpolitiek’ – en zijn neiging tot oplezen, vergt een half uurtje Maxime het nodige uithoudingsvermogen.

Daarover beschikte Victoria Koblenko, de gevaarlijk hooggehakte presentatrice van dienst, wel. Tijdens de zaaldiscussie probeerde Koblenko, in het dagelijks leven actrice, nog wat los te maken, maar de sufgebeukte koppies hingen al, snakkend naar het buffet, waar het vuur onder de pan met gehaktballen reeds was aangestoken.


Na afloop van zijn presentatie mengde Verhagen zich onder de studenten. Zijn lange gestalte, de gebruinde kop, de jeugdige middenscheiding en zijn goedlachsheid – dit alles bezorgde sommige vrouwelijke studenten zo’n blik in de ogen die mannen zoals Maxime maar al te goed en graag herkennen. Met een pilsje in de hand schonk hij eenieder welwillend aandacht. Geen vraag was te dom, nimmer keek Maxime op zijn horloge. Ik stelde me voor dat hij, bij Hillary Clinton op de thee, eenzelfde gemoedelijkheid aan de dag zou leggen.

Ook Gieneke Talsma, zijn politiek assis-tent, is een bewonderaar van haar baas, al moet zij, moeder van twee jonge kinderen, veel overuren maken (Maxime verlangt van zijn personeel een overgave gelijk aan die van hemzelf). Gieneke mijmert weleens over een gewone baan waarbij ze ‘lekker al om zeven uur ’s avonds thuiskomt’. Maxime echter lijkt innig tevreden met wat het politieke leven hem heeft gebracht: het fractieleiderschap en de uitgekomen ‘jongensdroom’ van het ministerschap van Buitenlandse Zaken. Toch, een mens begint, eenmaal in de herfst van het arbeidzame leven aanbeland, geleidelijk aan anders over een aantal zaken te denken. Maxime maakt de indruk niet meer zo nodig vooraan te hoeven staan. En het moet gek lopen of Limburg en Maastricht beginnen niet weer te kriebelen. Een Limburger keert altijd terug naar zijn geboortestreek, een Maastrichtenaar helemaal. We zien Maxime zo zitten op een terrasje aan het Vrijthof, zijn dagen slijtend als burgemeester, wiens belangrijkste taak eruit bestaat de in 1794 door het Franse leger geroofde Mosasaurus terug naar Maastricht te halen.

In doen en laten lijkt Verhagen een beetje op Ruud Lubbers, de langstzitten- de premier uit de naoorlogse geschiede-nis, die zich eveneens in de hoofdstad blijkt te bevinden. In De Rode Hoed, om precies te zijn, op een bijeenkomst ter nagedachtenis van Hans van Mierlo.


Daar zijn ook op leeftijd geraakte kanonnen als Jan Terlouw, Laurens Jan Brinkhorst en Els Borst.

Het weerzien met de oud-premier veroorzaakt een schokje. Lubbers, zeventig jaar nu, loopt nog meer gebo- gen dan vroeger en betreedt het trapje naar het podium met uiterste voorzichtigheid. Borst en Terlouw, die de tachtig naderen, weigeren bij hun optredens elke handreiking en overleven het gelukkig.

Eenmaal aan het woord laait het oude, politieke vuur weer op. Els Borst houdt een perfecte toespraak met veel anekdotes. Jan Terlouw, gezegend met een stem die de woorden streelt, wordt nooit soft of larmoyant. En dan Lubbers. Een paar minuten in de rol van mens, maar dan weer het politieke dier dat we zo goed kennen. Het D66-volk kan het matig waarderen, maar Lubbers’ pleidooi voor het vastleggen van een ‘ethische basis’ in een toekomstig coalitieakkoord is wel degelijk een oproep aan Alexander Pechtold en Balkenende, al verkoopt hij zijn boodschap listig als iets dat wij verschuldigd zijn aan Van Mierlo.

Anders dan de vlakke toespraak van Verhagen kenden de speeches van de oud-politici een klassieke opbouw: aan het begin de stomp in de buik, gevolgd door een middenstuk waarin steen voor steen het materiaal wordt aangedragen dat naar de uitsmijter leidt. Ook opmerkelijk: elk van hen hield er precies op tijd mee op. Wij toehoorders snakten telkens naar meer.

In de pauze spraken we Lubbers aan met de uiterst omzichtig gestelde vraag of onze waarneming terzake de politieke toekomst van Maxime Verhagen hout sneed. Lubbers grinnikte veelbelovend, maar de vraag was ‘m ‘veel te link’, en dankbaar klampte hij een oudere dame in een bloemetjesjasje aan die hem omhelsde en meetroonde naar ander gezelschap.


Van een man met zijn statuur had ik meer verwacht. Ik vermoed dat Maxime wel antwoord zou hebben gegeven. Desnoods een leugentje had verkocht, een grap had gemaakt of met een stalen gezicht zou hebben beweerd dat zijn mening volstrekt irrelevant was. En dan zou hij me gevraagd hebben wat ik wilde drinken, waarna Gieneke of een andere hulp de bestelling had opgenomen. Maxime zou nooit zijn weggelopen.

Frans van Deijl