‘Ik ben heel eigenwijs’

Met haar bedrijf SuperTrash verkocht Olcay Gulsen (1980) vorig jaar wereldwijd zo’n 600.000 kledingstukken. Aan haar zware jeugd heeft ze een groot doorzettingsvermogen overgehouden. ‘Ik dacht: ik ga bewijzen dat het niet uitmaakt of je een prins of een kansloos meiske bent.’

Het heeft lang geduurd voordat het eerste succes kwam; best wel zwaar was dat. Pas na een jaar of vier werd ik een beetje serieus genomen als ondernemer, als zakenvrouw. Vijfentwintig was ik toen. Een grenzeloze ambitie heb ik, dat is een tweede natuur. Mijn wil om te slagen is heel groot; dat neemt ook weleens wat neurotische vormen aan. Je moet geen slaaf worden van je eigen succes, of van je droom om iets te bereiken.

Zeven jaar geleden ben ik begonnen met 2stepzahead, een kledingimportbedrijf. Vanaf 2004 is SuperTrash erbij gekomen, het merk dat ik afgelopen jaar geheel heb overgenomen. Met eigen geld inderdaad, ik heb geen investeerders. Mensen om me heen dachten: waar begin je aan? Steun van mijn omgeving heb ik niet gehad. Ze vonden het allemaal niet nodig, nieuwe dingen worden altijd eng gevonden. Maar ik twijfelde niet; als je niet beweegt, ga je stilstaan. En ik ben er echt van overtuigd dat ik liever spijt heb van beslissingen die ik wél heb genomen dan van beslissingen die ik níet heb genomen.

Wereldwijd ligt SuperTrash nu in 1600 winkels, en de komende maanden gaan we zeven eigen SuperTrash Stores openen in Nederland. Doelen zijn er nog steeds genoeg. Ik zou graag de nieuwe G-Star willen zijn over vijf jaar, maar dan vrouwelijker en wat hoger in de markt. Zij hebben zo’n duidelijk concept, dat ze zo duidelijk doorvoeren in werkelijk alles wat met hun merk te maken heeft. Daar kan ik echt kippenvel van krijgen. Mode vind ik leuk; ik was vroeger al de kleren van mijn moeder aan het verknippen om er wat anders van te maken. Maar het is de zakelijke kant die ik het allerleukste vind. Ik had ook met iets heel anders succesvol kunnen worden. Tulpenbollen of auto’s, dat had zomaar gekund.


Met SuperTrash ben ik in zee gegaan zonder dat ik één jurkje had gezien. Dat is inderdaad impulsief. Mijn eerste reactie is ja zeggen als ik ergens een goed gevoel bij heb. Pas dan ga ik het rationeel bekijken, en dan moet ik soms toch zeggen: “Het spijt me, maar ik ga het toch niet doen.” Bij SuperTrash was dat gelukkig niet nodig. Ik betrap mezelf er wel steeds vaker op dat ik minder impulsief reageer, omdat ik niet meer dat toch-maar-niet-gesprek wil aangaan. Maar ik heb het nog wel een beetje; dat is een nare karaktereigenschap van mezelf. Het komt doordat ik een people-pleaser bent, dat is iets wat ik echt zou willen veranderen. Het is een combinatie van willen helpen en aardig gevonden willen worden. Dat blokkeert me om echt zakelijk te zijn. Maar ja, misschien maakt het me ook wel heel menselijk. Ik kom weleens zakenmensen tegen waar niks echts meer bij zit. Keihard zijn die, alles draait om geld en zakendoen. Dan zou ik mezelf ook niet meer in de spiegel aan kunnen kijken.

Een wakkerligger ben ik niet, behalve dan als ik een jetlag heb van het vele vliegen. Maar van emotionele problematiek, nee. Dat komt doordat ik zo’n rare en zware jeugd heb gehad. Ik heb geleerd de knop om te zetten. Een heel groot relativeringsvermogen heb ik gekregen. En ik focus me meer op de positieve dan op de negatieve dingen. Ik ben opgegroeid in een soort van kansloos gezin. In Waalwijk werd dat in elk geval zo gezien, volgens mij. We waren een Armeens-Koerdisch gezin en mijn vader was schizofreen. En ik dacht: ik ga jullie eens allemaal bewijzen dat het niet uitmaakt of je een prins of een kansloos meiske bent. Als je iets wilt en je focust je honderd procent, dan kun je succes hebben. Op mijn tiende voelde ik dat al zo, ook al zag ik mezelf toen niet als kansloos. De leraren wel. Dan werd ik uit de klas gehaald door de conrector en zat ik ineens met allemaal docenten aan tafel die ik niet eens kende. Vroegen ze wat er de avond ervoor nou was gebeurd thuis omdat de politie erbij was gekomen, omdat er geweld was geweest. Ik schaamde me dan heel erg en draaide er een beetje omheen. Bemoeizuchtig vond ik het. Het voelde niet alsof ze wilden helpen, maar iets wilden hebben om aan de koffietafel over te praten.


Vier zussen en een broer heb ik, we zijn allemaal wel goed terechtgekomen. Met een van mijn zusjes werk ik samen; zij leidt het Amerikaanse SuperTrash-concern en ze is mijn beste vriendin. Mijn moeder is trots op me. Voor mij is zij een voorbeeld van een power-vrouw: ze voedde niet alleen in haar eentje zes kinderen op, maar steunde ook haar zieke man. Mijn vader weet niet eens wie hij zelf is; als ik hem tegen zou komen, zou hij misschien de eerste minuut van het gesprek weten dat ik zijn dochter ben en daarna al niet meer. Hij is ernstig ziek en heroïneverslaafd.

Ik heb nooit steun gezocht van mensen om me heen, ook niet van mannen met wie ik een relatie heb. Nu ook niet; ik heb zeven maanden een relatie, dat is pas kort. Ik heb wel een heel leger aan adviseurs en die betaal ik, dát is pas objectief advies. Tegen kritiek kan ik niet zo goed. Daar kom ik de laatste paar jaar steeds meer achter, en dat vind ik heel fout van mezelf. Ik ben snel op m’n pik getrapt en daar moet ik aan werken. Laatst zei nog iemand dat ik een veel te platte organisatie heb, dat ik meer managers zou moeten aannemen en niet zoveel jonge, onervaren mensen. Maar dat wil ik juist, omdat ik toen ik 21 was de frustratie kende dat ik niet serieus genomen werd. Dus van die kritiek werd ik wel een beetje boos. Toch ga ik dan nadenken. Of ik toch managers moet aanstellen. Maar nee, van dat idee stap ik dan wel weer af. Ik ben zó eigenwijs.

Veertig mensen heb ik in dienst, en die rapporteren allemaal aan mij, dus ja, ik hou elk jaar veertig functioneringsgesprekken. Ik ben een beetje een controlfreak en heb niet het geduld om mensen op te leiden. Eigenlijk hou ik me te veel met details bezig. Als ik tussen het reizen door twee dagen op kantoor ben, heb ik mijn dokterspraktijkje, zo noem ik het altijd. Iedereen komt bij mij op spreekuur en dan zijn er kleine dingen waar ze mee zitten en die moet ik dan mee gaan oplossen.


Ik ben 24/7 bezig met SuperTrash, de rest van mijn leven staat on hold. Dat is al zo’n vijf jaar zo. Ik zit in een flow van veel reizen en keihard werken. Als ik later zal terugkijken, denk ik niet dat ik van deze tijd heb genoten. Ook al zijn er wel geniet-momenten. Vorige maand was ik in New York; daar heb ik een heel mooie grote showroom op Seventh Avenue gekocht, met uitzicht op het Empire State Building. Ik kwam die compleet lege ruimte binnen en zat daar in m’n eentje te denken. Hoe ik als Waalwijks meisje een Nederlandse droom heb verwezenlijkt met een kantoor in een van de meest prestigieuze straten van New York. Dan moet ik mezelf wel even knijpen. En dan geniet ik; grenzeloos genieten is dat zelfs.

Sara van Gorp