Pang, beng, boing

Zes jaar geleden werd fotograaf Hannes Wallrafen nagenoeg blind, door een erfelijke afwijking aan de oogzenuw. Nu is hij geluidskunstenaar. In Amsterdam is er een geluidswandeling langs de Amstel van zijn hand: Down by the Riverside. ‘Leven zonder ogen went nooit.’

In zijn werkstudio in de Amsterdamse Pijp prijkt op de witte muren een uitsnede van een zwarte ijsbeer. Hannes Wallrafen (58) staat op vijftien centimeter afstand en volgt met zijn gezicht de contouren van de ijsbeer. “Ik heb in het midden van mijn ogen helemaal geen zicht; vanuit de randen zie ik nog iets, ongeveer een half procent. Daardoor kan ik donkere vlakken van lichte onderscheiden. Daarom ben ik ook zo blij met deze ijsbeer. Ik was ooit op een dag van de patiëntenvereniging; daar werd mij duidelijk dat ik de hoofdprijs heb, qua blindheid. Ik zat met iemand te praten die tien meter voor ons een paal zag staan. Ik zei: waar zie jij een paal dan? Er zijn ook mensen die het aan één oog hebben. Daar had ik voor getekend. Dan had ik bij het fotograferen niet eens meer een oog dicht hoeven te knijpen!”

Een paar dagen eerder, aan de Amsterdamse Weesperzijde, ter hoogte van de 4e Montessorischool. Een voorbijganger laat een keiharde boer. “Die heeft te veel gepimpeld gisteravond, denk ik. Jammer, mijn geluidsapparatuur stond nog niet aan,” zegt Wallrafen droog. Hij tast het hek rond de school af. Bij het begin zet hij vijf stappen naar links: daar zet hij zijn ‘acteurs’ neer: Mijs, Sjaan en Miro, alle drie twaalf jaar. Dan meet hij vijf stappen naar achter: daar gaat hij zelf staan, met zijn grote microfoon en Marantz-recorder. “Ik kan hier wel in een rechte lijn doorlopen, toch?” vraagt Wallrafen. Op een teken van hem lopen Mijs, Sjaan en Miro langs het hek van de 4e Montessorischool en spelen ze hun scène voor de geluidswandeling Down by the Riverside die Wallrafen bedacht met componist/theatermaker Alison Isadora. De wandeling heeft ‘water’ als thema en is onderdeel van Soundtrackcity: een groot audioproject in acht verschillende wijken van de stad, een initiatief van regisseur/dramaturg Renate Zentschnig.


“Nog maar één week school, dan gaan we naar De Grote Beer op Terschelling!” zegt Sjaan. “Ja, heerlijk!” roept Mijs. “Is hier niet die zielige jongen in het water gevallen tijdens roeiles?” vraagt Miro honderd meter verderop. “O ja, Silver! Zijn mobiel viel in het water, hij ging staan in de boot, toen viel hij zelf!” antwoordt Sjaan. Mijs: “Ja, hij had wel dood kunnen zijn!” Het loopje wordt nog een keer of vijf, zes overgedaan; evenzovaak registreert Wallrafen de scène.

Aan het einde van het driehonderd meter lange hek rennen de kinderen naar huis. Birkenstockslippers klepperen op de stoeptegels; het geluid weerklinkt in de open ruimte. “Dit hoekje hier heeft een mooie galm,” constateert Wallrafen tevreden. “Leuke verhalen hebben jullie gecreëerd, hartstikke goed.” De geluiden van de flessen die een buurvrouw in de glasbak gooit, worden nog even opgenomen vanwege de mooie klank, net als wat achtergrondgeluid van passerende fietsers en de kerkklok die twaalf slagen produceert. “Mooi, dat zijn allemaal cadeautjes – die kan ik bij de afwerking mooi gebruiken.”

Ja, een arm vindt hij wel fijn, dan hoeft hij zijn stok niet zo te gebruiken, zegt Wallrafen als we na de opnames naar café Hesp lopen, een meter of vijfhonderd zuidelijker aan de Weesperzijde. Intussen vertelt hij over de wandeling. “In de koptelefoon ontmoet de wandelaar Jan Wolff, de oprichter van De IJsbreker. Hij verhaalt over twee ijsbrekers die in het water liggen, terwijl hij je meeneemt naar de overkant. Hij stuurt je dan door naar de Torontobrug, waar de Amstel en de Singelgracht bij elkaar komen. Al lopend schuif je in de tijd: je hoort karrengeluiden, joodse geluiden en schaatsgeluiden. Dan komt Sara je zingend tegemoet schaatsen. Zij vertelt over opa Sarphati, die zo’n leuke opa was: hij heeft het Amstel Hotel laten neerzetten, en Sara mag daar met haar ouders gratis eten. Sara neemt je mee de trap op, naar het vroegere Weesperstation. Eli Content, een kunstschilder die altijd gedichten in zijn etalage heeft hangen, vlak bij de Amstelbrug, fluistert de wandelaar een gedicht in zijn oor. Hij vertelt ook over het café naast zijn woning. Dat stond in de oorlog bekend als een relatief veilig café, want er zat een achterdeurtje naar de binnentuin. En je loopt over de bodem van de Amstel met stadsarcheoloog Jerzy Gawronski. Die verhaalt over wat de rivier aan geheimen prijsgeeft.”


Eigenlijk was Hannes Wallrafen – geboren in 1951 in het Duitse Mönchen-Gladbach – voorbestemd om priester te worden, net als zijn oom. Maar als jochie had hij meer belangstelling voor hutten bouwen en modeltreinen in elkaar zetten; hij liet er zijn schoolwerk graag voor liggen. Hij had veel ruzie met zijn vader, die antiquair was, en wilde eigenlijk alleen maar weg uit het milieu dat hij als burgerlijk en benauwend ervoer. Toen hij op zijn veertiende voor de abt van Tegelen moest knielen en diens ring moest kussen, knapte hij ook op de katholieke kerk af. “Gatver, wat een poppenkast!”

Hij wilde iets meemaken, de wijde wereld in! Na wat omzwervingen kwam hij in Amsterdam terecht. In de Nieuwmarktbuurt kraakte hij met gelijkgestemden een pand. Een vriend vroeg hem samen de Bijlmer in aanbouw te fotograferen. De drang zijn omgeving vast te leggen op beeld verliet hem daarna nooit meer. Een maand later zat hij al op de Rietveld. Hij legde zich toe op de documentairefotografie. Aanvankelijk maakte hij geëngageerde reportages. Hij bezocht landen als Tanzania, Ierland, Iran en India. Hij fotografeerde de Vietnamdemonstraties, reisde naar Chili na de coup, en richtte een comité op voor de gevangenen in het H-blok in Noord-Ierland. “Helderheid en composities, dramatisch doorgedrukte wolkenluchten: alles was gericht op het met de vinger wijzen naar het onrecht.” Een zwart-wit-werkelijkheid. Na een jaar of acht begon hij genoeg te krijgen van de ‘voorspelbaarheid en de clichés’. “Tijdens een mijnstaking in Bolivia wist ik precies uit welke hoek de mijnwerkers zouden komen, en uit welke hoek de oproerpolitie. En wanneer de eerste klap zou vallen. Ik begon me meer voor de grijsgebieden en de nuances te interesseren. Mijn beeld werd verhalender.” Meer en meer ging hij zijn foto’s ensceneren: ‘de werkelijkheid organiseren’. Zo trachtte hij de sfeer van de boeken van Gabriel García Márquez vast te leggen in Een dagreis naar Macondo. Hij deed dat zo subliem dat ‘Gabo’ zelf een voorwoord voor het boekje schreef.


Het is 14 januari 2004 als Wallrafen van zijn huis in Betondorp naar zijn studio in de Eerste Oosterparkstraat fietst. Onderweg merkt hij dat hij de nummerborden van de auto’s niet goed scherp ziet. Zeker te veel gepimpeld de dag ervoor. Maar als hij de volgende dag zijn rechteroog dichtknijpt, ziet hij met zijn linkeroog dubbel zo wazig. Hij kan pas zes dagen later bij de dokter terecht, en in die zes dagen gaat zijn zicht zienderogen achteruit. De huisarts verwijst hem onmiddellijk door naar de poli neurologie in het OLVG. Wat er aan de hand is, blijft voor de medici een raadsel. Dan zegt zijn zus dat hun moeder een jaar eerder, net voor haar dood, vertelde dat een verre nicht van haar leed aan de erfelijke oogafwijking Leber’s Opticus Atrofie (LOA). Moeders kunnen de afwijking doorgeven aan hun zoons – en Hannes’ zus heeft een zoontje, vandaar dat ze het wist. Wallrafen: “Nee, mij heeft ze nooit iets verteld. Misschien wilde ze me niet ongerust maken.”

Als hij een paar weken later aan een project in Barcelona werkt, merkt hij dat zijn rechteroog er ook aan moet geloven. Met de dag wordt de wereld om hem heen onscherper. Vaak merkt hij dat hij ’s avonds minder ziet dan de ochtend ervoor. In april ziet hij alleen nog maar felblauw. Rood, geel en groen zijn dan al uit zijn kleurenspectrum verdwenen. Ook zijn vrienden herkent hij niet altijd meer als hij ze op straat of in de kroeg tegenkomt. Op 2 mei bereikt hij het punt dat hij nog maar een half procent ziet. De man die zo kon ontroeren met zijn beelden, is zo goed als blind geworden.


“Er ontstond een soort paniek om me heen. Mensen belden me: ik heb er de hele nacht niet van kunnen slapen! Vrienden barstten in tranen uit. Mijn oudste zus was totaal overstuur. Ik zei: ‘Rustig nou maar…’ Was ik bezig anderen te kalmeren.” Er stond een werkreis naar Curaçao op het programma. “Ik vroeg aan een vriend: ‘Moet ik die nou cancelen?’ Hij zei: ‘Als beeld niet kan, ga je toch over op audio?’ Twee dagen later heb ik een Marantz-recorder gekocht. Als een bezetene ben ik op Curaçao verhaaltjes op gaan nemen. Op zoek naar de culturele ziel van een eiland.

Ik moet zeggen: dat in een nieuwe vorm duiken, dat heeft mij heel erg geholpen.”

De maanden erna leerde hij – hoe ironisch – blind typen, met een radiomontageprogramma werken en vogelde hij ‘van alles’ over geluid uit. “Ik kan vrij obsessief zijn in dat soort dingen. Ik vind het fijn me te focussen, ik bijt me erin vast, en laat niet meer los.” Zijn reactie bevreemdde zijn omgeving weleens. Rouwde hij dan niet? “Vaak genoeg knalde ik in elkaar en zat een dag te janken. Alleen: de manier waarop je je verdriet vorm geeft, dat is afhankelijk van je persoonlijkheid; bij mij komt het in fases. Maar het is er wel degelijk. Kijk, leven zonder ogen went niet. Nooit. En ik leef ook met het besef dat ik nooit genezen zal.

“Eigenlijk merk ik sinds een jaar pas écht hoe confronterend het is om zonder dat geamputeerde lichaamsdeel te leven. Ik ben nog nooit zo vaak ergens tegenaan gedonderd als het afgelopen jaar. Pang, beng, boing! Eerst had ik twee maanden een gekneusde rib, daarna een maand een open scheenbeen. Onlangs liep ik drie weken met een dikke knie. Ik hoop niet dat ik zo angstig word dat ik niet meer zelfstandig naar mijn studio durf te gaan. Er zijn dingen die me totaal ontregelen. Gisteren gaf mijn computer ineens geen geluid meer. Die reageert op spraaksynthese, maar als het geluid verdwenen is, kan ik niets meer doen. Ik moest er iemand bij halen; toen bleek dat de geluidskaart op mute stond. Dan voel ik me machteloos. Vorige week wilde ik oversteken bij een ribbelpad voor slechtzienden. Ik stak mijn stok naar voren, die kwam tussen de spaken van een fietser die niet uitkeek. Ik werd zo kwaad!


“Mijn vriendin, Rijtje, leeft ook opeens samen met een gehandicapte man. Dat heeft grote impact op je relatie. Ik kokkerel graag, maar als ik een mes nodig heb, moet ik haar soms vragen: zou je dat even willen pakken? Zij heeft ook niet altijd overal tijd voor. Of zin in. Dat is ook normaal. Maar daar kan je aardig moe van worden.” Hij wil er niet al te veel over kwijt, maar vier dagen nadat ze teruggekomen waren van Curaçao, stortte Rijtje in. “We moesten een nieuwe balans in onze relatie vinden. En daar zoeken we nog steeds naar. Dat is een ingewikkeld proces.

“Zolang ik woorden kan vinden voor mijn onvrede, onmacht en verdriet, dan gaat het nog wel. Maar als te veel vervelende stress zich opstapelt, krijg ik de kluwen niet meer uit elkaar. Als ik niet meer uit mijn woorden kom, als ik alleen nog maar kan janken, weet ik dat het tijd is om een afspraak te maken met Nelleke, de psycholoog van het blindeninstituut. Soms wil ik er ook nog weleens een heleboel drank in gooien, waarna ik de volgende ochtend probeer te reconstrueren: hoe zat het ook alweer?”

Naast het verlies van zijn onafhankelijkheid, is er de heimwee. Heimwee naar beeld. Die heimwee kan hem plots overvallen. Zoals laatst, toen zijn stiefdochter hem vertelde dat ze naar Florence gaat, naar het Uffizi-museum. Hij was toch altijd echt een kijkdier. In het Rijksmuseum kon hij rustig een half uur naar een schilderij kijken. Of op vakanties: aan een meertje gaan zitten, en maar kijken. Naar het water, de overkant, het veranderende licht. Hij realiseert zich dat hij nooit meer het Uffizi in Florence zal zien. Nooit meer Cartagena in Colombia, nooit meer zijn vrouw. Zijn zoon heeft nu een baardje en is een beer van een vent geworden, maar in zijn hoofd blijft hij altijd die jongen van achttien. “Dat hakt erin. In het begin kon ik mezelf ook dingen wijs maken. Dat ik ontzettend veel uit een stem haalde, en een handdruk. Ik hoor en voel daar inderdaad meer in dan een ziende, daar ben ik inmiddels in getraind. Maar het is toch secundaire informatie. Ik ontmoet nieuwe mensen: wij hebben nu een gesprek, maar ik weet niet hoe jij eruitziet. Ik was vorig jaar op vakantie op Sicilië. Als Rijtje daar voor mij heel lief een mooi oud huis beschrijft, wil ik dat zo graag met eigen ogen zien! Dan kan het me opeens overvallen: Fuck! Ik heb geen zin meer, wat doe ik hier? Ik wil naar huis! Dat zijn venijnige momenten. Maar dan zeg ik tegen mezelf: kijk uit! Blijf er niet in hangen, dat heeft geen zin. Het is een heel rare balans. Af en toe is er het gemis en het verdriet – daar leef ik dan even mee, maar dan geef ik mezelf een schop onder de kont. Ik heb ook een motto, hè: Always look on the bright side of life. Ken je die film van Monty Python, The Life of Brian? Geweldig!”


Hij vindt ook dat hij mazzel heeft. Mazzel dat hij geen ambtenaar of manager was, mazzel dat hij contacten heeft in de kunstscene, dat hij in de kunst een nieuwe weg kon inslaan. Mazzel ook dat hij nog net een uitkering kon aanvragen via de Wet Arbeidsongeschiktheid Zelfstandigen. Die wet werd een paar maanden nadat hij blind geworden was afgeschaft. “Ja, mazzel hè: ik ben op tijd blind geworden.” Hij lacht een droge, korte lach. “De wereld van het geluid is een boeiende ontdekkingsreis. Het is fascinerend om steeds nieuwe vormen te vinden. De geluidswandeling kende ik ook nog niet, maar het is een vorm die me goed ligt en die ik heel rijk vind. Ik kan er de werkelijkheid mee naar mijn hand zetten, net zoals ik bij fotografie graag deed. Ik heb ook een mooi klankverhaal gemaakt over de NDSM-werf en samen met Bert Verhoeff Spakenburgse verhalen, over vrouwen in klederdracht. En laatst heb ik een verhaaltje van een minuut gemaakt voor de VPRO; dat heeft Rijtje heel mooi ingelezen. En ik heb meegewerkt aan het project De Wonderjaren over de jaren vijftig.” (zie kader)

Houdt hij net zoveel van geluid als van fotografie? Een halve minuut stilte. “Kijk, beeld is toch opener. Een foto heb je snel op je netvlies staan, terwijl je echt geconcentreerd een tijd moet zitten luisteren als ik iets wil laten horen. De factor tijd is dwingend aanwezig; dat vind ik soms ingewikkeld. Ik had ook meer grip op de fotografie. Als ik mocht kiezen, dan fotografeerde ik nog – en zag ik nog. Maar dat is niet zo. Dit is nu mijn werkelijkheid.”

’s Nachts compenseert hij. In zijn dromen is hij ziend. Heeft hij helder, scherp beeld. Hij opent deuren, loopt door steden en stegen, door binnenruimtes. Hij kijkt lang naar details als de cijfers van een klokje, bestudeert wat er in een la ligt. Hij ziet zichzelf zitten in een wit shirt, een wit overhemd en een kaki halflange broek, zoals hij vroeger droeg. Per nacht heeft hij vier, vijf keer zo’n droom. Hij wordt er soms gesloopt uit wakker, zo intensief zijn ze.


“Ik wil daar nog eens iets mee doen; ik heb voor Holland Doc Radio een voorstel voor een documentaire geschreven. Dat is afgekeurd, maar ze hebben me wel gevraagd een nieuwe versie te schrijven. Ja, een fotograaf die blind wordt, dat heeft natuurlijk een bepaalde marktwaarde. Ik houd mensen een spiegel voor: de spiegel van hun eigen angst.”

www.soundtrackcity.nl

Wallrafen verzorgde het klankdeel van de familietentoonstelling De Wonderjaren, een project met auteur/acteur Frank Groothof en fotograaf Michel Pellanders. De Wonderjaren vertelt, met foto’s, films, meubels en geluiden, het verhaal van een jongetje dat opgroeit tijdens de jaren vijftig, de periode van de wederopbouw. De drie makers groeiden zelf op in de jaren vijftig en gebruikten hun eigen jeugdherinneringen als basis voor De Wonderjaren. De tentoonstelling is tot en met 23 mei in Museum van Bommel van Dam in Venlo. Daarna reist de tentoonstelling door naar Tresoar in Leeuwarden.

www.wonderjaren.nl

Hilde Postma