Met een hoed op naar Westerbork

Begrijpen doe je het nooit, hoeveel je er ook over hebt gehoord, gelezen en gezien. Ik wil niet suggereren dat je het wel zou begrijpen als je de Tweede Wereldoorlog, de bezetting, de jodenvervolging als tijdgenoot hebt meegemaakt, maar wie na de oorlog is geboren, moet het hebben van wat anderen erover hebben verteld. Bijna altijd gaat het dan om verhalen achteraf: de halve naoorlogse literatuur in Nederland gaat over de bezetting. Stemmen uit de tijd zelf zijn een stuk zeldzamer.

Naast de beroemde dagboeken van Anne Frank en Etty Hillesum is er nu de roman Homo submersus van Jacques Presser. Hij schreef het veertig jaar na zijn dood gepubliceerde boek in 1943 en 1944 terwijl hij was ondergedoken in Wageningen. Direct na de oorlog wezen uitgeverijen het manuscript af; waarschijnlijk, zegt bezorger Nico Markus in zijn verhelderende inleiding, omdat er papierschaarste heerste, maar mogelijk ook omdat uitgeverijen vermoedden dat niemand toen zat te wachten op een roman over een wond die nog zo vers was.

Het verlangen om het boek in druk te zien verschijnen verdampte toen de schrijver besefte dat zijn vrouw, aan wie hij de roman had opgedragen, door de Duitsers was vermoord. Hij zette zich aan het wetenschappelijke werk, dat in 1965 culmineerde in Ondergang, een bijna koel maar daardoor des te schokkender relaas over de verdelging van het Nederlandse jodendom, de meedogenloze logistieke organisatie daarachter en de gelatenheid waarmee slachtoffers hun lot aanvaardden, móesten aanvaarden.

Met het verschijnen van Homo submersus (‘De ondergedoken mens’) blijkt dat Jacques Presser zich niet alleen ná de oorlog, maar ook al tijdens de oorlog in geschrifte heeft beziggehouden met de jodenvervolging. De roman (Presser noemde zijn werk ‘Een kroniek’) heeft de vorm van een dagboek. Dat begint op 15 mei 1943 en wordt voorafgegaan door een aantekening van een half jaar later; de laatste dagboeknotitie is van 19 augustus 1943. Presser schreef het boek in de periode 15 november 1943 tot 19 juli 1944.

Daarmee is al aangetoond dat het hier niet gaat om een autobiografisch dagboek als dat van Anne Frank. Nog sterker blijkt dat uit de hoofdpersoon die Presser het verhaal laat vertellen, een man die zeventien jaar jonger is dan de schrijver en niet, zoals deze, getrouwd, maar amoureus verbonden met twee vrouwen van wie hij door zijn onderduik gescheiden is. De 27-jarige Jacques studeert kunstgeschiedenis. Zelf was Presser historicus: in ’46 publiceerde hij over Napoleon, in ’49 over Amerika.


Desondanks lijkt het aannemelijk dat de ervaringen die Jacques Presser aan deze zoveel jongere Jacques toeschrijft, die van hemzelf op z’n minst benaderen. Het is ook moeilijk anders voorstelbaar: hoe zou een schrijver die ondergedoken zit, met alle beperkingen van dien, over anderen in eenzelfde situatie kunnen schrijven? Ja, láter, maar op het moment zelf…

Homo submersus is daardoor een authentiek document. Hier klinkt een stem van toen, die toen al, binnen genoemde beperkingen, bezig was met het sublimeren van ervaringen die zich nauwelijks beschrijven laten. Ging het Presser erom kunst te maken, literatuur, een statement wellicht? Dat alles is het nu in elk geval geworden.

Literatuur, verwerkt verleden. Toch blijft het schokkend om te lezen: “Arme ouders. Ik liep toch de hele tijd te denken aan die twee stakkers, met niets dan een stempel tussen hen en de ondergang in vuil, honger en ziekte.” Met het juiste stempel kon je je in elk geval tijdelijk veilig voelen.

Nog schokkender is dit citaat uit een brief: “…dat iemand met een pet op naar Westerbork moest, nu ja, dat was normaal, maar iemand met een hoed?” De brief is van Jacques’ zus Sera, voor wie de ene jood kennelijk niet de andere is. Ook dat begrijp je nooit.

Jacques Presser: Homo submersus. Een roman uit de onderduik. Boom. €29,90. |

Ook verkrijgbaar via www.ako.nl.

Frank van Dijl