Job is nog niet af

Het was ons aangeprezen als het eerste publieke debat van Job Cohen over de economie, alom beschouwd als de achilleshiel van de kersverse PvdA-lijsttrekker. Maar Job hield zichzelf nog even bij elkaar.

Wij togen naar de Maassilo in Rotterdam, een immense voormalige graansilo in het havengebied, om Job Cohen de degens te zien kruisen met gelouterde debaters als Peter Gortzak van de FNV, Wim Boonstra van de Rabobank, Mart Toet van de gemeente Rotterdam en de wetenschappers Anton Hemerijck en Esther-Mirjam Sent.

Wat was zijn verhaal? Hoe geloofwaardig klonk het jargon uit de mond van een jurist, een bestuurder pur sang? En wat voorspelde dit optreden over straks, als hij in de diverse lijsttrekkersdebatten van doen zou krijgen met deskundige, vileine, meedogenloze tegenstrevers als Mark Rutte, Jan Peter Balkenende, Alexander Pechtold of madame Halsema?

Maar Job zei niet veel. Hij hing de gespreksleider uit zoals Felix Rottenberg dat in zijn jaren als PvdA-partijvoorzitter ook kon doen. Maar Rottenberg stelde altijd kritische vragen, sneed dilemma’s aan, spaarde niemand. Dat leverde niet alleen spannende, soms tenenkrommende debatten op, maar je stak er vaak ook wat van op.

Hoe anders ging dat bij de Tafel van Job Cohen, zoals het programma luidde. Gezeten aan het hoofd van zijn tafel legde vader Job zijn gasten drie algemene, wagenwijd openstaande vragen voor: hoe staat ’s lands economie er momenteel voor, waar moet er bezuinigd worden, en is een sociaal akkoord à la Wassenaar 1982 gewenst? “Anton, zeg eens, hoe staan we ervoor?” Anton was Anton Hemerijck, een goede bekende die hem de afgelopen weken al had bijgespijkerd en gesouffleerd. Natuurlijk kwam Anton met een relevant verhaal, maar daar zaten de in groten getale opgekomen toeschouwers niet op te wachten. “Mart, vanuit jouw positie, hoe kijk jij tegen de economie aan?” En: “Esther, wat moet er gebeuren om het vrouwelijk talent beter te benutten?” Waarop Esther antwoordde: “Fijn dat je die vraag stelt, Job.”


Tsja, zou Martin Bril verzuchten.

Het werd een beetje pijnlijk bij de tweede, meest relevante vraag: hoe moesten we bezuinigen zonder de economie desastreuze schade te berokkenen? Anton zei dat we er de tijd voor moesten nemen, en dat we moesten investeren in de belastingbetaler van de toekomst. “Crisis is een kans, hè,” vulde Job grinnikend aan, en aan de Rabobank-man vroeg hij: “Ons standpunt is: neem de tijd voor de juiste bezuinigingen. Vind jij dat een goed standpunt, Wim?”

Bij de derde vraag over de wenselijkheid van een sociaal akkoord tussen werknemers en werkgevers – ergo: loonmatiging ten behoeve van de economie – haakte Cohen af. Het rondje duurde nog geen kwartier.

Wat ons ergerde, was dat niemand van de gesprekspartners of uit de zaal – al was die mogelijkheid niet ingebouwd – op het idee kwam om de potentiële, aanstaande premier van dit land te vragen naar zijn eigen opvattingen, bijvoorbeeld naar zíjn manieren om rond de dertig miljard euro te gaan besparen. Waarschijnlijk dúrfde niemand het hem te vragen. Cohen is heilig verklaard. Bleek ook na afloop, tijdens de borrel. Vraag aan de onderdirecteur van de Rabobank Nederland, Wim Boonstra, of hij de inbreng van Cohen ook niet vond tegenvallen? “Nou eh, neuh, of ja, hoezo, haha?”

Misschien oordelen we te hard. Zelfs is vol te houden dat het niet onverstandig is om je als leek, als generalist, op een dergelijke wijze te laten bijpraten. Anderzijds is economie, om Wim Boonstra te citeren, geen ‘hogere natuurkunde’ en toch vooral een ‘kwestie van gezond verstand’. Daarvan merkten wij weinig in Rotterdam.


“Wim, ik beloof je,” sprak Cohen aan het einde tegen de Raboman, “het wordt straks allemaal anders.”

Ik help het hem hopen, maar de mannetjesmakers van de gedoodverfde eerste man van het land zullen de komende weken nog handenvol werk te verstouwen hebben. Job is nog niet af. Niets menselijk is de sociaal-democratische Heiland vreemd. Maar in deze vorm scheuren zijn tegenstanders hem aan flarden.

Waar de generalist louter behoedzaamheid past om uitglijers te vermijden, daar kan de specialist in zeeën van vrijheid opereren. De specialist betrof in dit geval Cohens partijgenoot Frans Timmermans, tot voor kort staatssecretaris van Buitenlandse Zaken, die wij zagen in het Academiegebouw in Leiden, het oudste en misschien wel het mooiste gebouw van de universiteit. In de omgeving van stoffige toga’s, puistige denkslierten en krakende traptreden verzorgde hij een lezing in het kader van het vak ‘Europa in de Praktijk’, een initiatief van onder anderen docent Armin Cuyvers.

Dat deze de grote vis Timmermans had weten te strikken, kwam doordat hij ooit stage bij hem had gelopen. De studenten toonden zich dan ook onder de indruk en de meesten hielden hun mond bij het vragenuurtje, wat ik trouwens steeds eigenaardiger begin te vinden. Want het staat zo onbeleefd tegenover zo’n Timmermans, die tijd en moeite heeft genomen voor dit samenzijn. Waarom zijn welsprekendheid of spreken in het openbaar geen verplichte vakken op universiteiten en hogescholen?

Timmermans is een Limburger, maar de glooiende kantjes van het accent zijn inmiddels afgevlakt. Toch praat hij met een dictie die zelfs een ogenschijnlijk uiterst saai onderwerp als Europa spannend maakt. Dat komt doordat de man veel kennis heeft van de Europese wordingsgeschiedenis, namen en rugnummers weet te reproduceren, en met dat geruststellende vangnet onder zich kan hij het zich veroorloven uitstapjes te maken naar anekdotes, zijlijnen of een vrijmoedige riposte.


Wat tevens een handige manier is om de aandacht van de luisteraar te vragen, al heeft het soms ook iets weg van de aandacht opeisen, is de analytische benadering. Als Joop den Uyl vroeger antwoord moest geven op een vraag, dan nam hij een aanloopje met het op een oudejaarsconference magistraal door Wim Kan geïmiteerde ‘twee dingen’. De huidige generatie sociaal-democraten gebruikt wel drie tot vier haakjes waaraan ze hun uiteindelijke antwoord ophangen.

En wat de man siert, is zijn geduld met de studenten die na afloop op hem afkomen – dan wel dus – en hem vragen stellen die te groot zijn, te ongearticuleerd voor een paar minuten. Maar iedereen krijgt aandacht en een antwoord, dat veelal een afbakening van de vraag is of een nuancering.

Die hoge mate van benaderbaarheid hebben Cohen en Timmermans wel met elkaar gemeen.

Ach, politici – zonder microfoons of meeluisterende, quootjes rapende reporters zijn het net mensen.

Meer leuke content? Like ons op Facebook

import lijst van deijl