Koor met acteursbloed

De ster van het Koor van De Nederlandse Opera is rijzende. De vocale prestaties vallen ook buitenlandse recensenten steeds vaker op. De meeste zangers schromen bovendien niet om extreme wensen van regisseurs te vertolken. De herneming van de monsterproductie Les Troyens bevat weer nieuwe uitdagingen: het overwinnen van hoogtevrees

Terwijl het publiek in de zaal van het Amsterdamse Muziek- theater tijdens de een na laatste uitvoering van Der fliegende Holländer aan de lippen hangt van Wagnerbas Juha Uusilato, vult de koorgang in de kelder van Het Muziektheater zich met leden van het Koor van De Nederlandse Opera (DNO). Het is een opmerkelijk allegaartje: geschminkte dames in badjassen, heren in matrozen- en kapiteinskostuums. En waar hebben ze het over? Over het komend overleg met de directie en over de nieuwe cao. Achter de coulissen is de scheidslijn tussen illusie en werkelijkheid heel erg dun.

De Nederlandse Opera mag zich de laatste decennia verheugen in toenemende internationale belangstelling. Sinds Pierre Audi in 1988 werd aangesteld als artistiek leider, heeft het gezelschap een aanzienlijke ontwikkeling doorgemaakt. Hij heeft het operahuis met spraakmakende en vernieuwende ensceneringen internationaal op de kaart gezet, samen met zakelijk directeur Truze Lodder. Wagners Ring-cyclus, Parsifal, Messiaens Saint François d’Assise: stuk voor stuk producties die artistiek en muzikaal konden wedijveren met het beste wat er op dat moment internationaal te zien was. De dvd van Saint François d’Assise behaalde zelfs een Grammy-nominatie.

Dat was niet in de laatste plaats dankzij de bijzondere verrichtingen van het koor dat, parallel aan de successtory van het operahuis, ook stukken beter is geworden. En dat mag ook weleens gezegd, want meestal gaat de aandacht uit naar regisseur, dirigent, solisten en orkest. Onterecht. Als het Britse muziektijdschrift Grammophone – dat twee jaar geleden het Koninklijk Concertgebouworkest tot het beste orkest ter wereld uitriep – een soortgelijke ranking op het gebied van internationale operakoren zou publiceren, zou het Koor van De Nederlandse Opera vermoedelijk tot de topdrie behoren. Dat begint ook internationaal op te vallen.


“The chorus of the Netherlands Opera plays perhaps the most impressive part, with singing of staggering discipline and power,” schreef de Financial Times over Saint François d’Assise. The Guardian schreef: “(-) the choral singing was superb in its intensity.” Over Boris Godoenov noteerde het gezaghebbende tijdschrift Oper & Tanz: “Klarer, stringenter und überzeugender kann ein Chor den ‘Boris Godunov’ nicht singen.”

“Natuurlijk zijn we fier op wat we hebben bereikt,” zegt de uit België afkomstige sopraan Michaela Karadijan (44) achter de coulissen van de Holländer, eind februari. Ze is elf jaar lid van het koor en maakte een aantal jaar deel uit van de auditie-commissie. “Maar het stelt ons ook voor dilemma’s, want hoe handhaaf je de kwaliteit in de toekomst? De gemiddelde leeftijd in het koor is nu veertigplus. Over tien jaar moet het ensemble dus grotendeels worden verjongd; maar waar vind je in Nederland jonge zangers met voldoende talent voor het operavak? Ik heb auditiedagen meegemaakt waar niemand van de twintig zangers die kwamen voorzingen, goed genoeg werd bevonden. Natuurlijk heeft dat te maken met de hoge eisen die we stellen. Gebrek aan ervaring speelt ook een rol.”

Karadijan schuifelt op haar sloffen naar de grime voor Der fliegende Holländer en neemt plaats achter een van de spiegels. “Weet u wat het probleem is? Op de conservatoria mogen studenten blij zijn als ze enkele uurtje per week zangles krijgen, en verder zit de tijdgeest niet mee. We leven in het Idols-tijdperk. De ene dag ben je niemand, de volgende dag ben je een ster. Er is een mentaliteitsverandering gaande, ook bij de jonge generatie klassieke zangers. Ze denken veel te makkelijk over dit vak. Ze denken dat het succes je komt aangewaaid als je een paar rolletjes hebt gezongen.”


Tijdens de lunchpauze, medio maart, in de kantine van Het Muziektheater is niet de komst van Berlioz, componist van de aanstaande productie Les Troyens hét gespreksonderwerp, maar het vertrek van PvdA-politicus Wouter Bos. Dan is het een kleine stap naar Geert Wilders en zijn opmerkingen over ‘cultuur als speeltje van de linkse elite’. Hoezo linkse elite, grapt een medewerker bij het koffieapparaat. Moet je kijken wie hier in de zaal zit.” Schertsend: “Cultuur is een speeltje van de rechtse elite.”

Bas-bariton Peter Arink (44) voegt zich bij het gesprek. “Wat een treurig land is dit toch soms,” zegt hij. “Je bent jaren bezig om iets moois op te bouwen, en dan wordt er zo over gesproken. Alsof het allemaal niets voorstelt.” Arink en zijn collega’s houden hun hart vast: voor Wilders en voor de komende bezuinigingsronde, waarbij de Amsterdamse PvdA al heeft laten weten dat cultuur niet zal worden gespaard. Hoe gaat dat straks? Zal de pensioengerechtigde leeftijd ook voor koorzangers worden opgerekt tot 67, of mogen ze net als de stratenmakers eerder achter de geraniums?

Tijdens de koorrepetitie in het Atrium van Het Muziektheater doen die vragen er niet meer toe. De sfeer is ontspannen en vrolijk. Er wordt veel gelachen, koordirigent Martin Wright moet zijn klasje herhaaldelijk tot stilte manen. Aan professionaliteit ontbreekt het echter niet. Elke aanwijzing wordt nauwkeurig opgevolgd. “Sotto voce,” roept Wright. Hij wil ‘meer lucht en minder kern’. Als bij toverslag verandert de klank. Het is pure magie, gecombineerd met heel veel vakmanschap en toewijding. “Wright is Johan Cruijff,” fluistert bas Ben IJland. “Er is gewoon geen betere.”


Geef IJland eens ongelijk. Wrights aanstelling lijkt net zo’n gouden greep als die van artistiek leider Pierre Audi. Tijdens de koorrepetitie – waarvan er in aanloop naar de première van Les Troyens zo’n dertig worden gehouden – blijkt hoezeer hij de complexe partituur beheerst. Hij hoort elk detail, geen onzuivere noot ontsnapt aan zijn aandacht; als het nodig is neemt hij ook nog even een solistenpartij voor zijn rekening. Bas-bariton Arink: “Het klinkt wat cru, maar veel koordirigenten hebben een cursus koordirectie gedaan en geen idee wat zingen is. Wright is zelf jarenlang solist geweest, en als dirigent bij het Groot Omroepkoor heeft hij veel ervaring opgedaan in het werken met zangers.”

Het koor respecteert zijn dirigent unaniem, en dat was weleens anders. Winfried Maczewski, Wrights voorganger, leidde het koor achttien jaar lang. Op zekere dag waren ze op elkaar uitgekeken. Sopraan Ineke Berends (51), die al meer dan twintig jaar bij het koor zingt en alle ups en downs meemaakte: “Maczewski is voor ons heel belangrijk geweest. Hij heeft het fundament gelegd waarop Wright kan voortbouwen, maar op zeker moment ken je elkaar zo goed. Dan weet je al wat iemand gaat zeggen voordat hij nog maar een woord heeft uitgesproken. Elke dirigent bereikt ooit zijn uiterste houdbaarheidsdatum. Dan heb je elkaar niets nieuws meer te bieden. We waren toe aan een frisse wind.”

In zekere zin zijn de dirigenten elkaars tegenpolen. Maczewski was gefocust op klankkleur, Wright gaat juist uit van tekst en partituur. Een koorrepetitie van Les Troyens lijkt soms wel een college Frans. Herhaaldelijk tikt Wright af en zet fonetisch de puntje op de i. “Die aanpak was in het begin wel even wennen,” zegt IJland. “Hij laat ons hele stukken tekst gezamenlijk uitspreken, zodat iedereen de woorden op dezelfde manier uitspreekt. Daardoor is de klank veel beter en scherper geworden. Er is meer eenheid.” Berends: “Ik heb het gevoel dat Martin al heel snel in de gaten had waar hij aan moest werken om ons niveau hoger te krijgen. We zitten tegenwoordig op het puntje van onze stoel. Er is nieuw elan en een groeiend zelfbewustzijn.” Wright zelf beleefde zijn finest hour na de première van Saint François d’Assise. In die productie staat het koor vijf uur lang op het podium. “Het was alsof de zangers toen beseften waartoe ze in staat waren. Na afloop kwam Maczewski glimlachend op mij af, reikte me de hand en zei: ‘Nu weet ik zeker dat jij de goede man op de juiste plaats bent.'”


Nog even terug naar Der fliegende Holländer, eind februari. Achter het podium is het een drukte van belang. Een technicus is in de weer met een afstandsbediening waarmee hij in de openingsscène van de Holländer op het podium een vis doet spartelen. Er klinkt gelach in de zaal. De Holländer zelf loopt intussen achter de coulissen in zichzelf gekeerd te ijsberen, terwijl podiummedewerkers heen en weer schuiven met rekwisieten. Even later zien we door een kier in de coulissen hoe het koor, aangevuld met nog wat figuranten, de positie rond het zwembad inneemt. De badjassen gaan uit. Naakte lijven tonen zich aan het publiek. “Dit koor heeft het hart van een acteur,” zegt Martin Wright. “Het is groot geworden in het theater. Dat voel je gewoon. Bij Die Gezeichneten heeft ook niemand zich gedrukt toen regisseur Martin Kusej hen halfnaakt op het podium liet lopen.”

Sinds de regisseurs de macht grepen in de opera, hebben koorzangers het zwaar te verduren. Ze moeten de raarste capriolen uithalen, en intussen ook nog hun partijtje zingen. Ineke Berends: “De grenzen worden steeds verder opgerekt. Ik vraag me soms weleens af waar dit moet eindigen. Moeten we alles maar doen wat een regisseur wil?” Ze vindt wel dat DNO goed omgaat met bezwaren. “Men is altijd coulant jegens mensen die echt bepaalde handelingen niet op het podium willen verrichten. De orgiescène in Moses und Aron van regisseur Peter Stein leidde onder het koor bijvoorbeeld tot veel ophef. In goed overleg is toen besloten dat een aantal mensen niet mee hoefde te doen.”

Het koor gaat ver in zijn loyaliteit aan de regisseur, en de leden vallen elkaar niet af, aldus Berends. “Als je halfnaakt over elkaar heen moet rollebollen, heb je het vertrouwen van je collega’s nodig. Dan moet je ervan op aan kunnen dat er geen platte geintjes worden gemaakt. Regisseurs zeggen ook altijd dat wij heel ver gaan, vergeleken met andere gezelschappen. Misschien is dat wel een beetje Amsterdams.”


Kostuums van twintig kilo aan het lijf, zweten als een otter in een benauwde ruimte, zingen en bewegen in een modderbad: de koorleden hebben het allemaal meegemaakt. Berucht is ook de hoge brug in het tweede bedrijf van Les Troyens. Sommige dames kwamen er tijdens de eerste repetities in tranen van af. “Voor mensen met hoogtevrees is dat stuk doodeng,” aldus sopraan Janine Scheepers (50). “Het is schuin, die brug komt omhoog, en op een bepaald moment lopen wij van boven naar beneden. Die afstand is niet te negeren: je moet de dirigent beneden in de gaten houden, en dan kijk je onvermijdelijk die diepte in.” De regie van Pierre Audi wordt door alle zangers geprezen, maar ook hij maakt het de koorleden niet gemakkelijk. In Les Troyens (gebaseerd op het klassieke epos over de Trojanen in Carthago en de liefde tussen Dido en Aeneas) zijn bij het koor geen individuen zien. Al die gebaartjes, al die gestileerde bewegingen moeten exact synchroon zijn. Vandaar dat tijdens de repetitie Audi’s regieassistente aanwezig is om alle gebaren in te studeren.

Hoeveel decibellen produceert een koor van bijna honderd man? Veel, zeker wanneer de zangers het fameuze Gloire à Didon aanheffen. “Het is heerlijke muziek om te zingen,” zegt bas Jan Majoor (59). “Het is vooral fysiek zwaar. De vocale lijnen zijn lyrisch en zingen vrij gemakkelijk weg. Het is typisch Berlioz. Hij componeert een lijn en plakt er dan nog een aan, en dan nog een, en zo gaat het maar door: bijna vijf uur lang. Het is echt zingen in de overtreffende trap.”

Hector Berlioz: Les Troyens.

Regie: Pierre Audi. 4 april t/m 2 mei in

Het Muziektheater, Amsterdam.

Oswin Schneeweisz