De tomatenplukkers van San Nicola Varco

De Marokkanen die het zware werk doen in de Italiaanse landbouw, worden als uitschot behandeld. Door criminele tussenpersonen, door corrupte landgenoten, en door de autoriteiten die hen liever kwijt dan rijk zijn. Welkom in de hel van Zuid-Italië.

Aziz stond boven op het hoofd van Garibaldi. In zijn blote buik. Tien uur lang. Van twee uur ’s nachts tot twaalf uur ’s middags op het Piazza Garibaldi, het drukste plein van Napels. Het was zijn protest. Hij werd al maandenlang niet betaald door zijn baas, was uit wanhoop gaan zwerven, geëindigd in Napels en gek geworden. Hij dreigde zichzelf van het standbeeld te storten.

Aziz is een van de vele Marokkaanse mannen in Italië die de vertwijfeling nabij zijn. Tien tot vijftien uur per dag werken ze voor maffiose bazen in de groente- en fruitteelt. Ze wonen in spookdorpen, op verlaten industrieterreinen en tussen het afval. Het zijn de slaven van vandaag.

De SS18 is een doorgaande weg van Napels naar het honderden kilometers zuidelijker gelegen Reggio di Calabria. In de zomer rijden er veel toeristen, op weg naar de kust van Cilento, de chique badplaats Amalfi en de wereldberoemde tempels van Paestum. De SS18 voert dwars over het landbouwgebied Piana del Sele. Langs tomatenplantages, artisjokvelden, venkelgaarden en aardbeiplantjes. En langs kassen, kilometers kassen. Terwijl er in heel Napels nog nooit een fiets is gesignaleerd, stikt het hier ineens van mensen op de fiets. Of preciezer gezegd, van Marokkanen op de fiets. Ze slingeren op krakkemikkige rijwielen over de SS18, met aan het stuur plastic tassen met groente en fruit en achterop flessen water. Vrachtwagens denderen er met tachtig kilometer per uur gevaarlijk dicht langs.

Bij kilometerpaaltje 78 is een afslag. Anselmo Botte, voorman van de vakbond CGIL in Salerno, neemt de weg naar rechts, richting San Nicola Varco. Er woont niemand in San Nicola Varco, althans officieel. Officieel is San Nicola Varco een mislukt bouwproject zoals er duizenden bestaan in Zuid-Italië. Het had een verzamelpunt moeten worden voor alle groente en fruit van de Piana del Sele. Vijftien miljoen euro werd ervoor uitgetrokken. De Piana del Sele is een van de grootste landbouwgebieden van Italië. In de jaren dertig werd het door Benito Mussolini klaargestoomd voor de landbouw. Hij legde honderden kilometers irrigatiekanalen aan en een wirwar van smalle geasfalteerde straatjes tussen de verschillende stukken grond. Vroeger werkten er arme Italianen uit het zuiden op het land, maar die emigreerden of vonden beter werk. Elk jaar kwamen er meer migranten voor in de plaats, en inmiddels wordt het werk alleen nog gedaan door veelal illegale migrantenhanden. Dat is overigens niet alleen hier zo; in heel Italië stikt het van de zwartwerkers. Zwart werk draagt voor bijna twintig procent bij aan het bruto nationaal product van Italië. Maar nergens wordt op zo’n grote schaal illegaal gewerkt als op de Piana del Sele. Er werken in het gebied naar schatting vijfduizend Marokkanen, vrijwel allemaal illegaal. En een vijfde van hen woont in San Nicola Varco.


“Welkom in de hel,” zegt Botte als hij in zijn Fiat Multipla het terrein op rijdt. Christus kwam niet verder dan Eboli heet de klassieker van de wereldberoemde Italiaanse romanschrijver Carlo Levi. Die titel dekt niet helemaal de werkelijkheid. Christus stopte nog een paar kilometer eerder, bij San Nicola Varco. Op het terrein staan hutten van hout, van plastic en van bordkarton. De grond ligt bezaaid met verbrande autobanden en opengereten vuilniszakken en er staan tientallen kapotte auto’s. Botte parkeert zijn wagen op een heuveltje. “Waarom? Wacht maar af… anders drijft hij straks zo de rivier de Sele in.” Het regent, en de zanderige ondergrond verandert inderdaad langzaam in een grote modderpoel. Uit de hutjes komen slaperige mensen tevoorschijn, met donkere, vermoeide gezichten. Ze steken hun hand op naar Botte. Ze kennen hem inmiddels wel. Botte zwaait terug.

Al tien jaar is Botte begaan met het lot van de kleine duizend illegale Marokkanen die in San Nicola Varco wonen. In zijn vrije uurtjes rijdt hij in zijn Multipla naar het kamp om allerhande zaken voor hen te regelen. Een houten barak om een slagerijtje te beginnen, een bezoek aan de tandarts, een dokter die eens in de week als vrijwilliger langskomt in een busje.

Botte helpt hen ook aangifte te doen tegen hun bazen als ze niet betaald krijgen of mishandeld zijn. Tot nu toe willen de Marokkanen dat alleen anoniem doen, uit angst een pak rammel te krijgen, hun baan te verliezen of bij de politie te worden aangegeven. Verder zet Botte zich in voor legalisatie van de Marokkanen van de Piana del Sele. Onlangs werd de immigratiewet in Italië aangescherpt. Illegale immigratie is voortaan een misdaad. Wanneer een illegaal op Italiaans grondgebied wordt aangehouden, kan die een boete van tienduizend euro krijgen en een enkeltje thuisland.


Botte voert een oneerlijk gevecht. Terwijl hij met de grootste behoedzaamheid de corrupte werkverschaffers probeert aan te klagen, rijden diezelfde werkverschaffers in de vroege ochtend naar San Nicola Varco en omstreken om de illegale handen bij bosjes in hun wagens te laden. Om nu eens eindelijk de aandacht te vragen die dit getto verdient, schreef hij een boek. Sindsdien wordt hij geregeld achtervolgd door lieden die deel uitmaken van het systeem en ontvangt hij dreigtelefoontjes. Zijn boek heet Mannaggia la miseria, wat zoveel betekent als: Tering, wat een rotbende.

En een rotbende ís het. Stelt u zich voor: twintig hectare rommel, waar bijna duizend illegalen tussen wonen. Voor al deze mensen is er welgeteld één kraantje, en niet eens één wc. Ze hebben zelf maar een gat in de grond geslagen. Douches zijn er wel, door de provincie Campania geplaatst, maar die hebben nog geen twee weken gewerkt. Toen de media eenmaal hadden gemeld dat de provincie zulk goed werk had geleverd voor die arme stakkers, vond die provincie het niet meer nodig nog iemand met een waterpomptang richting San Nicola Varco te sturen. Als het niet te koud is, wassen de Marokkanen zich daarom in een irrigatiekanaal dat langs het terrein stroomt – in hetzelfde water waar de boeren hun chemische bestrijdingsmiddelen in lozen. Elektriciteit wekken de Marokkanen zelf op met generatoren die op benzine werken. ’s Avonds is het pikkedonker in het dorp, bij gebrek aan verlichting. Het stikt er van de ratten. Er is geen verwarming – vandaar al die afgefikte autobanden. Dit getto ligt niet in India of Zuid-Afrika, maar in uw favoriete vakantieland. Italië. Het land van het rode goud, de tomaat. En zijn het niet de tomaten op uw bord die door uitgebuite mannen zijn geplukt, dan wel de olijven, de druiven of de kiwi’s die Italië exporteert.


Het is stilletjes in de hel, op deze koude dag. Op het eerste gezicht lijkt er amper iemand te wonen in San Nicola Varco, op die paar mensen na die hun hoofd naar buiten steken en wat zwerfhonden die blaffen naar het bezoek. “Het is geen toptijd, de wintermaanden. Er is weinig werk,” zegt Botte. Dan klinkt er vanuit de verte uit een grote tent Berbermuziek. We lopen erheen. Botte slaat het tentzeil open en we zien tientallen tafeltjes waaraan wel zo’n driehonderd jonge Marokkaanse mannen zitten. Ze drinken muntthee en leggen een kaartje. Het is ze zowaar gelukt de hel een beetje leefbaar te maken. Zo is er een Marokkaan die na het werk op het land voor kapper speelt. Een ander is slager en haalt een paar keer per week vlees in het nabijgelegen Battipaglia dat hij voor een kleine meerprijs doorverkoopt. Er is een groenteboer, en iemand die elke dag vers brood bakt in een zelfgebouwde oven. Er is zelfs een moskee. En Mohammed, die al bijna tien jaar in San Nicola Varco woont, is uitbater van de grote tent. Hij maakt broodjes falafel en bakt patat in oud frituurvet. De gasten zitten op kuipstoelen waarvan hij er driehonderd op de kop heeft getikt voor drie euro per stuk. Ook heeft hij twee televisies die werken op een oud stroomaggregaat dat achter de tent staat. Op het dak van de tent staan twee schotels. De ene tv staat op Al Jazeera, op de andere is een Arabische soap aan de gang.

Een man op krukken komt de tent binnen. Youssef heet hij, en hij is 25 jaar. Hij heeft zijn been gebroken – aangereden door een auto toen hij een paar dagen geleden van zijn werk terugfietste naar het kamp. Mussolini is destijds vergeten straatlantaarns te plaatsen, en latere gezagsdragers hebben er ook niet meer aan gedacht. Youssef zegt dat hij en al die anderen die daar nu in die tuinstoelen zitten slachtoffer zijn van hetzelfde systeem. Allemaal in dezelfde val getrapt. Een een-tweetje tussen Italiaanse maffiosi en Marokkanen die al lang in Italië gevestigd zijn, de zogenaamde caporali, die op hun beurt weer contacten hebben met hun stromannen in Marokko.


Drie jaar geleden besloot Youssef het roer om te gooien. Hij wilde een beter leven voor zichzelf, maar vooral voor zijn ouders en zusje. Hij woonde toen nog in Beni Mellal, een stad ten zuidoosten van Casablanca. Bijna alle Marokkanen in San Nicola Varco komen uit die regio. Voor hetzelfde werk in de landbouw verdienen ze in Beni Mellal per dag een euro of vijf en op de Piana del Sele tussen de vijftien en 25 euro. Op een dag kwam Youssef in Beni Mellal in contact met een man die hem wel naar Italië kon helpen verhuizen. Hij zou een contract regelen, en dan kon Youssef zorgen dat zijn familie elke maand kon rondkomen. Voor opvang zou gezorgd worden, en er zou gegarandeerd werk zijn. Allemaal wit, en hij kon ook legaal naar Italië reizen. Youssef kende de verhalen van Tunesiërs die via levensgevaarlijke reizen met krakkemikkige bootjes illegaal het zuiden van Europa probeerden te bereiken. Maar Youssef kon gewoon met het vliegtuig. Voor zesduizend euro, contant te betalen aan de ronselaar. Dat viel nog mee, want sommige Marokkanen betalen wel tienduizend euro, volgens de International Organization for Migration (IOM), die Italië afgelopen zomer op de vingers tikte vanwege het bestaan van San Nicola Varco, de ‘sloppenwijk te midden van het vuilnis, zonder stromend water of elektriciteit’.

Youssef legde zijn plan voor aan zijn ouders, en na lang wikken en wegen werd besloten alle spaarpotten in huis om te keren. Met maar één koffer stapte Youssef op het vliegtuig, en een halve dag later stond hij op het station van Salerno. Daar zou hij worden afgehaald door de werkgever die had geregeld dat hij legaal de grens over kon. Als hij zich niet binnen de wettelijk verplichte acht dagen samen met die werkgever bij de burgerlijke stand zou melden, zou hij alsnog illegaal worden. Maar er stond niemand te wachten op het station in Salerno, en er zou ook nooit iemand komen. Een contract kreeg hij nooit in handen.


Youssef besloot rond te gaan slenteren. Hij sprak geen Italiaans, geen Engels, alleen Arabisch, Berbers en wat Frans. Uiteindelijk kwam hij via via in contact met andere Marokkanen uit de buurt van Beni Mellal. Hij mocht bij hen komen slapen, en ze konden hem ook aan werk helpen. Zwart, maar het betaalde. Ze namen hem mee naar San Nicola Varco; hij moffelde een gevonden matras tussen de andere matrassen, en binnen een paar dagen tijd had Youssef zijn eerste klus. In de vroege ochtend werden hij en de jongens met wie hij op de kamer sliep, opgehaald door een oude Golf. Ze gingen tomaten plukken. Voor Youssef instapte, vroeg de Marokkaanse chauffeur aan alle passagiers – ze waren met z’n achten, twee zaten er in de kofferbak – een bedrag van drie euro. Na twaalf uur zwoegen in de volle zon kreeg hij twintig euro, waarvan er dus drie naar de chauffeur gingen. Die betaalde hij ook nog een euro voor een fles water voor tijdens het plukken. Nu ziet zijn leven er al drie jaar zo uit. Per jaar lukt het hem zo’n 150 dagen te werken; de andere dagen wacht hij en struint hij de kampen af, op zoek naar andere werkgevers. Iedere week belt hij zijn moeder vanuit een belwinkel in Battipaglia en zegt hij dat het prima met hem gaat. Maar goed dat ze niet kan zien dat zijn been in het gips zit.

Maar ineens veranderde alles. Het getto San Nicola Varco is weggevaagd. Een paar dagen na ons bezoek veranderde het zijweggetje van de SS18 in een aanvoerroute voor tientallen ME-busjes, politiemotoren en auto’s van de Guardia di Finanza. In een mum van tijd omsingelden zo’n tweehonderd agenten San Nicola Varco. De agenten in gevechtskledij droegen witte kapjes voor hun mond en hadden witte handschoenen aan. Ze vonden het vies in San Nicola Varco. Ze waren bang voor infecties en durfden de Marokkanen niet met blote handen aan te raken.


Aan het eind van de ochtend had de politie 120 Marokkanen opgepakt. Ze werden overgebracht naar illegalencentra in Bari en Crotone, van waaruit de Marokkanen zonder papieren zouden worden uitgezet. Zo’n vijfhonderd mannen hadden echter de avond voor de inval de benen genomen. Iemand had ze tijdig getipt. Eén keer raden wie…

Als we een paar dagen na de inval in Botte’s Multipla door de regio rijden, roept hij zo nu en dan: “Daar zitten er een paar, en daar, onder die witte tentdoeken in de verte.” De Marokkanen die aan de politiecontrole hebben weten te ontkomen, zijn uitgewaaierd over de hele regio. Ze slapen op straat, onder dekens, of bij hun illegale bazen tussen de tomatenplanten op het land. En telkens in opperste paraatheid, klaar om weer te vluchten. “San Nicola Varco was een getto. Het was er vies. Maar vergeleken met de situatie nu was het een viersterrenhotel. Ze woonden er bij elkaar. Ze boden elkaar veiligheid, broederliefde, vertier en steun. Ze gaven elkaar te eten, ook als er een eens een dag geen geld had verdiend,” zegt Anselmo. Dat is nu allemaal voorbij.

Maar in San Nicola Varco kan nu eindelijk worden begonnen met de bouw van het Outlet Cilento Village, een project waarmee zo’n tachtig miljoen euro gemoeid is. Naast het voormalige getto is na de inval een bord geplaatst waarop de komst van het outletcentrum staat aangekondigd. Het zijweggetje is door de politie afgesloten. Barman Mohammed heeft zijn tuinstoelen van drie euro per stuk niet kunnen meenemen. Ook de twee televisies staan nog in de tent. Maar hij komt er niet meer in.


De verantwoordelijken voor de razzia in San Nicola Varco hebben verzuimd om na te denken over behoorlijke opvang na de actie. En weer is het Anselmo Botte die de problemen mag oplossen. Hij is langsgereden bij de melkfabriek van een vriend van hem en heeft vijftig pakken houdbare melk in zijn Multipla geladen. Daarna rijden we naar een huis aan de rand van Eboli, dat als enige opvangruimte door de gemeente beschikbaar is gesteld aan een groep legale Marokkanen, die voorlopig in Italië mogen blijven. Het huis is een bouwval, zonder warm water. Vijftig mannen delen twee kleine doucheruimtes, twee hurk-wc’s, een klein keukentje en twee slaapkamers. Buiten hebben vrijwilligers van de scoutingvereniging twee tenten opgebouwd. Het tafelvoetbalspel buiten valt bijna uit elkaar en er zijn geen balletjes.

Mohammed is negentien en opgeleid tot lasser. Hij heeft een Italiaanse identiteitskaart en spreekt vloeiend Italiaans. Eerder woonde hij in Noord-Italië, in Bergamo. Hij werkte er legaal als lasser, maar verloor zijn baan toen de fabriek failliet ging. “In het noorden hou je het nog geen week uit zonder geld.” Hij verkaste naar Salerno en kwam in San Nicola Varco terecht. Al zijn papieren zijn in orde. “Waar moet ik nu heen? Het was een grote bende, San Nicola Varco, maar het was er veilig en we hadden een dak boven ons hoofd. En nu? Nu ga ik rondlopen, zwerven over het land, come un schemo, als iemand die niet goed wijs is. Zodra ik het geld ervoor heb, ga ik terug naar Marokko. Met schaamte. Met de schaamte dat het me niet gelukt is. Maar alles beter dan dit land, dat de mensen die het vuile werk opknappen als uitschot behandelt.”


Botte vertelt dat de oude Golfjes hun rijroutes inmiddels hebben aangepast en haarfijn weten waar de goedkope illegale Marokkanen voortaan opgehaald kunnen worden nu San Nicola Varco is opgedoekt. De oogst moet immers van het land.

Ralf Groothuizen