‘Artiest zijn is geen werk’

Hoewel zijn eerste plaat al in 1995 verscheen, bleef de Italiaanse cantautore Gianmaria Testa tot 2007 gewoon stationschef. Inmiddels ligt Europa aan zijn voeten, maar de boerenzoon blijft bescheiden. ‘Elke keer dat ik op het podium stap, voel ik me toch weer een beetje belachelijk.’

Hij oogt gesloopt: meteen na een optreden in het Italiaanse Castelverde stapte Gianmaria Testa op het vliegtuig om wat promotie te doen voor zijn Nederlandse tournee. Hij heeft geen oog dicht gedaan, maar dat mag zijn plicht niet in de weg staan. Om zijn rijkelijk doorrookte stem op de juiste klankkleur te houden, moet hij eerst even naar buiten om een sigaretje te roken. Daarna bestelt hij een glas droge, witte wijn om hem alvast de roes te bezorgen die hem straks mee zal voeren naar dromenland. Wanneer hij hoort dat het interview minimaal een uur zal duren, verschijnen pretlichtjes in zijn ogen en fluistert hij met krakende stem: “Dan heb ik misschien wel twéé glazen wijn nodig.”

U bent in Nederland relatief onbekend. Wat bent u voor een mens?

“Op de boerderij van mijn vader ben ik geworden wie ik ben. Er woonden twee gezinnen op de boerderij: dat van mijn vader en dat van zijn broer. Dan waren er ook nog een ongetrouwde broer en mijn oma. Het was net een dorp. De leeftijden van de bewoners liepen uiteen van twee tot tachtig jaar. Iedereen was daar altijd aanwezig. Dat leverde soms conflicten op, maar vaak was dat ook geweldig. Alles wat ik op het menselijk vlak moest leren, heb ik daar, vóór mijn twintigste jaar, geleerd. Daar liggen mijn roots. Ik zeg dat, hoewel ik min of meer van de boerderij ben weggevlucht op mijn twintigste. Ik kreeg het benauwd in dat kleine wereldje, voelde me verstikt. Ken je die boerderij uit de film Novecento? Met zo’n groot erf dat aan alle kanten door gebouwen is ingesloten? Nou, de boerderij die mijn vader pachtte, zag er ook zo uit. Het was een klein, gesloten universum met een heel erg directe lijn tussen leven en dood. De dieren die ik dagelijks verzorgde – het varken, de konijnen, de kippen – werden op een gegeven moment gedood. Dat vond ik als jongetje onverdraaglijk wreed. Maar het heeft mij wel geleerd om eerlijk te zijn. Het is namelijk schijnheilig om iets te eten wat je niet durft te doden. We vinden bloed allemaal verschrikkelijk, maar er is toch altijd iemand die het vuile werk op moet knappen. Dit is maar één voorbeeld. Achteraf bezien heb ik daar geleerd wat filosofie is, hoe je over leven en dood moet nadenken.”


Hoe ervoer u de wereld na het vertrek uit dat kleine, beschermde wereldje?

“Het was een schok en een opluchting tegelijk. Het was ook een schok voor mijn vader: ik ben de oudste zoon, en dat betekende automatisch dat ik zijn werk had moeten voortzetten. Maar ik was de enige van vier kinderen – ik heb één broer en twee zussen – die een beetje doorgeleerd had. Ik heb op de universiteit gezeten. Die studie, rechten, heb ik overigens niet afgemaakt. Omdat ik op mezelf wilde wonen, moest ik gaan werken om in mijn levensonderhoud te voorzien. Jammer, overigens. Ik had rechter willen worden. Ik behoorde toen tot een extreem-linkse groepering en had op die manier de wereld willen veranderen. Ik had gedacht dat ik met mijn vwo-diploma makkelijk een goede baan zou kunnen krijgen, maar dat viel vies tegen. Glazenwasser ben ik geweest, en verder heb ik zo’n beetje alle baantjes gehad die je kunt bedenken. Dat was een schok. Maar die eerste twee jaar dat ik weg was van mijn ouders, waren waarschijnlijk de meest vrije jaren die ik heb gekend.”

Heeft u zich ooit schuldig gevoeld ten opzichte van uw vader?

“Zeker! Jarenlang. Ik heb er nooit echt met hem over gesproken. Maar ik heb mijn schuldgevoel wel non-verbaal laten zien: elke zaterdag en zondag ging ik terug om op de boerderij te werken. Zo is het in de loop der jaren toch weer goed gekomen tussen ons.”

Hoe vond hij uw carrièrestap van stationschef naar liedjeszanger?

“Dat ik ging optreden, was voor hem een tweede schok. Hij is ook nooit naar mij komen luisteren. Zelfs niet toen ik voor de eerste keer in L’Olympia in Parijs stond. Ik zei: voor een cantautore is L’Olympia hetzelfde als La Scala in Milaan voor een tenor. Maar hij vond toch een excuus om niet te komen. ‘Ik moet halverwege het concert vast plassen en dan stoor ik iedereen.’ Dat zei hij. Hij vond zingen ook geen beroep. Je kunt zingen terwíjl je aan het werk bent. Dat deed iedereen op de boerderij ook. Maar met zingen je geld verdienen, dat was ongehoord. Zingen is geen beroep, behalve wanneer je operazanger bent. Dán wel.”


Heeft dat u pijn gedaan?

“Eerlijk gezegd niet. Eigenlijk heeft hij wel gelijk. Optreden en toeren kan heel erg vermoeiend zijn – ik ben op dit moment ontzettend moe – maar het is geen baan. Artiest zijn heeft iets te maken met een passie of een verlangen om iets te doen en dat kun je, nogmaals, geen werk noemen.”

Maar het reizen is zwaar en de druk om elke avond weer een min of meer foutloze show neer te zetten, is groot. Het publiek mag niet worden teleurgesteld…

“Allemaal waar, maar dat wil nog niet zeggen dat ik werk. Ik zie een concert als een afspraak met het publiek die nagekomen moet worden. Maar dit vak kent te veel privileges om het werk te noemen. Ik maakte mijn eerste plaat toen ik al 35 was. En dat terwijl ik mijn eerste liedje schreef toen ik veertien was. Maar ik schreef niet om mijn liedjes aan anderen te laten horen, ik deed dat gewoon voor mezelf. Dat doe ik nog steeds. Ook dat is een privilege: dat je een vorm kunt geven aan een emotie die je hebt. En dat je die emotie elke keer dat je het liedje zingt nóg een keer kunt beleven. Als dat geen privilege is… Dat is bijna psychoanalyse. Zal ik eens helemaal eerlijk tegen je zijn? Ik ben niet eens trots op mezelf. Ik heb in 1993 de stap genomen om mijn liedjes aan anderen te laten horen, omdat ik een schouderklopje nodig had. Omdat ik behoefte had aan mensen die ‘bravo!’ tegen me zouden zeggen. Ik vind dat niet echt sterk van mezelf. Ik vind dat nogal deerniswekkend. Elke keer als ik op het podium stap, voel ik me toch weer een beetje belachelijk. Dan denk ik: wat ben je toch een zielige aandachtsjunk. Door dat gevoel ben ik altijd met beide benen op de grond blijven staan, heb ik nooit verbeelding gekregen.”


Misschien bent u te bescheiden; het chanson is toch een kunstvorm?

“Nee, daarvoor heeft het lied zich te veel geprostitueerd. Misschien is het wel het verschil tussen mensen die gewoon communiceren en echte kunstenaars. Kunstenaars doen iets omdat zij vinden dat het écht noodzakelijk is wat ze doen. Van Gogh sneed een oor af, snapt u? En echte kunstenaars hadden een slecht leven omdat zij niet werden begrepen in hun tijd. Dat soort zangers bestaat niet. Het lied laat zich leiden door de waan van de dag. Het lied is een modieus dingetje. En ik houd me bezig met liedjes, snapt u? Dat is wat ik wil zeggen over mijn vak, mijn kunstvorm. Ik ben geen schilder of beeldhouwer.”

Het lijkt wel of u zich schaamt voor wat u doet.

“Nee, helemaal niet. De keerzijde van de status van het lied is dat het een fantastische manier is om te communiceren. In de westerse wereld is het onmogelijk om één dag door te brengen zonder een liedje te horen. Zelfs wanneer je zelf niet luistert, is er wel een voorbij rijdende auto met een open raam waaruit een lied weerklinkt. En wanneer je het zo bekijkt, verdient het lied veel meer respect. Helaas wordt er vrij respectloos omgegaan met het lied. De teksten bestaan meestal uit onzin. De meeste liedjes zijn hoeren die heel veel geld in het laatje brengen. Negentig procent van de liedjes wordt geschreven om te behagen en te verkopen. Ik vind dat jammer.”

De slechtste boeken verkopen ook het best. Rotzooi verkoopt meestal het best.

“Dat is waar, maar er is een klein verschil: een boek vereist een klein beetje medewerking van de koper; je moet het namelijk lezen. Terwijl het liedje gewoon passief naar iedereen toe komt fladderen. Dus het slechte lied is nog erger dan de rest.”


U vertelde zojuist dat de boerderij u heeft gemaakt tot de man die u nu bent. Dat u daar heeft geleerd wat het is om een mens te zijn. Daarnaast stelt u dat het chanson een fantastisch communicatiemiddel is. Hoe communiceert u de levenswijsheden die u op de boerderij leerde door middel van een lied?

“Ik weet eigenlijk niet precies wat ik probeer over te brengen op mijn publiek. Maar ik weet wel wat ik níet wil overbrengen. Ik wil bijvoorbeeld niet liegen. Nu geef ik bijvoorbeeld een aantal concerten hier in Nederland. Het merendeel van het publiek zal waarschijnlijk niet begrijpen waar ik over zing. Maar de mensen zullen waarschijnlijk wel voelen of ik oprecht ben of niet. Dat heb ik geleerd in die besloten gemeenschap van de boerderij: liegen is onmogelijk. Een ander voorbeeld. Soms schrijf ik iets over een emotie die nog zó sterk aanwezig is, dat ik het nog niet kan zingen. Dat zou zoiets zijn als mezelf aan iets branden. Soms kan ik bepaalde chansons niet zingen, omdat de bezongen emoties op dat moment te heftig aanwezig zijn. Als dat zo aanvoelt, doe ik het ook niet. Anderzijds kan ik ook niet zingen over dingen die ik níet voel. En naarmate je populariteit groeit, moet je oprechter zijn. Wanneer je voor honderd man zingt, dan lieg je tegen honderd mensen. Maar als je voor een paar duizend mensen zingt, lieg je tegen een paar duizend mensen. En dat is nog veel erger. In onze beeldcultuur schijnt het omgekeerde waar te zijn: hoe meer succes ik heb, des te meer ik me kan permitteren. Dat is idioot. Je verantwoordelijkheid wordt juist alleen maar groter. Vroeger vroeg ik me nooit af wie er naar mijn liedje ging luisteren. Nu doe ik dat wel. Nu stel ik zelfs de noodzaak van een liedje ter discussie. Dus – kort samengevat – ik communiceer mijn kleine waarheid. Niet meer dan dat. Voor een goede show moet je niet naar me toe komen. Ik geef gewoon een concert, meer niet.”


Is elke vorm van esthetiek u vreemd?

“Natuurlijk niet! Iedereen heeft een bepaald idee over schoonheid in zijn hoofd. Een schrijver maakt boeken volgens een bepaald schoonheidsideaal. Ik maak liedjes volgens mijn eigen schoonheidsideaal. Schoonheid samen delen: dat is mooi. Dat is iets heel erg menselijks. Succes betekent voor mij: de mensen ‘verlicht’ naar huis laten gaan. Misschien heb ik ze aan het denken gezet. Misschien hebben ze gewoon een serene avond gehad – dat zou ook al mooi zijn. Daarom kan ik elke avond weer het podium op stappen. Als dat niet zo zou zijn, dan zou het allemaal iets belachelijks hebben.”

Zo te horen is er van uw extreem-linkse idealen van weleer niets meer over.

“Dat is niet waar. Ik ben nog net zo strijdbaar. Alleen is dat in mijn werk niet altijd meer te horen. Engagement en kunst gaan nu eenmaal niet zo goed samen. Dat krijgt vaak iets geforceerds. Het enige politieke album dat ik heb gemaakt is Da Questa Parte Del Mare, maar daar ben ik dan ook jaren mee bezig geweest. Die plaat is eigenlijk een soort roman. Elk nummer is een hoofdstuk, en alle hoofdstukken gaan over de immigratieproblematiek. Mijn standpunt is dat het onmogelijk is om zogenaamde vreemdelingen buiten de landsgrenzen te houden. Als ouders weten dat hun kinderen in hun geboorteland zullen sterven van ziekte en honger, dan zullen ze hemel en aarde bewegen om naar het rijke Europa te gaan. Toen Italië nog een ontwikkelingsland was, zijn talloze Italianen op de boot gestapt om in Amerika hun geluk te beproeven. Ik vind het heel schrijnend dat de meeste van mijn landgenoten dat helemaal vergeten zijn.”

Gianmaria Testa toert nog deze hele zomer langs verschillende Europese landen, waar-onder Duitsland, Italië, Frankrijk, Oostenrijk en Spanje. Zijn laatste twee albums,’Da questa parte del mare’ en ‘Solo dal vivo’, verschenen bij Harmonia Mundi.

Ruud Meijer, foto's Ilvy Njiokiktjien