Pa!?

Veel vijftigers maken het mee, de komst van het eerste kleinkind. Ook redacteur Matt Dings moest eraan geloven. Over de wording van een trotse grootvader.

Opa worden, dat was altijd iets voor andere mannen. Als tijdens etentjes met vrienden het gesprek op kleinkinderen kwam, vond ik dat alleraardigst, maar het waren verhalen uit een andere wereld. Uit mijn wereld waren de rammelaars, voorleesboekjes, knuffelpoppen en kleuterliedjes al vele jaren geleden verdwenen. Ik kon mezelf ook niet voorstellen in de rol van opa met een uk in een fietsstoeltje op weg naar kinderboerderij of pannekoekenhuis. Met 57 voelde ik me daar xnog te jong voor, al had ik al jaren grootvader kunnen zijn. Echte opa’s doen dutjes, houden van dixieland, dragen wijde spijkerbroeken en ruiken naar Tabac en sigaren. Zo ver was ik nog niet heen.

Tot de avond van 17 augustus 2009 aanbrak. Die avond zouden mijn zoon en zijn lief langskomen om bij te praten. Ze hadden gebak meegebracht, wat ik wel attent vond, en deden wat lacherig, wat mijn echtgenote verdacht leek. “Komen jullie ons soms iets vertellen?” vroeg ze, en toen mijn schoondochter zweeg en alleen maar stralend keek: “Ben je soms in verwachting?”

Dat bleek in de roos. De zon, die al uren geleden was ondergegaan, brak opnieuw stralend door. We vielen elkaar in de armen en ik stroomde vol met een juichende blijdschap die me zelf verbaasde en waarvan ik tegelijkertijd voelde dat die van heel diep kwam. Toen we een beetje bijgekomen waren, ging de gebaksdoos open en openbaarden zich vier petitfours met daarop gespoten: Oma, Opa, Papa, Mama. We schoten alle vier in de lach over onze nieuwe rollen.

Met zulk goed nieuws is het net als met slecht nieuws: het komt met grote kracht aan. Slecht nieuws lijkt altijd iets wat alleen aan de overkant van de straat gebeurt. Tot het jezelf overkomt en je je in de verkeerde film verzeild voelt. Misschien is het daarom dat mensen vaak eerst met ongeloof en verbijstering op onheil reageren, en pas in tweede instantie verdriet of woede ervaren. Zo maakt heel goed nieuws je ook eerst sprakeloos voordat het echt tot je doordringt, maar dan gaan de armen ook vanzelf de lucht in.


De blijdschap die in een verse ouder en grootouder opwelt, is een blijdschap die alleen nieuw leven kan brengen. Ze onderscheidt zich scherp van andere vormen van opgetogenheid, zoals we die meemaken bij voetbalsupporters, bruidsparen, lijsttrekkers en examinandi, en die te maken hebben met gevoelens van opluchting, trots of romantiek. Bij de komst van een nieuw kind en kleinkind gaat het om een existentiële vreugde die tegemoetkomt aan de oerdrift van de mens om zich voort te planten en de estafette van de evolutie voort te zetten. Het werd die avond nadat de aanstaande ouders weer naar huis waren dan ook nog heel laat.

Als we het nieuws de weken daarna aan vrienden en familieleden meldden, viel op dat de ervaringsdeskundigen onder hen consequent getuigden welk enorm geluk de komst van kleinkinderen hun had bezorgd. De meesten vonden het heerlijk te kunnen genieten van opgroeiend kroost zonder de volle druk van de ouderlijke verantwoordelijkheid te voelen. Ik herinnerde me dat zelfs een knoest als boerenrocker Bennie Jolink totaal vertederd raakte toen ik hem interviewde en hij zijdelings even over zijn kleinkinderen sprak. Tegen zijn piekervaringen als opa, zei hij, kon geen moment uit zijn carrière op.

De keerzijde van dat grote geluk, kreeg ik nogal eens te horen, is de angst dat het kwetsbare kleinkind iets overkomt. Een collega stuurde me een blaadje van de Happinez-scheurkalender toe. “Ik had ook zonder jou gelukkig kunnen leven. Maar nu niet meer,” sprak dichter Huub Oosterhuis bij de doop van zijn kleinzoontje. Dat is de tragiek van de liefde, lichtte Happinez op de achterkant van het blaadje toe: “De komst van een geliefd persoon in je leven betekent een voortdurende angst dat hij of zij op enig moment weer verdwenen zal zijn. (-) Het is de prijs die je betaalt voor dat ene gevoel dat er werkelijk toe doet.”


Hoe bereidt een mens zich voor op het grootouderschap? Het is zo’n vraag die de generatie van mijn ouders zich nog niet stelde. Wat je moest doen en laten als ouder en grootouder, leerde je toenter-tijd vanzelf wel. Nog steeds gaat niemand naar de LOI of de Volksuniversiteit om voor paps of omi te studeren, maar anders dan vroeger puilen de kiosken, boekenzaken en het internet nu uit van tijdschriften, boeken en websites die gedetailleerd uit de doeken doen hoe het intergenerationele contact te optimaliseren valt. Zocht ik op het wereldwijde web wat grootvaderlijke inspiratie, dan kreeg ik het al snel benauwd van de ideale opa’s en oma’s die daar overal opdoken, voortdurend bezig de kiddo’s te vermaken met spelletjes, verhaaltjes en verantwoorde uitstapjes. Cruise eens met de kleintjes naar Engeland, maak een fietstocht langs de molens, ga naar Duinrell of juist naar een museum, bouw een speciale website, stel een ludieke stamboom samen, richt een speelhoek in, kook eens samen, organiseer een logeerpartijtje in sprookjesstijl, máák wat van je oppasdag – het bezorgde me acute faalangst.

Aan mijn eigen grootvaders kon ik me niet spiegelen, want die waren al heengegaan voordat ik – nakomer – ter wereld kwam. De één was volgens de overlevering een armoedige tuinder geweest die vertier vond in de jacht en een rustige, vriendelijke aard had; de ander was een heerboer die in paarden, fruit, varkens en huizen deed en als streng, hard en nors gold. Geen idee wat ik aan hen heb gemist. Mijn twee kinderen hebben hun grootouders ook amper gekend en moeten het doen met een paar foto’s. In die zin kon ik wat goedmaken, als ik dat kon. De nooit gekende kleinzoon die zelf grootvader werd.


Zo schuiven de panelen, realiseerde ik me. Zonen worden vaders, andere zonen ooms, dochters moeders of tantes en vaders grootvaders. Schoonmoeders feliciteren hun dochters omdat die oma wor- den, en zichzelf omdat ze de hoge status van overgrootmoeder bereiken. En ons kleinkindje mist weliswaar één oma, omdat die al ver voor haar geboorte plotseling stierf, maar vindt een nieuwe oma in opa’s tweede vrouw, die zelf kinderloos is en nu tot haar innige vervulling grootmoeder wordt – min of meer een onbevlekte ontvangenis.

Een kleinkind draagt het familiale verleden de toekomst in, zoals het zich via grootouders met vroeger verbonden weet. Andersom reikt het kleinkind zijn grootouders de kinderwereld aan, een wereld waar één meter al hoog is en vijf meter een heel eind weg, waar om elke hoek een verrassing wacht en waar kraaiend plezier en tranen met tuiten elkaar elk half uur kunnen aflossen.

En in de kring van intimi, waarin met het stijgen van de leeftijd onherroepelijk plaatsen leegvallen, zorgen baby’s weer voor aanvulling. Zo hoorden we het nieuws van ‘onze’ zwangerschap kort na de begrafenis van mijn schoonvader, en bracht ik dat nieuws later naar het graf van de vroeg ontslapen moeder van mijn zoon. Boven nieuwe kinderkopjes reiken verleden en toekomst elkaar de hand.

Ik las ergens dat de Franse schrijver Victor Hugo in 1877 een serie gedichten publiceerde met als titel L’Art d’tre grand-père. Een paar jaar eerder waren kort na elkaar zijn zoon en schoondochter overleden, waarna hij de zorg voor hun twee kindjes op zich had genomen. Hij wist dus waarover hij het had met zijn kunst van het opaschap, zou je zeggen. Maar goed beschouwd vervulde hij meer een vader- dan een grootvaderrol. Het unieke van grootouders leek me nu juist dat hun affectie voor het kleinkind niet met de opvoeding hoeft te concurreren. Ouders zijn er voor de educatie, grootouders voor de fun.


Ik dacht terug aan mijn start als prille vader, peilde mijn gemoed in de aanloop naar mijn promotie tot grootvader en realiseerde me dat ik beide fases als een sensatie beleefde. Een sensatie zo oud als de mensheid, want net als dertig jaar geleden stap ik opnieuw in de traditie van voortplanting en deel ik de opwinding en vreugde met de miljarden die me voorgingen. Niets zo gewoon én bijzonder als een geboorte.

Het bleef prettig onwennig, in verwachting te zijn van een kleinkind. Onwillekeurig gingen onze ogen zich op niet eerder geziene onderwerpen richten. Bij de ANWB waren maxicosi’s in de aanbieding. Op mooie fietsroutes leek het ineens te wemelen van sportieve senioren met meereizende nazaatjes. Het tuincentrum organiseerde een opa-en-omadag, waar we dus beslist weg moesten blijven. En toen in de designwinkel het oog viel op een kruising tussen een lepel en een vliegtuigje, een hapjesbevorderend luilekkerding, toen was ons eerste cadeautje een feit.

Elke keer als we zoon en vriendin zagen, ging het natuurlijk over de baby in wording. Zoon toonde zich al knap deskundig op zwangerschapsgebied, meer ingewijd dan ik indertijd. We complimenteerden schoondochter met haar zwellende buik. Zij vertelde dat ze in de auto alleen nog klassieke muziek draaide, omdat ze gelezen had dat dit het brein van het kindje zou stimuleren; in de box kwam straks ook een mobile met wijsjes van Mozart en Beethoven. Een maand na het bericht van de zwangerschap kwamen de twee met aanvullend nieuws: beelden van een echografie waaruit bleek dat de foetus zich goed ontwikkelde en dat het een meisje was. Al gauw kreeg het aankomende kindje een werktitel, of artiestennaam: Pippi.


Haar ouders hadden een oud huis gekocht dat grondig moest worden verbouwd. Het eerste vertrek dat klaar was, was Pippi’s kamer, een grappig scheve kamer met heel veel licht. In het midden prijkte een wieg, een houten bedje uit de jaren zestig, gevonden op internet. In een andere kamer stonden al andere ingepakte babyattributen te wachten. We realiseerden ons dat we ook over zulke parafernalia moesten beschikken als we straks op het kindje zouden oppassen. En dat we het huis dienden aan te passen door opeetbare kleinoden en levensbedreigende kunstvoorwerpen naar veiliger plekken te verplaatsen.

In januari, rond week 30 van de zwangerschap, beleefden we een zogeheten pretecho, een uitgebreide echografie in 3D waarbij familieleden welkom waren. Ik zag in de donkere beelden aanvankelijk niets herkenbaars, tot de echografe allerlei onvermoede ledematen aanwees en liet zien hoe Pippi allerliefst een knuistje voor haar mond hield. “De baby is helemaal in orde,” zei ze, “er kan een strik omheen.” We glommen en luisterden naar het heftig bonzende hartje en keken elkaar geïmponeerd door al dat leven aan. Een aankomende tante porde me verrukt in de zij: “Ze lijkt op je dochter, vind je niet?” “Ze lijkt meer op E.T.,” antwoordde ik.

Twee maanden later, zaterdagochtend 13 maart 2010. Als ik de woonkamer binnenkom, zie ik de telefoon knipperen ten teken dat er een boodschap is. Zoon meldt dat hij zijn vrouw vanochtend vroeg al met weeën naar het ziekenhuis heeft gebracht waar ze wil bevallen. Ruim een week voordat ze uitgeteld zou zijn, maar niet helemaal onverwacht, want de laatste dagen was het al zo onrustig in haar buik dat Pippi haar komst leek aan te kondigen. Ook de andere oma staat op het antwoordapparaat, met dezelfde boodschap en de toevoeging dat ze spontaan ‘van de wap’ (de kluts kwijt) is.


De wap blijkt terug als we haar wat later weer aan de telefoon krijgen met details die we stuk voor stuk willen horen. Over het aantal centimeters ontsluiting, het breken van de vliezen, de intervallen tussen de weeën die zo kort werden dat de vroedvrouw sprak van een ‘weeënstorm’ – weer een woord geleerd. Lang zal het niet meer duren, luidt de slotsom.

Ik sla de krant open en na enig bladeren ook weer dicht, want het echte nieuws bevindt zich niet in het ochtendblad maar aan de andere kant van de telefoonlijn. Ik ijsbeer door het huis, staar door de ruit naar de stille straat. Bij de buren wordt een kleinkind afgeleverd, zie ik, ze glunderen en maken vreemde gebaren en geluiden waarvan ik me niet kan voorstellen dat ik die straks ook maak. Laat ik maar eens stofzuigen.

Mijn vrouw gaat meehelpen om het huis van zoon en schoondochter klaar te maken voor de komst van ons kleinkind. Ik dwing mezelf aan het werk te gaan. Van Mierlo is overleden en we zamelen bij allerlei mensen van naam herdenkende quotes in. Het bellen en schrijven leidt redelijk af, al onderbreek ik mezelf wel twintig keer om op te staan, zomaar wat rond te lopen en zinloos naar de telefoon te staren. De een verlaat en de ander betreedt de wereld. Het perpetuum van leven en dood.

Dan, om zes uur, eindelijk, het verlossende telefoontje. Ze is bevallen, alles is goed. Ik rijd snel naar het huis waar al enige naasten verzameld zijn en waar een uitgelaten sfeer heerst. We omhelzen elkaar en spreken elkaar lachend met onze nieuwe titels aan. Opa!? Tot zojuist nog theorie, ineens een feit, maar het doet nog onwerkelijk aan.


Anderhalf uur later zijn we in het ziekenhuis. Het eerste wat ik zie als we de uitrustkamer betreden, is een heel klein kindje in de armen van mijn schoondochter. Er gaat een collectieve snik door de kamer. We hebben het niet gedroomd, er is ons niets op de mouw gespeld, hier ligt werkelijk een kakelvers kindje, ze hadden het ons wel voorspeld maar het blijkt nog waar ook! Zoon, schoondochter en ouders sluiten elkaar secondenlang in de armen. Dan is het tijd voor het kleine meisje. Ze slaapt en oogt volkomen ontspannen, alsof ze zojuist niet een enorme belevenis heeft meegemaakt. Voorzichtig streel ik met één vinger een blozend wangetje. Opa smelt op slag.

Om beurten bewondert iedereen het meisje. Na het verslag van de bevalling stellen de aanwezige vrouwen trefzeker vast dat ze sprekend op haar vader lijkt. Ik zie het niet, vind haar alleen maar piekfijn – mijn oude stelling dat elke baby lelijk is, behalve die van mij, gaat ook op voor mijn eerste kleinkind. Ik zet haar wel tien keer op de foto, dat beetje gezichtje onder haar mutsje. Ze maakt af en toe verrukkelijke mini-geluidjes en slaapt dan weer genoeglijk door. Dan onthullen haar ouders haar naam: “Onze Pippi heet… Madee.” Een naam die ze op vakantie in Bali oppikten en die zoiets als eerstgeborene betekent. Een verpleegster heeft het al op een kaart geschreven: Madee Dings.

Die nacht brengen moeder en dochter nog in het ziekenhuis door. De volgende dag wachten we met een paar andere familieleden het jonge gezin thuis op. Ik smeer beschuiten met roze en witte muisjes. Steeds hoor ik Leen Jongewaard en Hetty Blok zingen dat niemand in heel Europa zo aardig was als opa: “Samen naar de apies kijken, samen naar het strand/


En als je geluk had, ging je samen naar de brand/Samen op het ijs en samen in de sneeuw,/leeuwentemmer spelen en m’n opa was de leeuw.” Ben ik mooi klaar mee, zo’n superopa.

Zoon, schoondochter en kleinkind arriveren. Even later houd ik Madee voor het eerst in mijn armen en geniet. Met kunstige designvingertjes grijpt ze, 24 uur oud, stevig mijn aangereikte pink.

Dus, lieve Madee, als je dit over een jaar of achttien leest, dan weet je hoe we met elkaar begonnen.

Matt Dings