Interview met Benno Barnard

Anglofiel, Europese avondlandnostalgicus, romanschrijver, dichter. Benno Barnard (1954) is het allemaal. Zijn geboorteland Nederland doet hem niets; in het ingewikkelde, meertalige en verdeelde België voelt hij zich het beste thuis. ‘Breuklijnen in Europa intrigeren me.’

U bent een naar België uitgeweken Nederlander. Opgegroeid in het Gelderse Rozendaal en een grenzeloze liefde koesterend voor Engeland. Waar voelt u zich nu het meest thuis?
“Ik zou het liefst in Engeland wonen. Dat is het land van mijn heimwee en van mijn kinderromantiek. Maar ik heb de indruk dat waar ik nu woon het beste mijn lichtjes schizoïde gemoed uitdrukt. De taalgrens, waar ik tweehonderd meter vandaan woon, past bijzonder goed bij mijn karakter. België mag dan een probleem hebben, maar biedt nog grotere mogelijkheden. Mijn gezin en ik profiteren van die mogelijkheden. Mijn zoon gaat bijvoorbeeld naar een Franstalige school, waar hij een derde van zijn lessen in het Nederlands krijgt. Ik woon op een stuk van de oude heirweg tussen Keulen en Bologne-sur-Mer, op de grens van het oude Romeinse imperium: dat is de grote breuk tussen Romaans en Germaans Europa. Zulke breuklijnen liggen over heel Europa, en dat drukt in hoge mate uit wat mij intrigeert aan dit continent: zijn geschiedenis.”
Voelt u zich nog verwant met Nederland?

“Het is een exotisch land, al is het is het de laatste jaren wel meer op Europa gaan lijken. Ten tijde van het Paarse poldermodel was het een volkomen atypisch land. Nederlanders projecteerden dat beeld op Europa, maar dat klopte helemaal niet. Europa ziet eruit als België: ingewikkeld, meertalig, met breuklijnen, met gesjoemel, morsig. Nederland is nu verworden tot een door elkaar geschud poldermodel, wat natuurlijk ook weer atypisch is. Maar ik zou er niet willen wonen. Ik wil heuvels om me heen. En de Franse taal in de buurt.”
Is de Nederlandse partijpolitiek een ver-van-mijn-bed-show voor u?

“In Nederland zou ik VVD stemmen. Maar ik ken ook heel goeie PvdA’ers. Femke Halsema lijkt me een intelligente politica, ook al zegt zij dingen waar ik het niet mee eens ben. Maar dat is de schoonheid van ons systeem. Er is niet één politicus die precies zegt wat ik denk. Misschien is dat maar goed ook.”
In Vlaanderen, uw huidige woonplaats, klinkt almaar luider de roep om onafhankelijkheid.

“Dat vind ik belachelijk, ik zou mezelf zelfs belgicist noemen. Ik ben voor België. Als je me politiek wilt situeren, ben ik een links-liberale conservatief. Ik ben links, want ik geloof in de emancipatie; liberaal, want ik geloof in de vrijheid als hoogste goed en het individu gaat ook boven de volksgemeenschap. Dat laatste onderscheidt mij toch enigszins van de Nieuw-Vlaamse Alliantie (N-VA – red.), laat staan het vermaledijde Vlaams Belang (VB – red.). Maar ik ben ook conservatief, omdat ik belang hecht aan de traditie en het doorgeven van kennis aan kinderen. Het is je plicht als school en ouder om aan je kind de traditie uit te leggen. Kinderen dienen om kennis te ontvangen, het zijn vaten waarin wijsheden worden doorgegeven naar volgende generaties. Je moet het kinderen ook altijd iets te moeilijk maken.”
U dicht het Belgische model nog een lang bestaan toe??
“Jawel, maar ze moeten nu echt een oplossing vinden. Ik ben voor het confederaal model, vaste afspraken over gezamenlijk wordt georganiseerd: buitenlands beleid, defensie, sociale zekerheid, enzovoort.”
Uw laatste prozawerk,
Een vage buitenlander, speelt in Engeland. Uit de zwierige kenschetsen van dat land blijkt een grenzeloze waardering. Vanwaar die liefde?
“Ik heb er als kind gewoond, ben er eindeloos op vakantie geweest, het is gewoon het land van mijn jeugd. Dit werk is mijn eigen kleine A la recherche du temps perdu, al gaat het hier over een land dat in hoge mate niet of niet meer bestaat.”
Het is een utopie.

“In letterlijke zin, omdat ik schrijf over een Engeland waarvan ik zou willen dat het bestond. Het idyllische Engeland, dat niet verstoord wordt door dingen als lelijke huizen en tienerzwangerschappen. Het gaat over geschiedenis, politiek, het verdwenen kinderparadijs, het gaat over alle mogelijke gevoeligheden en beelden, en het gaat vooral ook over taal. NRC Handelsblad schreef dat je het boek in de eerste plaats leest om de volgende zin te lezen; dat is het mooiste compliment dat je mij kunt geven.”
Het taalesthetische besef spat van uw pagina’s.

“Nou ja, taalschoonheid is meer dan louter esthetica. In navolging van Witold Gombrowicz koester ik een bepaalde opvatting over de verhouding tussen vorm en inhoud. Heel simpel in feite: je krijgt alleen maar een interessante inhoud als je ook een interessante vorm kunt creëren. Daarbij hoort het vreemde fenomeen dat de tekst intelligenter is dan de schrijver. Op een gegeven moment weet de tekst meer dan jij. Daar streef ik naar.”
Daar speelt toch de schrijversroes in mee?

“Maar ook de etymologie. In ieder woord circuleert overgeleverde wijsheid. In de loop van de generaties raken woorden elektrisch geladen. Daarom heb ik ook een afkeer van modewoorden: omdat die nog niet bewezen hebben dat ze duurzaamheid bezitten, kennis kunnen overdragen. In dat opzicht ben ik absoluut een conservatief. Als je mij op de kast wil krijgen, moet je met plannen voor een spellingshervorming komen.”
Uw prozawerk kenmerkt zich in grote mate door een hang naar geschiedschrijving en definiëring van het hier en nu.

“Al mijn prozaboeken gaan au fond over hetzelfde. Mijn belangrijkste doelstelling is om de positie van een naoorlogse Europeaan, een product van de laat-twintigste eeuw, nader te bepalen. Ik poog de traditie te vertalen naar het dialect van mijn eigen tijd. Dat mijn werk autobiografisch zou zijn is een misverstand, want het gaat helemaal niet over mij. Mijn werk gaat vanuit mij over het onderwerp dat ik aansnijd.
In de poëzie laat u zich vooral inspireren door W.H. Auden.
“Hij is niet alleen de grootste dichter van de twintigste eeuw, maar ook de grootste denker, zei Joseph Brodsky. Hij heeft me niet zozeer technisch beïnvloed als wel in denkwijze. Hij heeft me geschoold in de gedachte dat je kunt denken in poëzie. Iedereen associeert poëzie altijd met het gevoel; wel, hij wees op de poëtische ratio.”
In de briefwisseling tussen Michel Houellebecq en Bernard Henri-Lévy die vorig jaar uitkwam, noemt de eerste de dichtkunst de meest verheven kunstvorm. Lévy oppert dan dat elke kunstvorm evenwaardig is. Waar neigt u naar?

“Intussen ben ik het met Lévy eens, hoewel hij een geweldig onbetrouwbaar sujet is. Een aartsmodieuze, buitengewoon oppervlakkige, typische rivegauchistische nepdenker. Maar als ik nu per se de hoogste kunstvorm moet uitroepen, dan had Verlaine gelijk. Dat is muziek. Mozart is een andere aggregatietoestand van God.”
Uw vader was predikant en theoloog. Zelf geeft u aan wortels te hebben in de traditie van de anglicaanse kerk, die u bewondert. Praktiseert u dat geloof?
“Soms. Maar dan beland je weer bij de kwestie van vorm en inhoud. Ik illustreer mijn ‘geloof’ graag met een beroemde Misjna, over twee joden. In een sjetl wonen twee joden: de ene geweldig, de ander kan het minder schelen, die doet vooral alsof. Die ander, dat ben ik. Die onvrome jood respecteert traditie en vorm, maar verkeert in het ongewisse over de bestaanskwestie van een opperwezen. Ze sterven tegelijkertijd, zoals dat gaat in Misjna’s, verschijnen voor Onze-Lieve-Heer, en die verwelkomt beiden. De vrome protesteert: zijn kompaan meende het nooit helemaal. Waarop God repliceert: ‘Maar dat is veel moeilijker.’
“Salman Rushdie opperde ooit dat de anglicaanse kerk uit allerlei beleefde rituelen bestaat. Gelukkig zijn het beleefde rituelen! En wat een prachtige rituelen! De fysieke sensatie van een mengeling van schoonheid, traditie, taal, intelligentie, onbegrijpelijkheid, poëzie en een soort ongelovig geloof beleef ik bij een van die fantastische jongenskoren in zo’n Engelse kathedraal. Daar kan ik op het pedofiele af van genieten.”
Uit uw columns blijkt een grote waardering voor de joodse cultuur en traditie.

“Vanwege de dialectiek. Twee joden, drie opvattingen. Je mag ruzie maken met God, sterker, geliéve ruzie te maken met God. Er bestaan prachtige Talmoed-teksten waarin God schaterend verklaart dat zijn schepsel het in een debat van hem heeft gewonnen. Ik ben juist bang voor het omgekeerde: het verbod om te lachen, om het oneens te zijn, om niet te geloven. Het verbod om op een ongelovige manier toch mee te doen aan je traditie.”
Regelmatig heeft u kritiek op de islam. Uw lezing ‘Leve God, weg met Allah’, onlangs in Antwerpen, werd verstoord door moslimfundamentalisten. Maar die titel was geen moslimprovocatie?

“Die lezing was bedoeld voor vrijzinnigen van middelbare leeftijd, helemaal niet voor moslims. Tot mijn stomme verbazing waren er moslims aanwezig. Toen heeft men daarvan gemaakt dat ik dat in scène heb gezet, en zo meer. Belachelijke onzin is daar over verkondigd.”
Bent u echt bang voor de islamisering van Europa?

“Inderdaad.” De grote meerderheid van de moslims zijn nuchtere mensen, die aan hun dagelijks leven denken en geen last hebben van fanatisme. Maar: er bestaan dan wel heel veel gematigde moslims, er bestaat geen gematigde islam.”
De bodyguards die u daar begeleidden bleken ook voor Filip Dewinter te werken (leider van het extreem-rechtse Vlaams Belang – red.). Daarop pleegde de linkse Vlaamse pers karaktermoord op u.

“Ik ken mensen bij alle politieke partijen, vooral bij de socialisten. Toen ik bedreigd werd, eiste mijn vrouw dat ik voor beveiliging zou zorgen. Dat was op de dag van de lezing zelf. Toen dacht ik: ik ken één Vlaams Belanger, Tanguy Veys. Ik had hem ooit ontmoet na een debat. Hem heb ik gevraagd hoe ze dat bij zijn partij regelen, want kopstukken van de andere partijen hebben geen bescherming nodig. Veys zei dat hij het voor me ging regelen. In mijn naïeve zenuwachtigheid ging ik daar op in. Vervolgens ontdekte ik in Antwerpen, vlak voor de lezing, dat die kerels de persoonlijke lijfwachten van Dewinter waren. Wat moest ik op dat moment zeggen, terwijl er enige tientallen salafisten in de zaal zaten? ‘Nou nee, we gaan nu even discussiëren over jullie politieke opvattingen’? Tuurlijk niet.
“Het stalinistische schijnprocesje dat een bepaald deel van links Vlaanderen tegen mij heeft gevoerd, tart werkelijk alle verbeelding. ‘Dús ik heb sympathie voor het VB’, was het besluit. Maar ik heb helemaal geen sympathie voor die partij. Ik heb vaak genoeg over mijn afkeer van het VB geschreven.”
Toch heeft u Dewinter ooit een profeet genoemd.

“Schertsend, aan de telefoon met een journalist van De Standaard, want Dewinter voorspelde twintig jaar geleden al wat we nu meemaken. Een ironische verwijzing naar de Profeet met hoofdletter.?Ik heb een grondige hekel aan het VB. Ik vermoed dat volksnationalisme de belangrijkste motivatie is voor het islamstandpunt van het VB. De islam is vreemd aan het volk. Je kunt het volk niet mengen met vreemde ‘smetten’, welke ‘smetten’ dan ook. Ikzelf stel het individu boven de volksgemeenschap, wat het VB natuurlijk niet doet. Iedere Marokkaan als zodanig is voor mij welkom. Het gaat louter om het fanatisme, een onverdraagzame, onverdraaglijke politieke ideologie.”
Is Wilders een verstandiger alternatief dan volksnationalist Filip Dewinter?
“Ik denk dat Wilders absoluut geen extreem-rechtse sympathieën heeft. Ik heb zijn programma gelezen, in bepaalde opzichten is dat sociaal-economisch links, zij het populistisch links; voor de rest is het heel erg liberaal. Als je de meeste fatsoenlijke mensen dat programma laat doorbladeren zonder dat ze weten van welke partij het is, zullen ze het als democratisch beschouwen. Het is natuurlijk de manier waarop hij het brengt. Zijn islamstandpunt, dat hij waarschijnlijk wel meent, blaast elke vorm van toenadering door andere partijen op.
“Je kunt daar grapjes over maken, maar die Wilders leidt een non-bestaan. Hij slaapt al jaren elke week in een ander huis. Hij wordt bedreigd, hij bedreigt zelf niet. Hij heeft uitspraken gedaan waar ik het volstrekt niet mee eens ben, maar je kunt niet ontkennen dat hij op zijn verhitte, barokke manier wijst op een concreet gevaar. Je moet niet doen alsof een gevaar geen gevaar meer is, omdat iemand die je niet fijn vindt erop wijst.”

Laurens Bouckaert