Sponsor van de sp

Dankzij zwart geld, fraude en riante subsidies van het communistische regime van Mao in China kwam de SP in de jaren zeventig en tachtig uit de startblokken. Maar met de financiën van Neerlands rijkste politieke partij zijn nog steeds rare dingen aan de hand. Tijd om schoon schip te maken.

Dit wordt een verhaal met nogal wat getallen. Maar laten we beginnen met een getal dat – in tegenstelling tot veel andere cijfers in dit artikel – helemaal niets met geld te maken heeft. Het getal waar het om gaat, staat op de voorkant van het onlangs verschenen april-nummer van SP-maandblad De Tribune: ‘Jaargang 46’. Zou dat een drukfout zijn? Er zijn misschien wel SP-leden die dat vermoeden. Want voor verreweg de meesten van die ruim 46.000 leden geldt dat ze zich na 1994, toen de SP debuteerde in de Tweede Kamer, bij de partij hebben aangesloten. 1994: dat is zestien jaar geleden. Maar begon De Tribune dus al te verschijnen in 1965, toen de huidige SP-leider Emile Gerardus Maria Roemer nog in de luiers lag? Ja, zo oud is De Tribune al, hoewel het blad aanvankelijk Rode Tribune heette. En net zo oud is feitelijk ook de SP, hoewel de partij pas in 1972 haar huidige naam kreeg.

In die 46 jaar is er nogal wat gebeurd – hoe kan het ook anders. Het meest in het oog springende aspect, al dikwijls in kaart gebracht door journalisten, politicologen, historici en ook door de SP zelf, is natuurlijk de groei van de partij. Weliswaar lijkt die nu te zijn gestokt, maar ook als de SP op 9 juni de helft of zelfs tweederde van haar 25 Kamerzetels zou verliezen, blijft er sprake van een uniek fenomeen.

Uniek, vooral omdat de SP zo’n veertig jaar geleden behoorde tot een slag politieke partijen waarvan het in Nederland toentertijd wemelde: strak georganiseerde en bloedfanatieke miniformaties ter linkerzijde van de CPN, met doorgaans slechts enkele tientallen of enkele honderden leden (onder wie veel geradicaliseerde studenten), die zich ten doel hadden gesteld ons land door middel van een proletarische revolutie te transformeren tot een orthodox-communistische heilstaat. Naast de onvermijdelijke Marx en Lenin fungeerden ideologische hardliners als Jozef Stalin, Leo Trotski, Mao Tse-tung, de Albanese communistenleider Enver Hoxha en de Cambodjaanse Rode Khmer-aanvoerder Pol Pot daarbij, in wisselende samenstelling, als lichtende voorbeelden.


Voor al die partijen en partijtjes – verreweg de meeste ervan zijn inmiddels opgeheven – geldt dat ze, ondanks hun niet geringe inzet, altijd een marginaal bestaan hebben geleid en dat ze er nooit in zijn geslaagd een verkiezingssucces te boeken. Met één uitzondering: de SP. Zelfs in internationaal opzicht maakt dat de partij tot een uniek verschijnsel. Want nergens anders in Europa is een van oorsprong maoïstische politieke partij als de SP er de afgelopen vijf decennia in geslaagd vaste electorale grond onder de voeten te krijgen, ook niet in landen als Italië en Frankrijk, waar ‘gewone’ communistische partijen – in tegenstelling tot de Nederlandse CPN – tot in de jaren tachtig konden rekenen op twintig of zelfs meer dan dertig procent van de stemmen.

Hoe is die merkwaardige uitzonderingspositie van de SP te verklaren? Hoe komt het dat de SP, anders dan al die andere linkse splinterpartijen, wél gemeenteraadszetels veroverde (sinds 1974) en daarna ook Statenzetels (sinds 1987), om vervolgens haar entree te maken in de Tweede Kamer (1994), de Eerste Kamer (1995) en het Europees Parlement (1999)?

Ter verklaring van dat raadsel wordt meestal gewezen op de ‘volkse’ politieke strategie van de SP. Die strategie, zo is al vaak gesuggereerd, zou wortelen in de interpretatie die de SP in de jaren zeventig gaf aan het door Mao geformuleerde leerstuk van de ‘massalijn’. Volgens die doctrine dienden communisten zich in fabrieken, buurten en wijken onder de arbeiders te begeven om de daar heersende opinies als het ware ‘over te nemen’ en ze te transformeren tot richtsnoer voor verder handelen. In de woorden van Mao: “Wie zich met de massa wil verbinden, moet de behoeften en wensen van de massa volgen. Alle werk ten behoeve van de massa moet uitgaan van de behoeften van de massa, en mag niet uitgaan van particuliere verlangens, hoe goed ook bedoeld.” (Artikel 161 van Mao’s Rode Boekje.)


De letterlijke invulling die de SP aan dit leerstuk gaf, leidde ertoe dat de partij op sommige terreinen standpunten ging innemen die door critici als ‘populistisch’ werden betiteld. Dat gebeurde bijvoorbeeld in 1980, toen de SP op grond van ‘nauwe contacten’ met ‘arbeidersvrouwen’ tot een scherpe veroordeling van het feminisme kwam: omdat de ‘vrouwenstrijd’ slechts zou afleiden van de klassenstrijd en zodoende het kapitalisme in de kaart speelde. Drie jaar later, in 1983, zorgde een SP-nota met de titel Gastarbeid en kapitaal voor nog aanzienlijk meer opschudding. In de nota werd het politiek correcte standpunt dat immigranten een verrijking zouden zijn voor de Nederlandse cultuur onder vuur genomen, en werd voorgesteld om gastarbeiders binnen twee jaar te laten kiezen tussen remigratie naar het land van herkomst (met medeneming van een ‘premie’ van 75.000 gulden) of integratie in en aanpassing aan de Nederlandse samenleving. Met gepaste trots presenteerde de SP de vermaarde schrijver en gewezen CPN-activist Theun de Vries als sympathisant van dat plan: in de kolommen van De Tribune mocht hij uitgebreid van leer trekken tegen de ‘middeleeuwse achterlijkheid’ van moslimmigranten, die ‘een Fremdkörper’ zouden vormen in onze samenleving.

Ondanks het feit dat de SP in oktober 1991, op het vijfde partijcongres, officieel afscheid nam van haar communistische geloofsartikelen, bleef de partij zich ook in de jaren daarna profileren als spreekbuis van ‘de gewone man’. Die pretentie, die als het ware werd belichaamd door Jan Marijnissen, is tot op de dag van vandaag kenmerkend gebleven voor de SP. Geen enkele andere politieke partij in ons land kent zo veel actieve leden en afdelingen en kan prat gaan op zo veel gevoel voor (en kennis van) de grieven, verlangens en sentimenten die met name aan de ‘onderkant’ van de maatschappij leven.


Maar toch: de prominente plek die de SP zich in ons politieke landschap heeft weten te verwerven, kan niet alléén verklaard worden met verwijzing naar de succesvol gebleken strategie van de partij als ‘vox populi’. Want er was (en is) ook nog een andere, minstens zo belangrijke verklaringsgrond die door SP-watchers nogal eens over het hoofd wordt gezien: geld.

Dat klinkt misschien vreemd voor een partij die bekendstaat als een club van bevlogen activisten die zich belangeloos het vuur uit de sloffen lopen, niet alleen tijdens verkiezingscampagnes, maar ook bij buurtacties, stakingen, demonstraties en wat dies meer zij. Heeft al die dadendrang niet gewoon met idealisme en zendingsdrang te maken?

Nee, zo eenvoudig is het bij de SP niet, en ook nooit geweest. De naam die we in dit verband als eerste moeten noemen, is die van wijlen partijboegbeeld Daan Monjé. Daarbij past meteen de aantekening dat ze daar bij de SP doorgaans niet zo op zijn gesteld. Ter illustratie: toen Andere Tijden in 2001, vijftien jaar na zijn overlijden, een uitzending over Monjé maakte, weigerde Jan Marijnissen zijn medewerking. Monjé, zo liet hij de redactie van het programma per e-mail weten, was ‘helemaal niet zo belangrijk geweest’ voor de SP. Ook in het ruim 1700 woorden tellende artikel dat op de SP-internetsite aan de geschiedenis van de partij wordt gewijd, komt Monjé geen enkele keer voor. Vreemd. Want de Rotterdamse ex-CPN’er Monjé stond in 1964 aan de wieg van de eerste voorloper van de SP, het Marxistisch-Leninistisch Centrum, en tot zijn dood in 1986 leidde hij ‘zijn’ Socialistiese Partij met straffe hand, als betrof het een eenmanszaak. Niet voor niets werd de SP wel getypeerd als de club van ‘Daan en zijn onderdanen’. Maar belangrijker nog: aan Monjé en alléén aan Monjé is het te danken dat de SP zich begin jaren zeventig op een cruciaal punt ging onderscheiden van alle andere splintergroepen ter linkerzijde van de CPN. De SP werd dankzij Monjé namelijk een partij met geld – véél geld.


Om het maar meteen heel concreet te maken: terwijl concurrerende, ongeveer even kleine partijen als de Bond van Nederlandse Marxisten-Leninisten (BNML) en de trotskistische Internationale Kommunistenbond (IKB) veelal grossierden in gestencilde publicaties die vaak te vies waren om aan te pakken, zag het drukwerk van de SP er van meet af aan gelikt uit. Geen wonder, want sinds 1970 beschikte de partij, anders dan de concurrentie, over een eigen drukkerij: in de Rotterdamse Rubroekstraat, waar Monjé, aldus SP-chroniqueur Rudie Kagie in zijn boek De socialisten (2004), ‘een Romayor-drukpers, een Maxima-snijmachine en een compleet ingerichte doka installeerde’.

Minstens zo frappant: terwijl andere met Mao, Stalin of Trotski dwepende minipartijen meestal niet eens geld hadden om een partijkantoor te huren, legde Monjé in 1976 maar liefst 422.500 gulden op tafel om een partijkantoor te kopen. En wát voor kantoor: het betrof een immens, voorheen door Unilever gebruikt pand met drie verdiepingen (in totaal 1080 vierkante meter) aan de Rotterdamse Vijverhofstraat, dat tot op de dag van vandaag dienst doet als hoofdkwartier van de SP. “Met plastic zakken vol briefjes van duizend ging Monjé de koopsom cash overhandigen,” herinnerde de huidige SP-senator Tiny Kox zich in 2002 in Vrij Nederland.

Nog een voorbeeld: toen in 1979 in de Rotterdamse haven een wilde staking uitbrak, voorzag Monjé de stakers drie weken lang van gratis voedselpakketten alsmede een wekelijkse uitkering uit de SP-stakingskas van 250 gulden de man. Toenmalig SP-activist Derk Sauer mocht bovendien een filmreportage van de staking maken: met een gloednieuwe, door Monjé bekostigde camera van 20.000 gulden. Twee verbaasde Volkskrant-verslaggevers zagen Monjé destijds aan de Vijverhofstraat zeulen met een nylon boodschappentas, gevuld met bankbiljetten van duizend en honderd gulden. “Het totaal moet tegen de ton lopen. Monjé merkt op dat dit toch al een hele verbetering is, omdat je vroeger nachten zat te tellen aan het muntgeld.”


Hoe kwam de SP aan al dat geld? Hoe kon een partij met, in 1972, driehonderd leden zich een eigen drukkerij veroorloven en, kort daarna, een reusachtig partijkantoor waarop zelfs PvdA, CDA en VVD met hun (toen) meer dan 100.000 betalende aanhangers jaloers konden zijn? En: hoe kon een partij met, in 1979, 750 leden drie weken lang met achteloos gemak voor suikeroom spelen tijdens een staking in een van de grootste havens ter wereld?

Nee, de in 1925 geboren Monjé, pijpfitter van beroep, beschikte niet over een eigen familiekapitaal dat hij belangeloos in de SP investeerde. En hoe vaak Monjé door zijn voormalige strijdmakkers ook is getypeerd als een man met een bijzonder uitgekookt zakelijk instinct, die altijd overal handel in zag, het mag uitgesloten worden geacht dat hij op die manier, binnen een paar jaar tijd, honderdduizenden guldens bij elkaar scharrelde. Ook is er nauwelijks een rekenmachine voor nodig om te becijferen dat die paar honderd SP-leden, hoe offervaardig ze vaak ook waren, al evenmin in staat kunnen zijn geweest om al dat geld op te hoesten. Temeer daar het gros van die leden in de jaren zeventig een minimuminkomen genoot of nog studeerde.

Hoe het dan wél zat? Het is niet eenvoudig om die vraag te beantwoorden, want aan het afleggen van financiële verantwoording deed de SP onder Monjé niet, zelfs niet achter gesloten deuren. Pas begin jaren negentig kwam daar verandering in. “Ik zat in de hoogste leiding en ook ik wist van niks,” bekent oud-partijbons Koos van Zomeren in zijn onlangs verschenen boek Die stad, dat jaar, waarin hij terugblikt op zijn SP-verleden. “Dat lag zowel aan mij (ik wilde van niks weten) als aan Daan (hij had me terstond uit de leiding laten verwijderen als het anders was geweest). Soms, bij de voorbereiding van een vergadering van het Centraal Comité of een congres, zei hij dat er geld zat was. ‘Maar,’ voegde hij er dan meteen aan toe, ‘dat gaan we ze niet vertellen. Als ze horen dat er geld is, willen ze het opmaken.'”


Monjé moet echter ook nog andere redenen hebben gehad om de financiën van de SP van controle te vrijwaren. In de eerste plaats omdat er door de partij flink werd gefraudeerd. Van Zomeren geeft er in zijn boek een paar sprekende voorbeelden van. Zo vervaardigde (en verkocht) de partij roofdrukken van oorspronkelijk door CPN-uitgeverij Pegasus op de markt gebrachte boeken. Minstens zo dubieus – en strafbaar – verliep de betaling van de zogenoemde ‘vrijgestelden’, lees: de SP’ers die fulltime als partijfunctionaris in dienst waren. Van Zomeren was er in de jaren zeventig een van. “Daan Monjé,” zo verhaalt hij in Die stad, dat jaar, “betaalde ons volgens de metaal-cao, ik meen achthonderd gulden in de maand, zo uit zijn portefeuille, zwart. In de partij ging nagenoeg alles zwart. Jaren later pas, toen het allang niet meer van belang was, heb ik me gerealiseerd hoe riskant dat was. De overheid had elk moment de belastingdienst kunnen inschakelen om onze organisatie op te rollen.

“Volgens Theo Thomassen, die in de jaren zeventig werkzaam was bij de drukkerij van de SP, bood de contante betaling van het partijbureau de mogelijkheid om een deel van dat zwarte geld wit te wassen. Aan een redacteur van Andere Tijden vertelde hij in 2001 dat Monjé hem kort voor de aankoop van het pand een ‘bijzondere opdracht’ gaf. “Daan kwam met een soort kwitantie waarvan ik er een heel stel heb gedrukt. Aan partijleden werd gevraagd zo’n kwitantie te ondertekenen, waarmee ze verklaarden een donatie aan de partij te doen die op termijn zou worden geïnd. Maar het geld werd nooit opgeëist.”


De meest dringende reden die Monjé moet hebben gehad om het financiële reilen en zeilen van de SP onder de pet te houden, is echter nog aanzienlijk pikanter. In het SP-imperium circuleerde namelijk niet alleen zwart geld, maar ook rood geld. Geld, om precies te zijn, uit het land van Monjés grote held Mao. Bloedrood geld dus eigenlijk, want de in 1976 overleden Chinese partijleider, die samen met Marx, Engels, Lenin en Stalin jarenlang de cover van De Tribune sierde, is inmiddels in de geschiedenisboekjes bijgeschreven als de grootste massamoordenaar ooit. Naar schatting 65 miljoen mannen, vrouwen en kinderen werden tijdens zijn bewind doodgehongerd, geëxecuteerd, opgehangen of – letterlijk – afgeslacht in gevangenissen en concentratiekampen.

Ter verdediging van Monjé kan worden aangevoerd dat hij, voor zover bekend, nooit om geld uit China heeft gevráágd. De kwestie was meer dat de Chinezen het hem aanboden – en dat Monjé geen nee zei. Voor Peking gold namelijk dat men zeer geïnteresseerd was in het wereldwijd subsidiëren van nieuwe, pro-Chinese communistische groepen, in de hoop dat die een alternatief zouden kunnen gaan vormen voor de ‘oude’, traditionele communistische partijen. De meeste daarvan waren immers loyaal gebleven aan de inmiddels gedestaliniseerde en volgens Mao – én Monjé – ‘dus’ niet meer revolutionaire Sovjet-Unie. In dat kader verdeelden de Chinezen in de jaren zestig en zeventig ook geld in West-Europa: jaarlijks zo’n half miljoen dollar, volgens historicus Dick Engelen in zijn boek Frontdienst. De BVD in de Koude Oorlog (2007).

Monjés eerste bezoeken aan China – op uitnodiging van de Chinese ambassade in Den Haag – dateren van 1965 en 1967. Bij die laatste gelegenheid werd hij tevens benoemd tot erelid van de Rode Garde, de geüniformeerde jeugdbeweging van Mao, die tijdens de Culturele Revolutie (1966-1976) fungeerde als een soort communistische inquisitie en daarbij honderdduizenden Chinezen de dood injoeg. Volgens Engelen behoorde het in 1964 door Monjé en zijn kameraad Nico Schrevel opgerichte Marxistisch-Leninistisch Centrum (MLC) toen reeds tot de maoïstische organisaties die uit Peking financiële hulp kregen.


In het voorjaar van 1971 bracht Monjé een derde bezoek aan China, nu samen met Schrevel en de Leidse ex-studente Toos Jamin. Het MLC had zichzelf een jaar eerder omgedoopt in Kommunistische Eenheidsbeweging Nederland marxistisch-leninistisch (KENml) en onder die nieuwe naam had het geesteskind van Monjé in de zomer van 1970 een niet onbelangrijke rol gespeeld bij een massale staking in de Rotterdamse haven. De Chinezen waren er zeer van onder de indruk geraakt en de driekoppige delegatie van de KENml werd in Peking dan ook ‘vorstelijk onthaald’, zo vertelde Jamin in 1987 aan Vrij Nederland. “We zijn er een maand geweest, op hun kosten. Veel gesprekken met redelijk hoge functionarissen. Yao Wenyuan bij voorbeeld (lid van het Politburo – red.), die later een van de Bende van Vier was. Achteraf schaam je je dood natuurlijk, toen vond ik het prachtig.”

Aangezien die gevoelens helemaal wederzijds waren, besloten de Chinezen tot een reusachtige financiële injectie voor de minipartij van Monjé. Het betrof een gift van om en nabij de 400.000 gulden, zo onthulden Monjés oud-partijgenoten Gerrit Kolthof en Wouter ter Braake in 1999 in NRC Handelsblad. In 2005 werd hun relaas in een doctoraalscriptie geschiedenis van VU-student Wouter Beekers onderschreven door voormalig BVD-functionaris Frits Hoekstra. Het geld – dat werd uitbetaald in dollars – moest enkele weken na het bezoek aan Peking worden opgehaald in de haven van Kopenhagen. Waarna de biljetten, zo vertelde Ter Braake in 1999, door Monjé werden bewaard op het partijbureau, ‘in het vriesvak van de koelkast’. “Daar heeft de SP nog jaren van geprofiteerd.”


Veel puzzelstukjes vallen zo alsnog op hun plaats. Want hoewel de KENml in het zomer van 1971 als gevolg van een interne ideologische ruzie uit elkaar viel, trokken de circa honderd medestanders van Monjé, die zich in oktober van dat jaar hergroepeerden als ‘Kommunistische Partij Nederland/Marxistisch-Leninistisch’ (KPN/ML), daarbij aan het langste financiële eind. En daar veranderde uiteraard niets aan toen de KPN/ML op 22 oktober 1972, op initiatief van de man met Neerlands best gevulde vriesvak, een nieuwe naam kreeg: het heel wat makkelijker in het gehoor liggende ‘Socialistiese Partij’.

Aanwijzingen dat Monjé ook na 1971 nog geld uit Peking heeft gekregen, zijn er overigens niet, hoewel het zeker niet ondenkbaar is. De Chinezen gingen namelijk nog jaren onverdroten door met het heimelijk subsidiëren van Nederlandse maoïsten. Zo kreeg een delegatie van de piepkleine, in het geniep door de BVD gerunde Marxistisch-Leninistische Partij Nederland (MLPN) nog in de zomer van 1977 20.000 dollar mee uit Peking. Voorheen had de MLPN ook al jaarlijkse donaties van 2000 dollar ontvangen uit het orthodox-communistische Albanië, maar ook dat geld, zo concludeerde Engelen in 2007, kwam via een omweg uit China.

In de jaren tachtig kreeg de door Peking financieel op de kaart gezette SP heel andere bronnen van inkomsten. Pogingen om een Kamerzetel te veroveren mislukten tussen 1977 en 1989 weliswaar vijf keer op rij, maar het aantal gemeenteraads- zetels van de partij steeg explosief: van 5 in 1974 en 9 in 1978 naar 22 in 1982, 41 in 1986 en 71 in 1990. Aangezien de SP een zogenoemde ‘afdrachtregeling’ had ingesteld, waarbij raadsleden hun vergoeding rechtstreeks aan de partij lieten overmaken in ruil voor een onkostenvergoeding, ging die lokale opmars gepaard met een steeds voller worden partijkas. En dat geld kwam zeer van pas toen de SP begin jaren negentig besloot een peperdure advertentiecampagne te starten in diverse landelijke dagbladen, de Volkskrant voorop. Doel: het Binnenhof.


De analyse die aan de campagne ten grondslag lag, was simpel: bij de raadsverkiezingen van 1986 en 1990 had de SP, hoewel ze slechts in enkele tientallen gemeenten deelnam, meer dan voldoende stemmen gekregen voor een Tweede Kamerzetel. Maar bij landelijke verkiezingen week een groot deel van die kiezers telkens weer uit naar de PvdA – klaarblijkelijk omdat de SP werd gezien als een partij met een louter lokaal imago. De advertentiecampagne, waarin de SP zich nadrukkelijk uitsprak over nationale en internationale kwesties als de ‘afbraak’ van de WAO en de Golfoorlog (‘Oorlog is voor de rijken, Jan met de Pet zit met de lijken’), was bedoeld om daar eens en voorgoed aan einde aan te maken. Ook kon zo de nieuwe partijleider Jan Marijnissen bij het grote publiek worden geïntroduceerd – in een reeks ‘Beste Wim’-brieven aan PvdA-vicepremier Kok profileerde hij zich vanaf 1991, mét foto, als woordvoerder van ‘gewone mensen’ die zich ‘gepakt’ voelden door Koks ‘CDA-beleid’.

Bij de Kamerverkiezingen van 1994 wierp het kostbare reclamebombardement zijn vruchten af: samen met Remi Poppe maakte Marijnissen zijn entree op het Binnenhof. In de jaren daarna begon niet alleen het ledental van de SP fors te stijgen (van 15.000 in 1994 naar 26.000 in 2000), maar zette ook de electorale groei van de partij door. Gevolg: een partijkas die bijkans uit z’n voegen begon te barsten van de afdrachten van de steeds talrijker wordende Tweede Kamerleden, senatoren, Statenleden, raadsleden en wethouders. Volgens de meest recente jaarrekeningen van de SP brachten ze in 2006 gezamenlijk netto 2,9 miljoen euro in het laatje, in 2007 3,8 miljoen en in 2008 4,1 miljoen. In percentages uitgedrukt: in 2006 bestond 39 procent van de inkomsten van de partij uit afdrachten, in 2007 41 procent en in 2008 44 procent.


In financieel opzicht werd de SP zo opníeuw een buitenbeentje in het Nederlandse partijenlandschap, want voor alle andere politieke partijen geldt dat hun belangrijkste inkomstenbronnen bestaan uit contributies van leden en overheidssubsidie. Dergelijke inkomsten geniet uiteraard ook de SP, maar ze leggen veel minder gewicht in de schaal. Om die reden concludeerde de Groningse politicoloog Paul Lucardie in 2003 dat de SP, vanuit financieel standpunt bezien, een ‘kaderpartij’ was geworden.

Of dat zo zal blijven, is echter nog meer zeer de vraag. Toenmalig minister Guusje ter Horst van Binnenlandse Zaken stuurde namelijk eind vorig jaar twee wetsvoorstellen naar de Kamer die het onmogelijk moeten maken dat volksvertegenwoordigers hun vergoeding annex schadeloosstelling nog langer rechtstreeks laten uitbetalen aan hun partij. Als die wetsvoorstellen zouden worden aangenomen (vooralsnog zijn ze door de Kamer ‘controversieel’ verklaard), zou de SP het aanzienlijk moeilijker krijgen om de afdrachten te blijven innen. En dat terwijl de partij toch al periodiek last heeft van recalcitrante ambtsdragers (vooral raadsleden) die hun vergoeding, bij nader inzien, maar liever in eigen zak steken. Maar een nog veel groter gevaar voor het financiële welvaren van de SP is, gelet op inkomstenstructuur van de partij, zetelverlies bij verkiezingen. Weliswaar was daar in het verleden nooit sprake van, maar die tijden zijn voorbij. Dat er op 3 maart 56 gemeenteraadszetels verloren gingen, zal de partij direct in de portemonnee gaan voelen, en dat geldt uiteraard ook voor het dreigende zetelverlies bij de aanstaande Kamerverkiezingen.


Toch is er vooralsnog geen enkele reden om medelijden te hebben met de SP. Op de balans van de partij prijkte namelijk op 31 december 2008 (recentere cijfers zijn niet beschikbaar) een bedrag van maar liefst 10.796.700 euro, waarbij het gezamenlijke saldo van de 125 partijafdelingen met een eigen bankrekening (ruim 845.000 euro) dan nog niet eens is meegeteld. Van die dikke 10,7 miljoen is het grootste deel, te weten 6.569.300 euro, eigen vermogen. Geen enkele andere politieke partij in Nederland kan daaraan tippen – niet het CDA (met een eigen vermogen van 5,5 miljoen euro), maar ook niet de VVD (2,4 miljoen), de PvdA (1,7 miljoen) en GroenLinks (idem), om over de ChristenUnie (€479.244) en D66 (€223.867 euro) nog maar te zwijgen. Ergo: de SP is met haar afdrachtregeling weliswaar erg kwetsbaar, maar daar staat tegenover dat de partij wel tegen een financieel stootje is bestand. Daar komt dan nog bij dat de SP in werkelijkheid aanzienlijk rijker is dan de partij ons wil doen laten geloven. Oorzaak: de omvangrijke en voor Nederlandse begrippen unieke onroerendgoedportefeuille van de SP. Het landelijke partijkantoor in Rotterdam is namelijk allang niet meer het enige pand dat de SP bezit: in Boxtel, Den Haag, Eindhoven, Groningen, Heerlen, Leiden, Nijmegen, Oss, Tilburg, Utrecht, Vlaardingen en Zoetermeer werden de afgelopen decennia nog twaalf panden aangekocht, die bij lokale afdelingen in gebruik zijn. En met de waarde van die panden is, in de beste financiële tradities van de SP, iets raars aan de hand. In 2005 stonden ze (exclusief inventaris) nog op de balans voor bijna 2,5 miljoen euro. In 2006 werden de panden echter afgewaardeerd op €1.506.300, en twee jaarrekeningen later, in 2008, bleken ze nog slechts €1.401.000 waard.


Hoe kan dat? Registeraccountant W.J.P.M. van de Rijdt van Deloitte Accountants, die de jaarrekeningen goedkeurde, wil geen commentaar geven. SP-penningmeester en voormalig Tweede Kamerlid Rosita van Gijlswijk wél. Ze laat weten dat die laatste waardedaling (van 105.000 euro) te maken heeft met een afdeling die in 2008 en 2009 bezig was van pand te wisselen. Dat kan. Maar hoe zit het met die waardedaling in 2006, van maar liefst een miljoen? “Vanaf dat jaar hebben we besloten onze gebouwen niet meer tegen de WOZ-waarde, maar voor de historische kostprijs op de balans te zetten,” zegt Van Gijlswijk. “We hebben immers toch geen plannen om de panden te verkopen, en ja, dan kun ze je maar beter waarderen tegen het bedrag dat we er bij aankoop voor hebben betaald.” Om eventuele misverstanden te voorkomen: illegaal is zo’n constructie niet. Maar het op deze wijze veranderen van de waarderingsgrondslag van de eigen vaste activa getuigt van weinig boekhoudkundige consistentie en, belangrijker nog, resulteert in een jaarrekening met een onzuiver beeld van de werkelijke rijkdom van de SP. Want met name voor de panden die de partij in de jaren zeventig en tachtig heeft aangeschaft, geldt dat ze inmiddels véél en véél meer waard zijn dan de historische kostprijs.

Minstens zo laconiek reageert Van Gijlswijk op de vraag of de SP niet moreel verplicht is om nu eindelijk eens schoon schip te maken met de donaties die de partij in het verleden kreeg uit het China van Mao. Zou het geen mooi gebaar zijn als de SP die 400.000 gulden alsnog zou doorsluizen naar – bijvoorbeeld – Amnes- ty International? Van een denkbeeldige réchtse partij die in de jaren zeventig zou zijn gesponsord door het apartheidsregime in Zuid-Afrika of het Chili van Pinochet zouden we immers hetzelfde verwachten. Bovendien: de SP zal anno 2010 aan zo’n financieel gebaar echt niet failliet gaan. “Ach,” zegt Van Gijlswijk, “er doen zo veel roddelverhalen over de SP de ronde. Moest dat geld destijds worden opgehaald in de haven van Kopenhagen? Daar had ik nog nooit van gehoord. Maar wat moet ik er verder mee? Ik was zelf toen nog niet eens geboren. Als u mij nu aan de telefoon zag zitten, zou u zien dat ik al de hele tijd mijn schouders ophaal.”


Emile Roemer, de nieuwe lijsttrekker van de SP, is al evenmin van zins om zelfs maar de vráág in overweging te nemen of zijn partij geen ereschuld heeft af te lossen inzake het bloedgeld uit China. “We hebben geen behoefte te reageren,” laat zijn woordvoerder per e-mail weten. Dat is cru, voor een partij die zich opwerpt als voorvechter van ‘menselijke waardigheid, gelijkwaardigheid en solidariteit’. Gelden die waarden niet als de eigen partijkas uitpuilt van giften van het meest moorddadige regime dat de mensheid heeft gekend?

Met medewerking van Frank Verhoef.

Roelof Bouwman