Marx revisited

Al sinds 1981 werd ‘Het kapitaal’ van Karl Marx niet meer herdrukt, maar op 1 mei verschijnt een nieuwe Nederlandse vertaling. Is de ‘bijbel van het socialisme’ in het licht van de economische crisis opnieuw een actueel boek of is Marx de afgelopen decennia terecht afgedankt?

De mooiste anekdote over Het kapitaal is al vaak verteld, maar blijft leuk. Kort na het verschijnen van het boek – in 1867, bij uitgever Otto Meissner in Hamburg – stuurde Marx een exemplaar naar een bevriende Engelse vakbondsman. Diens reactie loog er niet om: “Wat ik ervan vind? Het is alsof ik een olifant cadeau heb gekregen.”

Dat ongemakkelijke gevoel zal veel lezers van Het kapitaal sindsdien zijn overvallen, ook in Nederland. Want het besef dat Marx’ hoofdwerk – oorspronkelijke titel: Das Kapital. Kritik der politischen konomie – een terechte reputatie geniet als het belangrijkste socialistische boek aller tijden, bleek in de praktijk maar zelden opgewassen tegen het gevoel dat we te maken hadden met een onleesbare pil. In ons taalgebied kreeg Frank van der Goes daarvan nogal eens de schuld. En inderdaad: zijn eerste Nederlandse vertaling van Het kapitaal, verschenen in 1902, rammelde aan alle kanten en was goed beschouwd prutswerk. Pas in 1967 vervaardigde Isaac Lipschits een nieuwe, aanzienlijk betere vertaling. Maar toch: veel Marx-liefhebbers die het boek inmiddels in het Duits hadden proberen te lezen, waren toen al tot de conclusie gekomen dat de auteur ook in zijn moedertaal proza had afgescheiden dat als een kolossale motregen over de lezer neerdaalt.

Was dat omdat Marx niet kon schrijven? Nee, want het meest frappante aan Het kapitaal is nu juist dat die onleesbaarheid grotendeels opzet was. Zijn kompaan Friedrich Engels had Marx namelijk reeds in 1851 geattendeerd op de voorkeur van het Duitse publiek voor geleerde, grondige en vooral omvangrijke boeken met veel citaten en ingewikkelde redeneringen, liefst verpakt in stijlfiguren van Hegeliaanse snit. “Het voornaamste is dat je eerst met een dik boek voor het publiek debuteert,” schreef hij Marx. “De middelmatige en slechte literatoren van Duitsland weten heel goed dat zij geruïneerd zouden worden als ze niet twee tot drie keer per jaar met een of andere rotpublicatie in de openbaarheid verschenen. Zij houden zich staande door hun taai volhouden; hoewel hun boeken weinig of slechts matig de aandacht trekken, geloven de boekhandelaren ten slotte toch dat zij wel grote mannen moeten zijn, omdat zij in iedere beurscatalogus een paar keer voorkomen.” Bij het schrijven van Het kapitaal poogde Marx aan dat welgemeende advies gevolg te geven; zijn echtgenote Jenny verklapte later dat hij ‘nog veel historische stof’ had toegevoegd aan het manuscript, ‘omdat de Duitsers nu eenmaal alleen maar in dikke boeken geloven’.


Hans Driessen, die Lipschits’ vertaling voor een op 1 mei te verschijnen nieuwe editie van Het kapitaal heeft geredigeerd en geactualiseerd, is zo bezien bij voorbaat geëxcuseerd. Maar laten we ook uitgeverij Boom niets kwalijk nemen. Want sinds Marx, in het licht van de wereldwij- de economische crisis, door veel linkse denkers is herontdekt als een origineel en oorspronkelijk criticaster van het kapitalisme, hebben we er allemaal baat bij om weer eens de proef op de som te nemen.

HP/De Tijd besloot die taak uit te besteden aan drie jonge journalisten die gemeen hebben dat ze nog niet geboren waren toen in 1981 de voorlaatste herdruk van Het kapitaal van de persen rolde. Heeft Marx ons, in hun ogen, nog iets te zeggen, anno 2010? Of hadden ze, bij nader inzien, toch liever een olifant cadeau gekregen?

Roelof Bouwman