Kogelregens en achtervolgingen

Bij de Franse maffia kunnen ze niet schieten. Dat is de eerste les die ons wordt ingepeperd in de ‘op ware feiten gebaseerde’ thriller L’immortel. Charly Matteï (Jean Reno), een voormalige maffiabaas die zich uit het criminele circuit van Marseille heeft teruggetrokken om zich aan zijn gezinnetje te wijden, treft op een kwade dag acht bewapende mannen met bivakmutsen die nog een rekening hebben te vereffenen. Ze schieten van dichtbij hun wapens op Matteï leeg en laten hem achter in een enorme plas bloed. De artsen verwijderen 22 kogels (!) uit het lichaam van het slachtoffer, dat de aanslag evenwel overleeft en zich daarmee de bijnaam l’immortel (‘de onsterfelijke’) verwerft. Dat Matteï een stuk beter kan mikken dan zijn belagers blijkt kort daarop, als hij achter de identiteit van de daders is gekomen en die één voor één een bezoekje brengt. Hij gaat daarbij efficiënt te werk. Zijn signatuur: één kogel in het hoofd en één in het hart. Middels flashbacks komen we ondertussen een en ander te weten over het verleden van Matteï en de plechtige eed waarmee hij en twee kameraden elkaar ‘vriendschap tot aan de dood’ hebben beloofd.

Met Jean Reno hebben de makers van L’immortel (om onnaspeurbare redenen in Nederland uitgebracht als The Immortal) zich verzekerd van een overtuigende hoofdrolspeler. Hij beschikt over een goede karakterkop en een mooie melancholieke oogopslag. Reno is in staat om op het ene moment tederheid uit te drukken en een halve seconde later alweer over te schakelen op de kille blik van een reptiel. De straten en stegen van Marseille vormen een dankbaar decor. Het is hartje zomer en de vuilnismannen staken. De geur van de stad walmt bij wijze van spreken van het filmdoek. De dialogen zijn sterk en bevatten veel aardige observaties. Een cynische politiecommissaris betoogt bijvoorbeeld dat koning Lodewijk XIV de enige is geweest die ooit respect wist af te dwingen in Marseille. Want: “Hij liet de stadsmuren afbreken en richtte de kanonnen van het fort op de binnenstad.” Op de acteerprestaties valt niets aan te merken, de beelden zijn oogstrelend en in weerwil van een lengte van bijna twee uur, verliest de film nauwelijks vaart.

En toch bleef ik na afloop zitten met een ietwat onbevredigd gevoel. Jean Reno als bikkelharde crimineel met een zachte, vaderlijke kant: dat kennen we al uit Léon. Kogelregens en scheurende auto’s in de straten van Marseille: dat kennen we uit Ronin (óók weer met Reno). En zo zou ik een hele groslijst af kunnen werken. Schurken die schaterend wreedheden begaan. Maffiabazen met excentrieke trekjes. Politie-inspecteurs die heimelijk sympathie koesteren voor de boef. De hachelijke ontsnapping per motor. Het verraad in eigen kring. Het gezinnetje dat moet onderduiken. De commissaris die de eer opstrijkt voor de prestaties van zijn ondergeschikten. Het kwam me allemaal nét even te bekend voor. Het meest schaamteloze zijn de letters van de filmtitel, die rechtstreeks van The Godfather zijn gekopieerd. L’immortel is een onderhoudende, goed gemaakte film die gebukt gaat onder een overdaad aan déjà vu.


L’immortel (The Immortal).

Regie: Richard Berry.

Vanaf 6 mei in de bioscoop.

Erik Spaans