Knollenland

In Kentucky zijn paardenrennen razend populair. En dat terwijl zo’n wedstrijd in de tijd dat je een slok whisky neemt alweer voorbij is. Bericht uit het knusse Keeneland, in het hart van America’s Bluegrass State.

Allemaal leuk en aardig, zo’n WK voetbal, maar in de Amerikaanse staat Kentucky liggen ze daar niet wakker van. In America’s Bluegrass State is het, naast het baseball van de University of Kentucky, het basketball van de University of Kentucky en het football van, inderdaad, de University of Kentucky voornamelijk paardenracen wat de klok slaat. De Kentucky Derby op de baan van Churchill Downs in Louisville, traditioneel gepland voor de eerste zaterdag in mei, geldt wat dit betreft als het summum: zonder enige terughoudendheid spreken Amerikanen in dit geval over ‘the most exciting two minutes in sports’.

In Kentucky, waar je meer paarden ziet dan fietsen, is echter nóg een arena waarin edele viervoeters het tegen elkaar opnemen. Maar dit kleinere Keeneland, in het naburige plaatsje Lexington, wordt door de elite van Louisville totaal niet serieus genomen. Het is als Amsterdammers die vanuit de ArenA neerbuigend praten over de verrichtingen van De Graafschap in stadion De Vijverberg. En toch hebben op deze zonovergoten vrijdag in april meer dan twintigduizend paardenliefhebbers de weg gevonden naar dat knusse Keeneland, waar ditmaal onder meer de met 300.000 dollar gedoteerde Maker’s Mark Mile zal worden vergaloppeerd. Vernoemd naar de ambachtelijk gestookte whisky van de familie Samuels is het een race die wel degelijk meetelt in het hippische circuit. Vandaar dat uw nijvere verslaggever er aandachtig toeschouwer is.

Nou nee, dat is niet helemaal waar. Samen met persvertegenwoordigers uit Japan, Spanje, Zweden, Duitsland en India ben ik hier op uitnodiging van Bill Samuels Jr., de grote man van Maker’s Mark, de whisky die zo puur is dat-ie slechts door kenners op de juiste waarde wordt geschat (wacht even, gaan we die kant op? – eindred.). Ome Bill is een nazaat van Taylor W. Samuels, die rond 1840 besloot om met het stoken van whisky zijn brood te verdienen. De van origine Schotse familie Samuels (om die reden hebben ze het altijd over whisky gehad in plaats van over whiskey, wat bij een Amerikaanse bourbon gebruikelijk is) had zijn tentakels in alle lagen van de samenleving. Op de stokerij van Maker’s Mark in het rustieke plaatsje Loretto hangen daarvan de ingelijste bewijzen: een persoonlijke brief van president Abraham Lincoln naast een pis- tool van Frank James, de broer van Jesse, een outlaw die zijn boodschappen bij voorkeur afrekende met rokende colts. En ook anno 2010 heeft de Samuels-clan nog altijd invloed. Dus als voorafgaand aan de races op Keeneland een signeersessie van bijzondere flessen Maker’s Mark wordt georganiseerd, dan heeft Bill daarvoor niet de minsten uitgenodigd. Samen met hem en baandirecteur Nick Nicholson krabbelt John Vincent Calipari zich een lamme klauw. Calipari is een basketbalcoach van wie vermoedelijk niemand in Nederland ooit heeft gehoord, maar gelet op de meterslange rijen geduldig wachtende fans is die onbekendheid volledig geografisch bepaald. Vele uren voor de eerste knollen het op een rennen zetten, staat de parkeerplaats van Keeneland al helemaal vol met blik. Voor een handtekening van Calipari, op een speciale blauwe Calipari-fles (de kleur refereert aan de University of Kentucky), staan tweeduizend (!) gelukkigen geduldig in de rij. “In totaal hebben we 24.000 van die flessen laten maken,” zegt Rob Samuels, de zoon van Bill Jr. “Binnen een uur waren ze allemaal weg. Tweeduizend kopers hebben zich vervolgens voor deze signeersessie kunnen aanmelden. En ik zal je wat vertellen: als deze fles niet in een gelimiteerde oplage was verschenen en we zouden álle kopers daarna in de gelegenheid stellen hier te komen, dan hadden we drie dagen kunnen signeren.” Ik geloof hem onmiddellijk, maar vraag me wel af of ik ooit uren in de rij zou staan om een fles jenever te laten tekenen door Ton Boot. Vermoedelijk niet.


Terwijl Calipari, Nicholson en Samuels jr. zich zes slagen in de rondte signeren en een allercharmantst strijkkwartetje het wachten veraangenaamt met riedeltjes als The Entertainer van Scott Joplin (uit The Sting met Paul Newman en Robert Redford, een voortreffelijke film met een allerlulligste plot waarbij met een fles ketchup een bloedbad werd gesimuleerd), nodigt Rob ons uit voor ‘a proper Kentucky breakfast’. Om kwart over tien lijkt me dat geen uur te vroeg. Als ik achter hem aan hobbel, legt pr-dame Jamie Hakim, een Egyptische met Cleopatra-ogen, nog even uit dat de opbrengst van deze speciale flessen traditiegetrouw voor een goed doel is. Ditmaal strijkt het University of Kentucky Music Program & Orchestra het geld op; de vergaarde dollars zullen worden geïnvesteerd in muzieklessen op de scholen van Kentucky.

Rob, een olijke stropdas met Maker’s Mark-flessen om zijn hals geknoopt, vertelt enthousiast dat we samen kunnen eten met de jockeys. Geen prettig vooruitzicht, want die gasten vreten niks – en dus zullen de porties wel navenant zijn. Maar nee: in een kantine-achtige ruimte liggen bergen gebakken aardappelen met roomsaus, gebakken bacon, gebakken eieren en gebraden worsten te wachten om te worden weggespoeld met liters, eh, cola light. Een ontbijt als een stapel bakstenen; ik heb medelijden met het paard dat een ruiter op z’n rug krijgt die híer heeft gebunkerd!

Om de tijd te doden tot de eerste van de tien races die vandaag op het programma staan, worden we naar Lane’s End vervoerd, de paardenfokkerij die al vele Keeneland-kampioenen heeft voortgebracht. Lane’s End is eigendom van de schandalig rijke Texaan Will Farish, een persoonlijke vriend van George Bush. “De oude,” haast Rob zich daaraan toe te voegen. Op Lane’s End doen dekhengsten als Lemon Drop Kid, Rock Hard Ten en Stephen Got Even hun kunstje, à raison van respectievelijk 35.000, 25.000 en 7500 dollar per servicebeurt. Wilt u A.P. Indy zien steigeren, dan zult u zelfs 150.000 dollar moeten neertellen. Publieksfavoriet Kingmambo komt nog hoogst zelden in actie, want die heeft rugproblemen.


We maken kennis met Curlin, een voormalig racepaard dat inmiddels gepensioneerd is. “Hij kan lekker rusten en hoeft alleen nog op te draven om vrouwtjes te dekken,” zegt zijn verzorger. De open staldeur die deze opmerking biedt, wordt door het mannelijk deel van de persvertegenwoordigers met graagte ingetrapt.

Terug op Keeneland, waar we de geteisterde hand van de uitgesigneerde Nick Nicholson schudden. De directeur van de racebaan laat ons het volgende noteren: “Maker’s Mark is een fantastisch bedrijf dat een fantastisch product maakt dat bijdraagt aan de levensvreugde van een heleboel mensen en een geweldige impuls geeft aan de economie van Kentucky.” Dat schrijven we graag op, want de stroopsmeerder voegt eraan toe dat hij het ‘een eer’ vindt dat wij er zijn. Rob, zijwaarts fluisterend: “De Keeneland Race Track kocht eind jaren vijftig het eerste vat Maker’s Mark. Dat werd het begin van een warme relatie.”

En op naar de volgende plichtpleging: een bezoek aan de veilingruimte van Keeneland, waar zo’n vijfduizend paarden per jaar worden verhandeld. Associate director of sales Tom Thornbury, wie kent ‘m niet, dicteert dat er in zijn toko niet minder dan zeventien winnaars van de Kentucky Derby zijn verkocht, dat de dieren in het verleden voor prijzen tussen de zevenduizend en zestien miljoen dollar van de hand zijn gegaan en dat creditcards niet worden geaccepteerd. “Het bieden gaat hier uitermate subtiel, omdat iedereen op iedereen zit te letten,” aldus Thornbury. “Iemand kan bijvoorbeeld van tevoren aangeven dat hij biedt zolang hij zijn baseballcap op heeft.” Die zestien miljoen flappen werden trouwens neergelegd voor een paard met de toch niet vertrouwenwekkende naam Green Monkey. Het dier won sindsdien geen enkele race. Jammer, je had voor dat geld leuk op vakantie kunnen gaan.


En dan bevinden we ons ineens in de corporate box van Maker’s Mark, een afgehuurde vipruimte waar de gedachte aan het horrorontbijt kan worden verdrongen middels het consumeren van exquise spijzen en dito drank. Handen wassen doen we er in een gouden fonteintje met een gouden kraan. Goed, je bent in deze contreien verplicht een stropdas te dragen, maar dat knellende nadeel weegt niet op tegen de voordelen die een gesponsord verblijf in deze sfeervolle ambiance biedt. Wat ook weer niet wil zeggen dat de wedstrijden kunnen boeien. Voor het oog van de leek zijn alle races immers volkomen inwisselbaar, en zelfs bij de climax van de dag, de Maker’s Mark Mile, blijft in mijn geval het puntje van de stoel onbezet. Want of Cherokee Artist, Court Vision of Society’s Chairman als eerste over de meet komt, het zal me eerlijk gezegd worst wezen. Paardenworst, al ligt dat begrip hier gevoelig.

Navraag leert dat het paard Karelian van ruiter Julien R. Leparoux zijn neus als eerste over de streep heeft gedrukt. Live is dat me ontgaan, want er zat toen net een glas whisky voor m’n ogen.

’s Avonds dineren we in het exclusieve restaurant van chef-kok Jonathan Lundy, een autoriteit op het gebied van de locale cuisine en schrijver van het boek Jonathan’s Bluegrass Table. Ik heb het onuitsprekelijke genoegen naast Bill Samuels Jr. te worden geplaceerd. Wat ik wil drinken, vraagt hij met een grijns zo gul als een slecht afgestelde fruitautomaat. “Jack Daniel’s,” antwoord ik.

Zelden een gelaatsuitdrukking zó snel zien veranderen. Maar goed dat-ie die blaffer van Frank James niet bij zich heeft.

Michiel Blijboom