De weg kwijt

Veertig Nederlandse ziekenhuizen hebben een psychiatrische afdeling (PAAZ), waar tijdelijk mensen worden verpleegd die in de war zijn geraakt. Wat speelt zich af op zo’n gesloten afdeling? Praten, pillen, actie en shocks: een reportage.

Als het even kan, beginnen de dagen hier op de psychiatrische afdeling met ontspanningsoefeningen. Elders doet men zulke oefeningen aan het einde van een drukke dag, maar bij de patiënten van de PAAZ is het altijd druk in het hoofd. Ze denken aan honderd zaken tegelijk, beleven wanen of angsten, of voelen zich zo ongelukkig dat ze weinig plaats meer hebben voor wat anders. Als ze ’s ochtends meteen al in een wat rustiger stemming zouden komen, zouden ze meer baat kunnen hebben bij hun dagprogramma, veronderstellen de behandelaars.

Ze zeggen niet veel, de zeven mensen die deze ochtend om half negen het groepslokaal binnen schuifelen voor een sessie mindfulness. De meeste gezichten staan dof, uitdrukkingsloos, wat aan hun kwaal kan liggen, of aan hun medicijnen, die soms tot een strakke mimiek leiden. De begeleidende psycholoog legt uit dat we gaan mediteren aan de hand van een stem op een bandje. Even later leidt die stem het groepje een weids meer op, een meer dat er aangenaam kan uitzien, maar ook dreigend, waar het kan stormen zodat de golven hoog opslaan, terwijl er in de diepte onder het wateroppervlak volkomen rust heerst. Zo gaat die stem op kalme toon verder, met beeldspraken die suggereren dat mensen in problemen erop mogen hopen dat het wel weer goed komt.

Na twintig minuten klinkt er een belletje ten teken dat de meditatie is afgelopen. De psycholoog vraagt of het een beetje wilde lukken. De meesten staren voor zich uit; één man maakt met zijn hand een ‘min of meer’-teken. Dan gaat ieder stil zijns weegs. Een paar patiënten lopen een patio op: een binnenplaats met houten tuinstoelen, een paar plantenbakken met bamboe en uitzicht op de hemel. Ieder zoekt een zitplaats, rolt een sigaret en hangt een tijdelijk rookgordijn voor de eigen sores – de een met driftige teugen, de ander werktuiglijk, terwijl de as om haar heen valt.


De eerste etage van het Tilburgse St. Elisabeth Ziekenhuis. Een brede gang waarop allerlei afdelingen uitkomen. Na wel tweehonderd meter een pijl naar de PAAZ (Psychiatrische Afdeling Algemeen Ziekenhuis). Wat verderop een licht-blauwe, afgesloten deur met een bel ernaast. Hierachter ligt de psychiatrische verpleegafdeling van het Elisabeth Ziekenhuis, een van de ongeveer veertig PAAZ’en in Nederland.

Aan de andere kant van de deur dient zich eerst een centraal vertrek aan, een soort meld- en regelkamer waar het dienstdoend personeel administreert, verslagen tikt, koffie drinkt, monitors in de gaten houdt, telefoneert, lopende zaken bespreekt, medicijnen verstrekt en vragen van passanten beantwoordt. De centrale kamer kijkt ook uit op de twee patio’s van de afdeling.

De patio’s op hun beurt worden omzoomd door gangen met een- of tweepersoonsvertrekken en twee huiskamers. Enkele gangwanden zijn getooid met muurschilderingen van het eenvoudige soort. Een paar openstaande deuren bieden zicht op non-descripte interieurs, waar de huiselijkheid het moet hebben van een prikbord met ansichtkaarten en foto’s. Ook de twee gezamenlijke kamers zijn bewust elementair en nuchter ingericht. “Dit is een ziekenhuisafdeling; het is niet de bedoeling dat mensen hier willen blijven,” verklaart Frank Meeuwsen, hoofd Zorgeenheid Psychiatrie, tijdens een korte rondleiding.

Dat de voordeur op slot is, wil niet zeggen dat patiënten zitten opgesloten. Mensen kunnen – met toestemming – even van de afdeling af als dat voor henzelf of anderen geen gevaar oplevert. Bij een deel van de patiënten is de bewegingsvrijheid sterk beperkt. De PAAZ telt twintig bedden en heeft daarnaast vier plaatsen voor patiënten die de nachten thuis kunnen doorbrengen. Jaarlijks vinden er ongeveer zevenhonderd opnames plaats, waarvan tweederde heropnames betreffen. Er ligt een piek bij patiënten die hier een maand verblijven en bij patiënten die na een of twee dagen alweer stabiel genoeg zijn om te vertrekken; verder zijn er altijd wel een paar mensen tot een jaar opgenomen. Vrouwen zijn licht in de meerderheid.


Hier en daar in een gang staan een hometrainer, tafelvoetbalspel en pingpongtafel. Twee vertrekken zijn ingericht voor respectievelijk creatieve en arbeidstherapie. In een hoek van de PAAZ ten slotte bevindt zich de separeerafdeling. Die werd in 2009 negen keer gebruikt.

De kleine populatie van de afdeling is opgedeeld in twee leefgroepen, die elk een eigen huiskamer hebben en onder toezicht staan van een eigen psychiater. De leefgroep van psychiater Jan van Laarhoven komt op een ochtend bijeen voor het wekelijks leefgroepgesprek. Als Van Laarhoven informeert of de afgelopen week nog irritaties heeft opgeleverd, zegt een man dat hij zich eraan ergert hoe druk sommigen zijn, terwijl hij juist behoefte heeft aan rust. Wie heeft daar tips voor, vraagt de arts. Nou, oppert iemand, je kunt vragen of die drukke persoon even zijn mond kan houden omdat het niet lekker met je gaat. Goed idee, vindt Van Laarhoven, want dan verwijt je een ander jouw probleem niet.

Via het tekort aan spelletjes – kan er geen Mens Erger Je Niet of Ganzenbord worden aangeschaft? – komt het gesprek op de reacties van de buitenwereld. Een jonge man vertelt dat zijn baas na negen weken eindelijk op bezoek durfde te komen en dat diens vooroordeel toen plaats had gemaakt voor begrip. Een vrouw heeft de ervaring dat mensen wegblijven. “Hier dunt je telefoonboekje wel uit.” Waarop een oudere vrouw zegt: “Ze denken dat hier gekken rondlopen, maar dat is niet zo; we zijn alleen maar de weg kwijt.”

Van Laarhoven loopt terug naar zijn spreekkamer. Onderweg passeert er een verpleegkundige die hem groet met ‘Hoogheid!’

In de meld- en regelkamer wordt besproken wie er achter nieuwe spelletjes aan gaat.


Een nieuwkomer op de afdeling wordt in beginsel twee weken geobserveerd. In die tijd worden er een diagnose en een op maat gesneden behandelplan opgesteld. Die behandeling bestaat uit medicatie en therapieën die variëren van praten tot doen.

Overal in de zorg, ook in de psychiatrie, groeit de overtuiging dat beweging helpt tegen tal van problemen. Een van de vaste programmapunten op de PAAZ is dan ook ‘running’: onder toezicht van een psychomotore therapeut en verpleegkundigen (hard)lopen in eigen tempo. De daardoor opgewekte stofjes endorfine en serotonine geven een goed gevoel dat opweegt tegen de somberheid waarmee de meeste patiënten kampen. Bovendien kan sporten helpen een positiever zelfbeeld te verkrijgen.

Het is een voorbeeldige voorjaarsochtend als een tiental patiënten onder begeleiding de PAAZ verlaat en naar het aanpalende Leijpark wandelt. De praatlustigste van het stel is meneer Zwart*. Hij vertelt dat hij voor de vijftiende keer op de PAAZ is. Van tijd tot tijd welt er een diepe somberheid in hem op, en dan belt zijn vrouw of dochter maar naar de afdeling dat het weer zover is. Hij weet niet eens meer hoe hij nu de PAAZ binnenkwam, zo was hij deze keer in de war. Inmiddels is meneer Zwart weer voldoende opgeknapt om over een paar dagen naar huis te kunnen.

Mevrouw De Rode mag ook naar huis, maar ziet ertegen op, voelt zich nog labiel; haar suïcidale gedachten zijn ook nog niet weg, vannacht had ze er nog last van. De kinderen zijn het huis uit en hebben haar toch niet meer nodig. En wat heeft haar man nog aan haar? Ze zeggen allemaal dat ze nog steeds van haar houden, maar dat doet zo onwerkelijk aan. Alles doet onwerkelijk aan voor mevrouw De Rode. Ook deze wandeling door het park: ze loopt hier wel, maar het doet haar niets. Het enige waar ze zich een beetje op verheugt is dat ze straks weer met haar abonnement naar de Efteling kan.


Na ongeveer drie kwartier is de groep weer terug op de afdeling. De medische staf komt dan bijeen voor het middaggesprek, waarin de geestelijke toestand van de patiënten centraal staat. Van een patiënte heet het dat ze ‘iets minder wanhopig verdrietig’ is, maar dat er aan haar verhalen nog geen touw valt vast te knopen. Een man die met veel angsten kampt, heeft vannacht redelijk geslapen: dat is alvast wát. Een ander wil niet uit zijn bed komen; de verpleegkundigen dienen meer druk op hem uit te oefenen, zodat zijn leven een beetje structuur krijgt. Een vrouw die net via de kraamafdeling is binnengekomen met een zeer ernstige psychose moet voorlopig blijven.

Op de operatieafdeling wordt mevrouw Lila klaargemaakt voor Elektro Convulsie Therapie (ECT), beter bekend als elektroshock. Die behandeling heeft onder meer door een film als One Flew Over the Cuckoo’s Nest een tijd in een kwaad daglicht gestaan, maar wordt sinds enige jaren overal weer regelmatig toegepast, vooral bij zeer depressieve patiënten bij wie medicijnen niet baten of te veel bijwerkingen veroorzaken. De ECT wordt doorgaans twee keer per week gegeven zolang als de behandeling effectief is. Als bijwerkingen kunnen hoofdpijn en (meestal tijdelijk) geheugenverlies optreden.

Mevrouw Lila krijgt een aantal plakkers op hoofd en borst om hersen- en hartactiviteit te meten. Op haar slapen komen twee plakkers met elektroden waar de stroom doorheen zal worden geleid. Een anesthesist dient via een infuus een narcosemiddel en een spierverslapper toe. Een been wordt afgebonden zodat de spieren daar niet zullen verslappen, en zichtbaar blijft hoe het lichaam op de stroom reageert.


Als de patiënte in slaap is, wordt een bit in haar mond aangebracht om te voorkomen dat ze zo meteen haar gebit, tong en kaken beschadigt. De dienstdoende psychiater schakelt dan een aantal seconden lang de stroom in. Het gezicht van de vrouw vertrekt in een vreselijke kramp. Ook haar niet verslapte voet verkrampt helemaal. De spanning trekt weg als de stroomtoevoer stokt. Over een paar minuten zal mevrouw Lila bijkomen op een observatiekamer.

Deze ochtend ondergaan vier patiën-ten hier elektroconvulsie. Drie van hen zijn heel rustig als ze de OK binnen komen, de vierde ligt angstig weggedoken onder een laken en ontspant pas onder narcose. Bij een andere patiënt blijkt de toegediende hoeveelheid spierverslappend middel ontoereikend. Als de stroom komt, schokt het hele lichaam een paar keer en ballen zich de vuisten. De volgende keer zal hij een aangepaste dosis spierverslapper krijgen, want hier houdt hij spierpijn aan over.

Over het algemeen mondt de helft van de behandelingen uit in een positief resultaat. Als het werkt, is de patiënt goed af bij ECT. Tussen de behandelingen door neemt de somberheid af en groeit er ruimte om te genieten van het leven, wat een ongekende luxe is bij een diepe depressie. Bij een deel van de patiënten echter vermindert het effect na verloop van tijd.

Zoals in het geval van meneer De Bruin. Achttien jaar geleden raakte hij na de zelfdoding van een broer in een depressie. Hij omschrijft die stemming als een blijvende droefheid waarin de zin van het leven wegzakt. Via zijn huisarts kwam hij bij psychiater Jan van Laarhoven terecht. Aanvankelijk reageerde hij goed op medicatie, maar de klachten keerden terug, en steeds sneller. Andere medicijnen boden geen soelaas. Een paar keer werd de toestand zo hopeloos dat hij moest worden opgenomen.


ECT leek zijn redding. Na een wekelijkse elektroshock, aanvankelijk in Utrecht, later in Tilburg, voelde hij zich vijf dagen redelijk en twee dagen slecht. Als hij in een goede stemming was, genoot hij van zijn kleinkind, zijn vrouw en zijn boot. Daardoor hield hij het vol, bijna vijfhonderd behandelingen lang. Maar geleidelijk namen de slechte dagen, en de bijwerkingen, de overhand.

Drie jaar geleden kwam zijn allerlaatste kans in zicht. Het St. Elisabeth Ziekenhuis had besloten in samenwerking met het AMC van Amsterdam over te gaan tot een experimentele behandeling in de vorm van Deep Brain Stimulation. Die techniek was succesvol gebleken bij parkinsonpatiënten en leek ook kansrijk voor mensen met een onbehandelbare zware depressie. De eerste resultaten in Toronto waren hoopgevend. Als meneer De Bruin wilde, kon hij de eerste Nederlandse DBS-patiënt worden. Hij stemde toe.

Na veel teleurstellende vertraging is het er een paar dagen geleden dan eindelijk van gekomen. Eerst is via een scan vastgesteld welk deel van zijn hersenen overactief is, en daarmee verantwoordelijk voor zijn depressie. Een neurochirurg heeft vervolgens twee minuscule gaatjes in zijn schedel geboord en met uiterste precisie elektroden geplaatst op de overactieve plek. Via een pacemaker zullen er straks stroomstootjes naar die plek worden gestuurd, waardoor de overactiviteit wordt geremd en het ongelukkige gevoel hopelijk verdwijnt. Stráks, want eerst moet het brein van meneer De Bruin goed bijkomen van de chirurgische ingreep. Over drie weken zal blijken of zijn DBS helpt. “Een heel spannende tijd,” zegt hij, zoekend naar woorden. “Ik fantaseer hoe het zal zijn om niet meer zo down te zijn. Ik hoop dat ik weer net zo’n blije verhouding met mijn vrouw krijg als vroeger.”


Op de kamer van psychiater Jan van Laarhoven melden zich enkele PAAZ-patiënten voor het wekelijkse spreekuur. Een vrouw die kampt met somberheid en hevige schuldgevoelens vertelt dat haar antidepressiva maar een beetje helpen. De ene patiënt is daar veertig keer zo gevoelig voor als de andere, legt de psychiater uit, dat is genetisch bepaald. Hij zal de medicatie verhogen.

De tweede patiënt is een zwakbegaafde en psychotische jonge man van Arabische komaf. Een uitzondering, want niet-westerse allochtonen vertonen zich nog niet vaak in de psychiatrie. Hij was aan het zwerven en liep met een ontregelde suikerziekte een wisse dood tegemoet, tot hij op de PAAZ belandde. Als zijn toestand is gestabiliseerd, gaat hij de verstandelijk-gehandicaptenzorg in. Van Laarhoven legt hem uit dat hij nog een paar testen krijgt.

Dan komt een vrouw op controle die hier een tijd geleden werd opgenomen. Ze had een vorm van kanker waarvoor ze behandeld werd met kuren die patiënten manisch of depressief kunnen maken. Zij ontwikkelde een ernstige depressie, waarvan ze inmiddels weer behoorlijk is opgeknapt. Als de kuur afgerond is, kan ze naar huis, zegt de psychiater.

Ook de volgende patiënte is bijna klaar voor ontslag uit het ziekenhuis. Ze heeft twaalf elektroshocks gehad en zegt dat het redelijk goed met haar gaat. Niettemin vindt ze het ‘nogal een onderneming’ om dadelijk weer op eigen benen te staan. Ook ziet ze op tegen de dreigende eenzaamheid. Ze wil graag op de wachtlijst voor een zorghuis. “Daar gaan wij u bij helpen,” zegt Van Laarhoven. “Wij zullen u missen, u bent geen lastige klant.”

Op een ochtend is er nieuws. Die nacht is een man gesepareerd. Hij kwam van een andere ziekenhuisafdeling, waar hij verward door drugs was binnen gebracht en onhandelbaar bleek. Toen ook een opgetrommelde psychiatrisch verpleegkundige hem niet rustig kon krijgen, is hij overgebracht naar de PAAZ en daar op bed gelegd in de separeerafdeling.


Later die ochtend is er een zogeheten contactmoment. Een psychiater, een arts en vier medewerkers van de PAAZ gaan de isolatieruimte binnen en sluiten de deur achter zich. Een verpleegkundige opent een luikje van de slaapkamerdeur en zegt dat de man op zijn bed moet gaan zitten. Als dat is gebeurd, gaat de deur open. De man oogt rustig en zegt dat hij zich een deel van de nacht niet meer herinnert, maar zich nu weer tamelijk in orde voelt. Na een paar vragen en antwoorden wordt besloten dat de separatie later die dag kan worden opgeheven; wel moet de man voor onderzoek in het ziekenhuis blijven. “Separatie is een lakmoesproef,” zegt Frank Meeuwsen, hoofd van de afdeling. “Telkens als het aan de orde is, moet je je afvragen: had ik het kunnen voorkomen, had ik beter gekund, is het moreel acceptabel, werkt het?”

Op een van de patio’s steekt meneer De Wit maar weer eens de brand in een sigaret. Hij vertelt dat hij nu ruim tien weken op de afdeling is. Kwam met de ambulance aan, geheel verward, een combinatie van ADHD en borderline, resulterend in alcohol, drugs en heel veel eten. Hij was niet alleen verschrikkelijk onrustig, maar zat ook vol angsten, beeldde zich in dat hij een hersentumor had, trilde voortdurend. Nu gaat het beter, al is hij er nog lang niet. Hij heeft nog heel veel uit te zoeken, wat hem erg moe maakt. Elke dag een stapje, zo ziet hij dat. Komend weekend gaat meneer De Wit 24 uur naar huis. Hij ziet op tegen de onrust buiten. Maar thuis wacht ook zijn vrouw, en zij is zijn alles.

De praatgragen zijn meestal in de minderheid op de PAAZ. De sfeer wordt sterker bepaald door de vele in zichzelf verzonken patiënten, die het te druk hebben met de onrust in hun hoofd om ruimte te vinden voor uitgebreide conversatie of een spelletje. In de intermezzi van het dagprogramma is de asbak op de patio meer in trek dan het tafelvoetbalspel.


Ergens op een gang klinkt indringend gehuil van een onzichtbare vrouw.

Bij het kantoor van de afdeling wacht meneer Van Geel op het startsein voor zijn therapie. Een paar dagen eerder was zijn gezicht asgrauw, had hij zware wallen onder de ogen en sprak hij nauwelijks. Vandaag oogt hij aanmerkelijk vitaler en begint hij uit zichzelf te praten. Alcoholisme, pijnklachten en zwaarmoedigheid waren hem te veel geworden. Nu daagt er vaag wat perspectief. “Maar ik voel me nog wankel. Het is alsof ik tegen een vel papier leun, waar ik elk moment doorheen kan vallen.”

Psychiater Peter Notten ontvangt op zijn spreekuur een jonge academicus met ADHD, die aan de drank en de drugs is geweest en diep in de schulden zit. Desgevraagd vertelt de patiënt dat hij weer redelijk in zijn vel zit en meer rust heeft. Hij wordt ook niet meer geplaagd door het idee Nederland te moeten redden, en daartoe allerlei bewindspersonen concepten te moeten toesturen.

Na hem komt een pas achttienjarige vrouw binnen. De jongste patiënt van de afdeling; binnen afzienbare tijd hoopt het Elisabeth Ziekenhuis als eerste niet-academisch hospitaal in Nederland een PAAZ voor kinderen en jongeren te openen. Deze patiënte heeft een eetstoornis en krast zichzelf. Gisteren nog, zegt ze, ze was zó bang dat ze geen andere uitweg zag dan zichzelf te beschadigen. Haar angst is dat ze net zo psychotisch als haar moeder zal worden. Als ze aan haar moeder denkt, ziet ze allemaal messen voor zich.

Een ouder echtpaar, al 37 jaar getrouwd. De man heeft afgelopen weekend een totaal onverwachte suïcidepoging ondernomen. Zijn vrouw zegt dat ze niet begrijpt waarom, en dat ze zich boos, verdrietig en schuldig tegelijk voelt. De man mompelt dat hij altijd nul op het rekest krijgt, door iedereen wordt beduveld, dat hij afgekeurd is voor zijn werk, dat zijn dochter gescheiden is, dat hij nergens meer zin in heeft. Dus toen had hij besloten een heleboel pillen te nemen, zomaar in z’n eentje, hij is nou eenmaal een binnenvetter. Maar nu is hij blij dat hij nog leeft en wil hij graag weer naar huis. “Dat zie ik nog niet zitten, dokter,” zegt zijn vrouw met angst in haar ogen. Meneer moet nog een poosje blijven, zegt de psychiater.


De waaier aan behandelingen is ruim op de PAAZ. Naast allerlei inzichtgevende individuele en groepsgesprekken zijn er diverse gerichte lessen en therapieën. Biofeedback bijvoorbeeld leert mensen hoe angsten en zorgen zich vertalen in spierspanningen en stress die op hun beurt lichamelijke klachten opleveren, die weer nieuwe angsten en zorgen produceren. Met behulp van meetapparatuur kunnen deelnemers ervaren hoe een beheerste ademhaling helpt spanningen te reduceren.

Bij psychomotorische therapie doen patiënten gymnastische oefeningen en spelvormen, waarbij het erom gaan het eigen tempo te bewaken en zich niet te laten opjutten door anderen. Veel mensen raken in problemen doordat ze moei- lijk ‘nee’ kunnen zeggen. Speciale bewegingstherapie helpt hen grenzen aan te geven en het eigenbelang boven het teambelang te stellen. Bovendien leidt fysieke actie af van de neiging tot malen en piekeren, en geeft het een voldaan gevoel dat psychiatrische patiënten niet vaak meer ervaren.

Met cognitieve therapie wordt geprobeerd patiënten er bewust van te maken dat ze zich vaak laten leiden door ingeprente gedachten (‘ze hebben het allemaal op me gemunt’, ‘ik doe het toch nooit goed’), en dat het helpt zulke overtuigingen te toetsen aan de werkelijkheid.

De groepstherapie geeft ook praktische tips om je zekerder te voelen in de omgang met problemen en met andere mensen. Daarnaast wordt er aan gewerkt dat patiënten meer kennis krijgen van de problemen die hen plagen. Zo krijgen ze les over stress, angst, depressie en slaapproblemen.

Bij arbeids- en creatieve therapie worden mensen geprikkeld tot het leveren van een prestatie. In ieders manier van werken – chaotisch, perfectionistisch, afhankelijk, assertief, fatalistisch – weerspiegelt zich hoe men in het dagelijkse leven functioneert. Figuurzagen of tekenen kan ideeën opleveren over de omgang met problemen: zoek wat op, vraag raad, probeer het eens andersom.


Het maken van een werkstuk op zichzelf is al bemoedigend, want veel patiënten denken dat ze niets meer kunnen en al hun vaardigheden verloren zijn. Bovendien kunnen mensen in hun creativiteit soms emoties kwijt die ze in woorden niet weten te uiten. Aan menig werkstuk is het probleem van de patiënt af te lezen, zegt creatief therapeute Maaike Remery. “Een depressie mondt vaak uit in een levenloos tafereel. Een manisch persoon kleurt het hele doek vol en is nooit klaar. Een psychose uit zich in werkstukken vol ogen. Een vrouw schilderde eens een wereldberoemd doek van Monet na. Daar staan twee kinderen op, maar zij schilderde één kind. Bleek dat zij een kind had verloren, en niemand die het wist. Oppassen, denken wij dan, dit is een onontgonnen gebied.”

Een deel van de zorg reikt over de muren van de afdeling heen. De PAAZ geeft ook voorlichting en steun aan de achterblijvers thuis: de bezorgde partner of de kinderen van de opgenomen ouder. En er is een programma voor intensieve thuisbegeleiding van de patiënten die de PAAZ verlaten. Zij worden geholpen de draad van het gewone leven weer op te pakken met behulp van een dagplanning, tips, ondersteuning en een noodplan. Soms blijven patiënten na ontslag nog een poosje een therapie op de afdeling volgen.

Van alle 24 patiënten is mevrouw Violet hier het langst: met een onderbreking van vier weken afgelopen zomer verblijft ze al ruim een jaar op de PAAZ van het St. Elisabeth Ziekenhuis. Het moment van opname en de tijd die daaraan voorafging, herinnert ze zich niet. Men zegt dat ze ’s ochtends op de bank plaatsnam en daar ’s avonds nóg zat. De eerste maanden op de afdeling is ze ook kwijt.


Haar depressie is geen treuren – het is een soort piekeren in honderdduizend flarden. Ze heeft het idee dat ze zichzelf verloren heeft. Ze is heel somber, heeft nergens interesse in, vindt alles negatief, kan zich zelfs niet herinneren wat ze ooit een béétje leuk vond. En ze is heel eenzaam, ook al wil iedereen haar helpen. Als ze in het weekend bij haar gezin is, voelt ze zich een toeschouwer; ze weet niet eens of ze liefde voelt, denkt vooral dat ze iedereen tot last is. Haar zussen organiseerden laatst een uitstapje – deed haar niets, was alleen maar heel vermoeiend.

Bijna dagelijks denkt ze aan suïcide. Wat heeft een gezin aan een moeder die er toch niet voor hen is? Tot dusver heeft ze geen poging ondernomen, maar de gedachte eraan werkt een beetje troostend: de dood als enige uitweg.

Ze heeft tientallen elektroshocks gehad. In het begin had ze er enige baat bij, maar de positieve effecten duurden steeds korter, op het laatst nog maar een halve dag, dus daar is ze mee opgehouden. Over een paar weken krijgt ze Deep Brain Stimulation. Haar laatste hoop. Nu ja, hoop? Stel dat resultaat uitblijft: dan is ze uitgepraat. Op succes durft ze misschien niet eens te hopen. Een korte vakantie met het gezin, dat zou fijn zijn. Maar eigenlijk kan ze zich niet voorstellen hoe het zal zijn om ooit weer in goeden doen te zijn.

Dan haalt ze haar schouders op en zegt: “Het is niet te beschrijven hoe leeg ik in mezelf ben.”

* De namen van de patiënten zijn om redenen van privacy gefingeerd.

Meer leuke content? Like ons op Facebook

Matt Dings