‘Schrijven heeft wel iets weg van toverkunst’

Voor de derde keer is een schrijver de hoofdpersoon in een roman van John Irving (68). Danny Baciagalupo heeft het schrijverschap gekregen dat de Amerikaanse bestseller-auteur na aan het hart ligt. Een gesprek over het vak en over een geheim ingrediënt in tomatensoep.

In uw roman onderstrepen enkele personages woorden die ze in boeken lezen; u geeft zelfs een lijstje van onderstreepte woorden. Kunt u zich herinneren wat het eerste woord was dat u op eigen kracht kon lezen?

“Ik herinner me een kinderboek over eenden in de Boston Common, het oudste park van de VS. Het heette Make Way for Ducklings en ging over eendjes die een drukke straat midden in Boston moesten oversteken. Dat was het eerste verhaal waarin ik voelde dat er gevaar dreigde. Ik was bezorgd dat de eenden zouden worden overreden. Waarschijnlijk was het een van de verhalen die mijn moeder en grootmoeder me voorlazen. Ik had het in mijn geheugen geprent, want zelfs al voordat ik kon lezen, herinnerde ik me de woorden als ik naar de plaatjes keek. Het was zo’n prentenboek waar maar heel weinig woorden in stonden.”

Wanneer ontdekte u de verbeeldingskracht van het geschreven woord?

“Van de magie van een goed verhaal werd ik me bewust rond mijn vijftiende. Charles Dickens’ Great Expectations was het eerste boek dat ik herlas. Toen ik het uit had, wilde ik meteen opnieuw beginnen. Omdat ik weet hoe het verhaal afloopt voordat ik begin te schrijven, ben ik me ervan bewust dat ik een boek schrijf dat beter wordt als je het voor de tweede keer leest. De tweede keer doorziet de lezer mijn opzet; hij weet dan net als ik wat er staat te gebeuren. Hij merkt dingen op die hij de eerste keer over het hoofd zag. Ik vond het fijn om romans te herlezen, beginnend met dat boek van Dickens, omdat ik daardoor beter doorzag hoe de schrijver het verhaal had opgezet.”


Is dat waarom u ertoe neigt om dingen uit te leggen? Het wemelt in De laatste nacht in Twisted River van de toevoegingen, uitweidingen, explicaties tussen haakjes. Bent u bang dat de lezer u anders niet zou begrijpen?

“Dat niet zozeer. De negentiende-eeuwse romanciers schreven met veel verbeeldingskracht, heel precies en met oog voor detail. Schrijvers van toen waren zoals de landschapschilders: ze wilden dat je iets zag zoals het werkelijk was. Het detail, de opeenstapeling van details is erg belangrijk. Ik heb altijd veel van het soort schrijven gehouden waardoor de lezer iets net zo levendig voor zich ziet alsof een camera het heeft vastgelegd. Maar mijn manier van schrijven komt niet van naar films kijken, maar van het lezen van die negentiende-eeuwse schrijvers. Dus ik ben niet bang dat de lezer iets niet begrijpt, maar eerder dat hij iets mist. Ik wil hem in staat stellen om precies te zien wat ik zie. Daarom moet ik heel specifiek, heel concreet schrijven, met veel detail. Ik denk ook dat een moeilijk te geloven verhaal aannemelijker wordt naarmate de details levendiger zijn. Als de details waarachtig zijn, neem je de gebeurtenissen in een verhaal gemakkelijk voor waar aan, hoe weinig voor de hand liggend of zelfs onwaarschijnlijk dat ook is. Kristalheldere details maken een verhaal geloofwaardig.”

Is dat wat in het boek een schrijverstruc wordt genoemd?

“Het heeft wel iets weg van toverkunst. Een verhaal vertellen is een combinatie van wat je wilt dat de lezer ziet aankomen en wat je voor hem verborgen wilt houden. Je moet toe werken naar momenten dat je iets prijsgeeft, maar hij moet altijd een beetje achter de feiten aan lopen. Dat is een kwestie van balans. Als hij te weinig weet, is hij niet betrokken; als je hem onvoldoende informatie geeft om zijn verbeelding te voeden en dus niet kan aanvoelen wat er staat te gebeuren, voelt hij zich geen deel van het verhaal. Maar als hij alles ziet aankomen, raakt hij verveeld. Het is een dunne lijn tussen wat je laat zien en wat je niet laat zien. Ik denk dat ik dat heb geleerd in het theater. Als kind was ik daar vaak, mijn moeder was souffleur. Vanuit de coulissen zag ik de repetities. Daardoor leerde ik hoe een verhaal werd opgebouwd, hoe je het in elkaar steekt. Als de eerste voorstelling werd gespeeld, waren er voor mij geen verrassingen. De enige verrassing van achter het gordijn waren de gezichten in het publiek. Je zag wie in het verhaal zat, en wie zich liet afleiden en in slaap viel. Niet iedere romanschrijver denkt zoveel aan de lezer als ik; ik ben geneigd te zeggen dat dat door die twee dingen komt. Zelfs toen ik nog niet oud genoeg was om zelf die negentiende-eeuwse romans te lezen, had ik al die toneelstukken al gezien.”


Die schrijverstruc haalde ik aan omdat u uw hoofdpersoon Danny Baciagalupo in de roman laat zeggen: “Elke schrijver moet leren afstand te nemen, zich los te maken van een bepaald emotioneel moment.” Tegelijkertijd moet hij de lezer juist in het verhaal betrekken.

“Ja, je moet jezelf er altijd van bewust zijn dat je een manipulator bent. Als je de lezer emotioneel wilt raken, moet je dat construeren, en dat kun je niet doen als je zo dicht op het verhaal staat. Je moet het geheel kunnen overzien en het moment in het verhaal herkennen dat de lezer zich opwindt, of medelijden voelt, of sympathie. Om dat moment te laten werken, moet je het al eerder aanzetten, je moet ernaartoe werken. Dat heb ik geleerd van de stukken die ik heb gezien en de boeken die ik heb gelezen. Je hebt goede trucs om een verhaal te vertellen, en je hebt goedkope trucs.”

Als Danny in Boston is, laat u een deel van het verhaal vertellen door een leraar, een meneer Leary. Is dat ook zo’n truc?

“Hij is een erg aardige man, een goeie vent. Hij is oprecht en van goede wil. Hij herkent het talent van Danny. Maar hij is ook een behoudzuchtige man met beperkingen. Hij vindt dat Danny in zijn verhalen te veel neigt naar het extreme, en hij denkt dat hij die kant van zijn schrijverschap wel zal kwijtraken als hij zich intellectueel verder ontwikkelt. Maar die neiging naar het extreme moet je juist nooit ontgroeien. Meneer Leary beseft niet dat wat hem stoort aan Danny’s verhalen, juist hetgeen is wat ze zo goed maakt. Hij moet daarin worden aangemoedigd, niet belemmerd. Maar meneer Leary is een sympathiek karakter, ik wil hem niet kleineren, want zijn instinct is in orde.”


Een beetje hypocriet is hij wel, want hij verlustigt zich aan de seksuele aberraties in Danny’s proza, terwijl hij die zegt af te keuren. Hij gaat zelfs op huisbezoek om met eigen ogen de grote borsten van Danny’s stiefmoeder te aanschouwen.

“Dat is waar. Hij is een eenzame man, heeft zijn vrouw verloren, gaat naar de stripteasetenten in Boston en schaamt zich daarvoor. Hij is een beetje het portret van de bemoeizuchtige oudere heer die al zo lang alleen leeft, dat hij zijn vaste gewoonten niet meer als zodanig herkent. Maar hij is zo iemand die elke jonge schrijver die ooit student was, graag gekend zou hebben. Want hoe onvolmaakt zijn visie ook is, hij staat sympathiek tegenover het streven om schrijver te worden, moedigt het zelfs aan. Je kunt je vrolijk maken over meneer Leary, maar Danny draagt zijn boek aan hem op om hem te bedanken. De meeste ouders willen dat hun kind advocaat wordt of dokter, maar voor wie iets in de kunsten wil gaan doen, is iemand als meneer Leary erg belangrijk.”

Had u zelf een meneer Leary?

“O, verschillende. Mensen zoals hij, maar misschien niet zo stereotiep als deze oude Ierse vent in een Italiaanse buurt. Wat leuk is aan Leary: dat hij, ondanks zijn vooroordelen tegen Italianen, deze Italiaanse jongen steunt. In dit deel van Boston woonden eerst alleen maar Ieren, en die haatten de Italianen toen die zich daar vestigden. Meneer Leary voelt zich bijna gedwongen om te zeggen: Danny is niet als de rest van de Italianen.”

(Nu wordt de tomatensoep geserveerd, volgens John Irving de beste van Nederland.)


In het boek wordt veel gesproken over eten omdat de vader van Danny kok is…

“En veel over tomaten, omdat hij een Italiaanse kok is… Ik zal het je straks vertellen, maar misschien kun je het raden: deze tomatensoep heeft een bijzonder ingrediënt waarvan je niet zou denken om het in tomatensoep te doen. Proef je het?”

???

“De soep is een beetje bitter, vind je niet? Hij is niet zo zoet als je zou verwachten.”

Hij heeft ook iets zuurs…

“Ik gok dat het jaren geleden per ongeluk is gegaan. En toen proefde iemand het en die zei: ‘Goh, wat hebben jullie in de soep gedaan?'”

Zitten er misschien een paar druppels citroensap in?

“Een goede gok, maar nee. De kok is Frans, maar het ingrediënt is Italiaans.”

Iets van een druif?

“Een paar eetlepels cappuccino… Koffie! Het is de koffie die de soep dat bittertje geeft. Te veel erin zou afschuwelijk zijn. Maar dit is net genoeg.”

Daar was ik inderdaad nooit op gekomen. Lekker. Terug naar hoofdpersoon Danny: hij weet dat hij schrijver wil worden als hij zich ervan bewust is dat hij de toekomst kan voorspellen. Speelde zoiets bij u ook een rol?

“Nee, helemaal niet. Ik heb dat gevoel ook nooit gehad. Ik heb al eerder over schrijvers geschreven, drie keer nu, in The World According to Garp, A Widow for One Year en nu. Zelfs in A Son of the Circus komt een schrijver voor, een slechte scriptschrijver. Dit is de eerste keer dat ik een schrijver heel graag mijn soort schrijverschap en mijn biografie als schrijver heb willen meegeven. Oppervlakkig gezien gaat het dan over de scholen die ik heb bezocht, maar ik heb geprobeerd het te verdiepen door Danny allerlei psychologische redenen te geven om schrijver te worden. Dat er tegen hem is gelogen over zijn moeder, dat hem als kind bepaalde dingen nooit verteld zijn, en dat iets heel belangrijks dat hem wel verteld was, niet waar bleek. Als ze hem dat berenverhaal nooit hadden verteld, was er misschien niets gebeurd. Veel van wat in dit boek staat heb ik nooit zelf meegemaakt; maar ik probeer, door dingen die ik me herinner samen te brengen met dingen die ik heb verzonnen, de psychologie van het schrijver worden te verdiepen.”


Dus u hebt nooit per ongeluk een indiaanse vrouw hoeven doden om schrijver te worden?

“Gelukkig niet, nee.”

Slaat de verwijzing naar de toekomst voorspellen op uw eigen schrijverschap? U weet immers hoe het verhaal afloopt?

“Precies. In mijn geval is het gemakkelijk om het einde van het verhaal te voorspellen, want ik heb een schema: ik weet wanneer en hoe dingen gebeuren. Ik heb de routekaart.”

U bent niet het soort schrijver dat zich tijdens het schrijven door het verhaal laat verrassen?

“Correct. Als ik ga schrijven, is alles al gebeurd. Alleen de dialogen zijn nieuw, die verzin ik niet van tevoren. Ik weet wat Ketchum overkomt, maar niet wat hij zegt. Dat komt pas tijdens het schrijven.”

John Irving: De laatste nacht in Twisted River. De Bezige Bij. € 24,90. Last Night in Twisted River. Random House. € 18,99. Beide ook verkrijgbaar via ako.nl.

Frank van Dijl